De vierkante centimeter

In de literatuur mag alles, en dat is een groot voordeel. Misschien mag het niet van iedereen, maar zo lang van sommigen de Maigrets van Simenon erbij mogen, ben ik geneigd om als tegenprestatie te vinden dat ook de roman van Kees Ouwens ‘De eenzaamheid door genot’, een volgehouden poging tot onleesbaarheid en tot een verkoop van 2,3 exemplaren, erbij mag. Literatuur is tenslotte een zaak van sommigen voor sommigen.
Alleen lijkt er vandaag de dag van tamelijk velen nogal wat te moèten. En dat is dan weer kwalijk, omdat literatuur nooit een zaak van velen mag zijn, toch niet van allemaal tegelijkertijd, wel van héél veel sommigen, één voor één.

Wat moet er dan in de Nederlandse literatuur zo nodig? Een paar jaar geleden kwam Ton Ansbeek, na een jaar gastdocentschap aan een Amerikaanse universiteit, terug in Nederland met een vergelijking tussen de Amerikaanse top-drie van dat moment, en de Nederlandse. Ik herinner me eigenlijk alleen nog de top-ééns. In Amerika was dat ‘De wereld volgens Garp’, van John Irving, in Nederland ‘Opwaaiende zomerjurken’ van Oek de Jong. De conclusie van Anbeek was, dat de Amerikaanse roman over de hele Amerikaanse maatschappij ging, terwijl de Nederlandse roman zich op een zolderkamer afspeelde. Voor de poëzie zou gemakkelijk iets gelijkaardigs aan te tonen zijn. De Amerikaanse poëzie is babbelziek, lijkt bij Anne Sexton op psychiatrie-verslagen, gaat bij Caroline Forché over Nicaragua, terwijl de verzamelde gedichten van Adrienne Rich nog het meest weghebben van een vrouwenpraatgroep. Het is poëzie in de breedte.

De Nederlandse poëzie speelt zich af op de vierkante centimeter, is gelaagd, in één regel klinken reminiscenties op aan vijf andere regels, wat over de natuur lijkt te gaan, gaat in werkelijkheid over een vrouw, en als je goed kijkt ook nog eens over de poëzie zelf. De Nederlandse poëzie gebruikt woorden als Lego-blokjes. Alles verwijst naar alles. Het gaat niet om het klank-effect, maar om het klik-effect. Het is poëzie in de hoogte. Basis één vierkante centimeter, hoogte tien centimeter. Dat is zeer gewaagd. En toch nooit erg hoog.

Ik moet daar aan toevoegen dat ik de Nederlandse poëzie, de Hollandse, momenteel zowat de beste van Europa vind. Alleen vind ik het soms jammer dat al die Lego-blokjes maar één vierkante centimeter als basis hebben. Waarom zou het af en toe niet over psychiatrie, Nicaragua, vrouwenpraatgroepen, en wat mij betreft voetbal, leven en dood mogen gaan, om dat alles, om het even wat eigenlijk, onontkoombaar in taal in te vriezen? Voor een goed gedicht geldt immers dat het houdbaar is tot 12.8.2134, of 6.9.2556.

Scripta manent. Het geschrevene blijft. Het bovenstaande in elk geval tot ik het herlees. Het klopt niet. Maar het mag blijven, want het klopt ook weer wel. Het eigenaardige is dat de Hollandse poëzie wel degelijk veel breder is, alleen het door de Hollandse kritiek daarvan gecanoniseerde deel niet.

Zo gaf Geert van Oorschot ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van zijn uitgeverij een bloemlezing ‘Gedichten’ uit, van zes dichteressen, en daarin was voor mij de grootste ontdekking dat Annie M.G. Schmidt opeens niet alleen maar een kinderdichteres was. Ze mocht meedoen met de serieuze dichteressen. Ze mocht dat van Geert van Oorschot, en dat was een hele opluchting: hopelijk mag ze dat voortaan ook van anderen. Het komt allemaal nog wel goed, als we de poëzie maar niet te uitsluitend aan de critici overlaten. Van Annie M.G. Schmidt heb ik het eigenlijk altijd wel geweten, al sinds de tijd dat ‘Op een mooie Pinksterdag’ me pijn deed in heel mijn hebben en houden. Vanwege het besef dat er niets te hebben en houden valt, en zeker geen dochter. Wat is dat voor een poëziegenre, dat pijn doet? En dat pijn doet, juist omdat het luchtig is?

Neem nooit een dichter, m’n dochter, Zo een met een dichterskop
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op…
Wat jij nog in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje ‘Donkere Sneeuw’.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je ‘s morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.

De meeste hedendaagse poëzie is immanent, gaat over zichzelf. Het gedicht over het gedicht. Dit gaat over mij. Een veel interessanter onderwerp.

Ik heb Annie M.G. Schmidt zien voorlezen op de Nacht van de Poëzie in Utrecht. Blind. Met een leesbril waarvan één glas afgeschermd was, en op het andere glas was een loep gemonteerd. Daarmee bleek ze nog altijd niks te zien, want Ed Leeflang, die naast haar zat, moest voortdurend souffleren. Zo las ze haar gedicht over de drie beren die gewoon lekker een huis hebben betrokken, en die de wijkagent die hen wil verjagen afschrikken door een gezamelijke brr. En dat brrr deed ze samen met Ed Leeflang. Elke keer weer moest ze daarbij zo lachen, dat ik dacht dat ze niet verder kon. En tegelijk had het iets sentimenteels. Hoe verdrietig is het eigenlijk, om je tranen te lachen? Presentator Piet Piryns had haar al aangekondigd als de moeder van alle aanwezige dichters. En dat is ze ook. Maar niet de moeder van de recensenten. In 1987 zijn haar gedichten voor volwassenen verschenen, en die zijn nauwelijks besproken. Een verwaarloosde moeder, die leuker is dan haar niet verwaarloosde kinderen.

Een andere dichter die hier wel en niet bij hoort, is Willem Wilmink. Allebei hebben ze gemeen dat ze niets gemeenschappelijks hebben. Behalve dat Schmidt en Wilmink aantonen dat je, om goeie kinderpoëzie te schrijven, ook gewoon een goed dichter moet zijn. Een goeie kinderdichter is bijna vanzelf ook een goeie volwassenendichter. Het omgekeerde geldt niet. Verder hebben ze met elkaar gemeen dat hun poëzie nauwelijks door de officiële recensenten besproken wordt, en dat ligt eigenlijk voor de hand. Deze dichters zijn niet noodzakelijk geestverruimend, maar binnen de Hollandse canon alvast poëzieverruimend. Zelfs Claus poëzie wordt, vergeleken bij zijn romans, nauwelijks besproken.

Het mooiste compliment dat je Wilmink kunt maken is inderdaad dat hij met zijn beste gedichten ook wel eens anoniem zou kunnen worden. Dat iedereen die gedichten kent, en niet meer weet van wie zij zijn. Dat is ten dele al zo. Wilmink is de dichter van een aantal liedjes uit Kinderen voor Kinderen, meestal de beste. Van Fotoalbum bijvoorbeeld:

Dat ik van mijn vader hou, doet moeder soms verdriet.
En dat ik van mijn moeder hou,
dat weet mijn vader niet.
Zo draag ik mijn geheimen mee
en loop van hier naar daar.
Nog altijd hou ik van die twee
die hielden van elkaar.

Daarnaast schreef Wilmink liedjes voor de Senioren-show, voor de Straremakeropzee Show, voor de J.J. de Bom, voorheen de kindervriend Show, voor Ome Willem. De huidige kritiek weet met deze anonimiteit geen raad, met deze alleralgemeenste expressie van de aller algemeenste emotie. Met deze onmiddellijke begrijpelijkheid evenmin. Een gedicht moet je kunnen herlezen, is de eis. Dat vind ik ook. Maar je kunt om twee redenen herlezen: omdat je het de eerste keer niet begrijpt, en dat doe je met boeiende, intrigerende gedichten. Of omdat je het de eerste keer al zo treffend vindt, dat je het niet vaak genoeg opnieuw kunt horen. En wat moet een criticus in godsnaam met de directe ontroeringskracht van een liedje als Haar brief?

Wees niet verbitterd meer, huil er niet meer om
dat ik zonder jou opnieuw begon.
Je moet toch wel beamen
dat het zo niet meer duren kon.
Het is niet waar, mijn vriend,
dat ik je kleineer,
ook al heb ik soms een andre heer.
Het bed is geen examen,
erotiek is geen zaak van eer.
Ik zal je echt wel onthouden, je vriendschap, je troost, je plezier.
Ik zal van jou blijven houden,
houden. Op mijn manier.
Wees niet verbitterd meer,
heb niet zoveel spijt.
Hoop maar op een mooie nieuwe meid.
Wij waren niet meer samen,
tussen ons was er eenzaamheid.
Soms word ik ‘s nachts wakker
uit dromen,
en hoor ik geritsel. Gedruis.
En ik denk: Als er moordenaars komen,
vind ik het best. Ik ben thuis.
Wees niet verbitterd meer.

Ik krijg daar kippevel van. Maar dat mag ik niet hebben, schrijft Wiel Kusters in een essay over Gerrit Kouwenaar. Dat is een fysieke ontroering. In de poëzie moet het gaan om Kunstemoties. Van mij mogen ze allebei. En liefst allebei tegelijkertijd.

Ik weet haast zeker dat Kusters van Wilmink vindt dat hij smartlapeffecten gebruikt. Maar dat zijn natuurlijk net zo goed effecten, en ik vraag me dan graag af hoe die bereikt worden. Doordat de briefschrijfster in dit geval meer troost nodig heeft dan degene die ze wil troosten, misschien. Doordat ze dat niet wil weten. Door de uitzichtloosheid, waarin elk inzicht wel wil passen. En als dit dan toch een smartlap is, hoe komt het dan dat in dat genre Wilmink en de negentiende-eeuwse Speenhoff tien keer beter zijn dan de Zangeres zonder naam? Dat kan alleen met kwaliteit te maken hebben, maar voor dit soort kwaliteiten heeft de hedendaagse poëziekritiek geen jargon meer.

Wilminks verzamelbundel telt bijna 700 pagina’s en dat is zoals alle verzamelbundels te veel van het goede. En vooral te veel van het minder goede. Maar hij mist de pretentie, waardoor dat zou storen. Zeshonderd van zijn zevenhonderd pagina’s lezen gewoon gemakkelijk weg. Die onthoud je niet. Maar van Roland Holst lezen zeshonderd van zijn zevenhonderd pagina’s moeilijk weg. En die onthoud je evenmin. Natuurlijk zijn die honderd Holsten beter dan die honderd Wilminken. Maar als Holst wat meer Wilmink was geweest, waren ook zijn zeshonderd andere gedichten beter geweest. Wilmink is een dichter om stiekem in huis te hebben. Maar zijn verzamelbundel is zo dik dat stiekem haast niet meer kan. Ik zal er dan maar voor uitkomen.

Herman De Coninck