Zomeravond …

Zomeravond. We hebben woorden en tijd.
Behaaglijk is het om van mening en geslacht
te verschillen, waarna alleen nog van geslacht,
een verschil van dag en nacht, waarna nacht.

Laat je strelen, kom.
Ik hou ervan je lichaam te verdelen
in van alles twee, zoals ik deze zomer
de zee verdeelde toen ik schoolslag zwom.

Herman de Coninck
Uit “Schoolslag – Pastorale”

An (2)

1971

Verliezen lukte beter: daar heb ik ternauwernood
één dichtbundel over gedaan. Ik won de Prijs van de Vlaamse Provinciën met jouw dood.
Ik herinner me vooral dat ik mijn bril niet vinden kon.

Die lag naast de auto op de grond. Eerst vond
ik hem, het was een nieuwe, dan jou.
Dank zij die bril kan ik je nog steeds zien.
Na een eeuwigheid, misschien

een minuut of twee, wees een vrouw naar het gras:
kijk, een kindje. Oja, dat hadden we ook. Snel mond
op mond. Tom gillend als vermoord. Dat leek me gezond.

Pas toen besefte ik hoe stil het voordien was.
Ik dacht: zal ik eens proberen te huilen?
Het lukte. Dat kwam de volgende dagen goed van pas.

Herman de Coninck
Uit “Schoolslag – Mechelen”

An (1)

1969

Ik her inner me vooral mij. Hoe ik ineens één
vrouw had, in plaats van nu eens deze dan die.
En hoe we nu moesten, in plaats van ooit eens zouden,
van elkaar houden.

Ik zat in de kroeg te vertellen hoe mooi je wel was
en hoe verlegen en toch brutaal, tot vriendinnen
zeiden: ga dan thuis maar beminnen –
en hoe ik dan toch nog een laatste glas.

Ik weet nog hoe je soms achter je knieën zat te zwijgen
hoeveel vrouwen je allemaal alleen
voor mij wou zijn, als ik er maar was.
En dat ik nog te jong was om zoveel ineens te krijgen.

Herman de Coninck
Uit “Schoolslag – Mechelen”

Mamaatje

‘Mamaatje, mamaatje,’ huilt oude vrouw.
Nog oudere vrouw ligt op het asfalt
in de vorm van twee schoenen, wat verder
bril, nog verder gebit, en daarachteraan,
zigzag, mamaatje, oog zus, oog zo.

Mens is bros, been kraakt als stokbrood,
tanden vliegen door de lucht,
open mond blijft achter.

Mamaatje geweest.
Poppen gehad. Winkeltje gespeeld.
Stap stap met pop naar grote stad.
Dag meneertje, dag mevrouwtje.

Herman de Coninck
Uit “Enkelvoud – Zonder”

Zes jaar heeft ze geleerd wat blijven was …

Zes jaar heeft ze geleerd wat blijven was:
wat ouders deden, en wat alles dus ging doen:
een tafel bij een stoel, nu bij toen.
Het meervoud van geluk was: wij.

Sindsdien heeft ze geleerd wat enkelvoud is.
Zij. Nu weer half van jou, morgen half van mij.

Toen ze acht was was ze tien.
Eén helft van haar gezicht lief,
de andere liever. Bang om te kiezen
tussen verliezen en verliezen.

Vandaag is ze gewoon twaalf.
Vier ouders, twee echt, twee stief.
Slapen gaan moet met eindeloos gezoen.
Ze wint altijd. Ze heeft geleerd wat blijven is.
Wat ouders niet en kinderen wel doen.

Herman de Coninck
Uit “Enkelvoud – Het meervoud van geluk”

Ze heeft alles om te zoenen …

Ze heeft alles om te zoenen, twee armen voor rond mijn hals
en aan het uiteinde daarvan zichzelf om te draaien en te keren.
Ze heeft twintig vragen en slechts twee ogen.
Die doen wat een vraagteken doet met een zin,

haar moeder met nieuwe kleren. Koketteren,
dan zal het wel mogen.
Of ze bij me slapen mag? Ze probeert te knipogen.
(Onder vier ogen mag het niet, misschien onder drie.)

Als ik later, tegen haar aan,
zeg: ‘het is hier lekker warm,’
antwoordt ze in haar slaap:’ dat heb ik
speciaal voor jou gedaan.’

Herman de Coninck
Uit “Enkelvoud – Het meervoud van geluk”

‘Ik hou van jou,’ zei ze …

‘Ik hou van jou,’ zei je tussen twee monden vol wafel. Maar niet grappig; ook helemaal niet raar.
Een bal die je met alle ervaring van je drie jaar
vriendelijk naar mij toe rolde over tafel.

Ik bloosde haast als de eerste keer.
Niet elke dag hoor ik dat zeggen, laat staan menen.
En als het toch gebeurt, heb ik geen antwoord meer.
Zoveel keer jouw leeftijd, ben ik tien keer

minder in staat te zeggen wat jij zei; niet in staat
zomaar voor iemands voeten de lading bakstenen
van een verklaring uit te storten. Als ik het toch probeer
blijft het in mijn keel steken, een visgraat.

Want wat men passie noemt, dat leer
je nog wel, komt vaak op omverrijden neer.
Niet bij mij: ik ben zo knap dat ik alles kan geven
en mijn hart houden. Kussen zijn kussen.

Een bed is een bed. Zielen hoeven daar niet tussen
te komen. Jij zegt: een bed? Is om te slapen. Moge
het zo ongestoord: dat je nooit met open ogen
iemand naast je haast niet huilen hoort.

Naar Jonathan Price

Herman de Coninck
Uit “Enkelvoud – Het meervoud van geluk”

Glasscherven in de zon

(In memoriam matris)

Ik heb maar twee soorten foto’s waarop je lacht:
met je kinderen, tot een jaar of acht,
en met je kleinkinderen. (De oudste is dertien,
en nog niet te brutaal, mogen blijven.)

Wat daartussenin gebeurde is te zien
op de vijf keurig geëtiketteerde homeopatische
flesjes in je apotheek: ‘angsten’, ‘depressies’ (twee),
‘overbezorgdheid’, ‘paniek’. Dramatische

gevechten van telkens drie druppeltjes tegen de zee.
Je bleef onderwijzeres. Een krenterige heer
van een vrouw. Twintig jaar na elkaar elke dag heel even
verliezen, is minder erg dan alles in één keer, dacht je.

En daarna, met iets kleins in je armen, lachte
je dus weer. Na alles wat heel je leven
veel te groot was geweest. Zo sta je op de trouwfoto
van je dochter, opgekrikt uit je rugpijn,

zo recht als een kromme spijker die men recht-
geslagen heeft maar kan zijn.
En je lacht, na de dood van je man, je broers,
je zussen, je vrienden – of het niet op kon –

zoals glasscherven lachen in de zon

Herman de Coninck
Uit “De hectaren van het geheugen”