Ik zie wat ik heb. Ik heb dat ik zie. (1)

Ze kan monter aan komen waggelen als een Limburgse
boerin van vier jaar. Ze kan koket streng kijken
als mijn 75-jarige moeder van vier.
En als die moeder gestorven is, probeert ze
zo heel erg wijs te zijn dat haar hoofd er
scheef van staat, terwijl ze zegt: ‘als ik
dood ben, zal ik heel hard huilen, hoor.’

Ze heeft geen vader nodig, tenzij voor haar poppen.
Hoe ik dat moet doen, vraag ik. ‘Hier in de stoel
zitten, en de krant lezen,’ zegt ze. Ze speelt leven,
een uurtje, en daarna weer wat anders.
Ze leert me wat poëzie is: van een sneeuwbui
slechts één vlok volgen. Wat ik bij haar wil
kan altijd: dat het vandaag is.

Herman de Coninck
Uit “De hectaren van het geheugen”

Opnieuw

Een angorakat in de sneeuw: afgemeten,
om niet met elke stap zichzelf in al
dat witte te vergeten.

Sneeuw blijft het weten.
Het lijkt of hij zich pas nadien scrupuleus
rond al die pootjes heeft gelegd.

Zoals je praat rond tederheid
die nog niet wordt gezegd.

Herman de Coninck
Uit “De hectaren van het geheugen – Bergen van onverschilligheid”

Te voet over de Lethe

(Mexico, Berchem)

Als ze genadeloos traag, geeuwend, héhé,
een peperduur slipje van niks op de vloer laat landen
(sex hoort net als luxe met mysterieuze x) waarna ze haar voor zijn handen veel te vele twee

borsten laat zien, kijkt hij beneden aan haar bleke
benen öp naar wat, geen meter hoog, hij ‘t hoogste acht:
lippen die slechts lippen zijn en die niet spreken,
en iemand die boven zijn smeken staat en niet laat merken dat ze lacht.

Want vrouwen hebben machtige geslachten, hoge wonden,
venusbergen, spelonken, vouwen
waarin verloren nachten nooit meer worden teruggevonden,

en daar spelen ze mee
zoals de Mona Lisa met toeristen en de maan met de zee,
adembenemend, en met iets van een licht verachten.

Herman de Coninck
Uit “De hectaren van het geheugen”

Verlanglijstje

Geef mij Nescio en Tsjechov, oude boeken.
Geef mij na mijn zoveelste kale reis
iemand die mij twee haren uittrekt
en glimlachend zegt: je wordt grijs.
Geef mij alles en zeg: het is niets.

Geef mij niets en zeg: dat is alles.
Geef mij mezelf, geef mij jou.
Ik heb gezocht naar wist ik maar wat.
Geef mij nu eindelijk
wat ik altijd al had.

Herman de Coninck
Uit “Met een klank van hobo”

St. Ives, kerkhofje

Op dit kerkhof lijkt de dood zelfs op haar beurt gestorven,
de zerken op hun beurt begraven, onder gras
dat leeft en vrolijk overleeft
op grond van wat er destijds was.

Heden en verleden ontmoeten
elkaar hier op elke hoek, en dan groeten
ze, deftig comme il faut,
Heden en Verleden, van de firma Tijd en Co.

Dit land is conservatief
zoals een wijnkelder dat is:
het heeft de tijd.

Niet voor de eeuwigheid,
maar om vergankelijkheid, om dagen, uren
iets langer dan gewoonlijk te doen duren.

Herman de Coninck.
Uit “Met een klank van hobo”

Braille

Zoals ik zonder kijken tussen mijn boeken
‘Het houdt op met zachtjes regenen’ weet staan, zo hoef ik jou niet meer te zoeken,
alleen te vinden.

Jou bij mekaar tastend als een blinde
een ander blinde. Maar ziende, ziende,
en mekaar begrijpend zonder er wat van te verstaan.
Liefde is houden van mekaars gebrek eraan.

Is het soort gemak van kom binnen,
ach, ben jij het maar.
En een paar uur later van: ik ben moe,

kom jij maar klaar.
En terwijl ik nadien al slaap
jou nog horen zeggen: slaap nu maar.

Herman de Coninck.
Uit “Met een klank van hobo”

Poëzie

Wakker door kinderen, meedogenloos blij
op mijn buik. Wijn die allemaal van mij?
Weer zo’n dag waar niets anders mee te doen
valt dan hem te beginnen,

grommend, en met een dochter waar niets
anders mee te doen valt dan beminnen.
Kusje, vraag ik, en het plezier wat ze erin heeft
om dicht tegen mijn wang aan en heel snel terug-

trekkend p te zeggen, verrukt kijkend
naar het ontploffinkje wat dat geeft,
verzoent me met niet langer dromen:

vijf vingertjes rond mijn wijs-
vinger, om tot mezelf, of toch
tot bij haar po, te komen.

Herman de Coninck.
Uit “Met een klank van hobo”

Poëzie

Zoals je tegen een ziek dochtertje zegt:
mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt
verdrietje, en het helpt niet;
zoals je een hand op haar hete voorhoofdje
legt, zo dun als sneeuw gaat liggen,
en het helpt niet:

zo helpt poëzie.

Herman de Coninck.
Uit “Met een klank van hobo”