Tot ziens in Portugal

Persoonlijke herinneringen aan Herman De Coninck

Jeroen Brouwers

Ik heb hem niet goed, niet van nabij, gekend. Ik maakte geen deel uit van de cercle waarvan hij, Herman de Coninck, het middelpunt vormde. Hij was de vorst van literair Antwerpen en ik woon daar niet: noch in Antwerpen, noch in enige literaire cercle.

Maar ik kende hem van ‘gelegenheden’, een toevallige ontmoeting, een nacht doorzakken in de kroeg. Soms telefoneerden we, soms schreven we elkaar een brief. Hij was altijd beminnelijk, vrolijk, geestig. Onder zijn brieven bevinden zich juwelen.

De laatste keer dat we elkaar ontmoeten viel op donderdag 17 april 1997. In een benauwd, want te veel personen bevattend vertrek van Heater Zuidpool, Langge Noordstraat, Antwerpen. Na afloop van de premire van de aangrijpende solo-uitvoering door Tom van Bauwel van De schipbreukeling van Benno Barnard, mede zo aangrijpend vanwege de muziek van Henny Vrienten.

“De titel,” aldus de programma-brochure, “is een metafoor voor wie we zijn: schipbreukelingen aangespoeld in een toevallige stad.”

Herman was in een allerkeurigst pak gestoken, zijn schoenen glansden zoals zijn brillenglazen en haarloze schedeldak. Hij zag eruit als de aangeklede dood: mager als een skelet, vaalbleke huid, die ogen dof, er was iets niet in orde met zijn tanden, – het gebit leek veel te breed voor zijn smalle gezicht. Links hanteerde hij een bolvormig glas rood bier, rechts de sigaret, dat we enig geharrewar ontstond bij het handendrukken. Zijn dunne hand was koud als een voorwerp uit de diepvries. Algehele indruk: hij was moe, hij leek te zijn uitgedoofd.

Een keer eerder had ik hem zo meegemaakt: op 11 maart 1995. Brussel, na de bekendmaking van de winnaars van De Gouden Uil: de eerste keer dat deze Vlaamse literaire prijs werd uitgereikt. In de categorie non-fictie bleken Herman met zijn Intimiteit onder de melkweg, en ik met Vlaamse leeuwen die voornaamste papabili te zijn. Wij ontmoetten elkaar vooral in de wandelgangen van het BRT-complex aan de Reyerslaan, waar het Uil-gedoe plaatst vond en het onderwerp zou zijn van een welhaast avondvullend, ellendig langdradig rechtstreekt uit te zenden televisie-programma. Hij en ik zowel opgewekt als stijf van de zenuwen.
“Natuurlijk krijg jij die uil, ” zeiden we tegen elkaar

Ik opperde, dat de winnaar een groot diner in een gerenomeerd restaurant te Antwerpen of Brussel zou aanrichten, bijgewoond door onze allerbeste vrienden, -dinnen en andere dierbaren.
“Nee,” zei Herman, “integendeel, die verplichting dient te worden aangegaan en nagekomen door de verliezer.” Daarop beloofde ik hem alvast dat ik heel erg mijn best zou doen: wijn, wijven, gebraden uil, het gezang verzorgd door het koor van de Sixtijnse Kapel.

Tot dit eetgelag is het nooit gekomen: op iedere voorgestelde datum kon nu de een, dan de ander niet, vanwege verplichtingen zus, verplichtingen zo, verblijven buitenslands, keet in de privé-sfeer, dit afgewisseld door dat, etcetera. Zo raakte de afspraak vergeten. Schrijvers hebben het nu eenmaal erg druk.

Niet Herman, maar mij viel De Gouden Uil ten deel. Mijn blijdschap werd overschaduwd door zijn teleurstelling. Die was hem aan te zien. Zijn gezicht wit als papier, de mond in een naar een treurgrimas neigende heldhaftige glimlach, de ogen starend en confuus. We omhelsden elkaar woordloos. Ik vond het oprecht en uitermate rot voor hem, zo geslagen en geblutst als hij zich stond groot te houden.

We zijn het op een zuipen gaan zetten in het Brusselse gezelligheidslokaal L’Archiduc. Ik bood mijn verslagen mede-uil als binnenkomer niet één pint aan, maar tien tegelijk, en ikzelf nam er ook tien. Met al die glazen voor ons op het tafelblad uitgestald, was het of wij gezellig op een strandje zaten met uitzicht op de schuimende branding van een pisgele zee. Weldra traden vrolijkheid en broederschap in en hoe het allemaal is geëindigd weet ik niet. Alleen dat ik des anderen daags, al lang en breed weer thuis, vijf kwartier rijden van Brussel vandaan, zowel mijn leesbril kwijt was, alsook de cheque waarop het bedrag van de Uilprijs was ingevuld. Kippig voor me uit starend, kon ik me omtrent het waardepapier hoogstens nog voorstellen dat ik het misschien, pootjesbadend in de vliet van drank en uiting gevend aan een acute opstuwing van grootmoedigheid, in snippers had gescheurd, Herman toevoegend: “Jij geen uil, ik ook geen uil…” (Zowel bril als cheque kwamen een dag of tien later in mijn bezit terug,- dat is een ander verhaal.)

De laatste keer dat hij en ik, niet langer dan een paar minuten, tegenover elkaar stonden, in Antwerpen na De schipbreukeling, beiden een sigaret in het hoofd, paffend, de longen vullend met de adem van de dood, zei hij ter afsluiting van ons kleine onderhoud, -het waren zijn laatste woorden tegen mij: “Tot ziens in Portugal.”

In dat land was Verhelmo Decantado verschenen, hetgeen, als het goed is, ‘Bezonken rood’ betekent. Onder auspiciën van het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds zou van woensdag 21 tot zondag 25 mei te Lissabon een manifestatie worden gehouden ter promotie van de ‘Literature Contemporanea da Flandres e dos Paises Baixos’ Ook Herman en ik zouden daaraan deelnemen, maar evenmin als het uil-diner, heeft onderhavige uitstap naar Lissabon in mijn leven plaats gevonden. Ik berichtte het feestcomité dat ik ‘om persoonlijke reden’ van het snoepreisje afzag.

Die reden was, dat ik, zoals wel vaker, in een diepe depressie was verzeild. Hoe diep? Ik viel en bleef maar vallen, in een gat zonder bodem. Overdag viel de verschrikking nog wel te beteugelen met velerhande pillen uit alle kleuren van het spectrum en vooral met noeste concentratie op het dagelijks werk. Maar ‘s nachts was ik weerloos en sloegen de somberten en angsten in verhevigde mate toe in repeteerdromen waaruit ik niet kon ontwaken. Iedere nacht pandemonische visioenen, soms almaar dezelfde in dezelfde slaap, – drukkend, donker, benauwd. Ik was in landschappen of spooksteden “waar het nooit woei”, geen levend iets te bekennen, geen speld te horen geen sprank licht in de drabbige schemer. Er was geen zuurstof, dus om het kwartier stikte ik. Paniekangsten. Krankzinnigheid. Diepten zonder bodem. Stikken. Dood.

Nadat ik het Productie- en Vertalingenfonds had laten weten dat ik niet aan de Portugese missie zou deelnemen, was niet de depressie weg, maar bleven wel de schrikdromen in hun zwarte doos. Zo werd mij duidelijk wat mij in mijn nachtbestaan was doorgeseind. Zeker achteraf werd het dat.

Op 22 mei, donderdag, nog geen etmaal in Lissabon, klapte Herman er op straat in elkaar en weg was hij. Schipbreukeling in een teovallige stad. Drieënvijftig jaar, vier jaar jonger dan ik. Toen ik het een paar uur later hoorde, aan mijn werktafel, uitzicht op de bloeiende tuin in de zon, zag ik Herman de Coninck voor me zoals ik hem amper een maand tevoren voor het laatst had gezien, zo moe, zo mager. “Tot ziens in Portugal”.

Het moet zo gegaan zijn:

Toen de Nederlandstalige delegatie op 21 mei in Lissabon uit het vliegtuig stapte, moet Hein met de Zeis, die daar stond te wachten, verbaasd hebben gedacht: “Brouwers is er niet bij?” Foutje bij de administratie zeker, hoewel zoiets hoogst-, hoogst- zelden voorkomt. Die nacht zal Hein, nerveus rokend en vele bieren drinkend, met De Centrale gebeld. “In mijn boekje staat toch duidelijk dat ik ‘s avonds Brouwers halen moest in Lissabon…” Pas tegen de ochtend zal De Centrale hem de nieuwe instructies doorgefaxt.

Er waren honderden mensen bij Hermans begrafenis, Schoonselhof, Antwerpen, 27 mei. Iedereen wierp een takje gipskruid op de slanke kist met zijn magere lichaam, neergelaten in een kuil, zo diep dat ik ervan schrok, mijn adem ervan stokte en ik van die gapende rechthoek in het gras wilde terugdeinzen. Geen zeeën bier, geen sloffen sigaretten vermochten hier nog soelaas te bieden. Ik maakte een buiging voor hem en voor onze gemeenschappelijke herinneringen, die nu verder, zolang ik nog overeind blijf, alleen nog maar mijn herinneringen zullen zijn. Ik fluisterde hem toe: “Tot ziens …”, maar liet achterwege er een plaatsnaan bij de noemen