La petite histoire van het NWT

Journalists van zijn ziel

Een kroniek van Piet Piryns

“We waren verdwaald in ons eigen jongensboek.” Piet Piryns beschrijft hoe Herman de Coninck lid werd van de rebellenclub van het weekblad Humo. Hij herlas de brieven die Herman schreef als hoofdredacteur van het Nieuw Wereldtijdschrift. Het verhaal van ‘de Vlaamse Vanity Fair’.

“Aan zijn rechte rug merk je al dat hij blind is. Aan zijn woorden merk je ‘t ook: ze zijn van een haast roerloze klaarte en een bezinning die je eraan herinneren dat grote visionairen als Homeros ook steevast als blinden werden voorgesteld. Zo van: wat ze naar buitenuit niet zien, zien ze binnenin. Rustige, gregoriaanse gedachten over andermans ijdele onrust, bijvoorbeeld. Filosofietjes over een zachtaardig socialisme met erg veel groene gedachten erin. Een bekeerde bergredenaar. Een melancho-liedjeszanger.”

Zo begon het interview dat Herman de Coninck en ik voor het weekblad Humo maakten met Jules de Corte. Een aantal van die interviews is gebundeld in een boekje dat een titel meekreeg die alleen door Guy Mortier kan zijn verzonnen. Woe is woe in de Nedderlens? Ach ja, de jaren zestig. Jongens waren we. Dertig jaar later probeer ik, terugbladerend, te ontdekken welke stukken door Herman geschreven zijn. Soms twijfel ik. Maar rustige, gregoriaanse gedachten over andermans ijdele onrust – dat is Herman, dat kan niet missen.
We hadden elkaar leren kennen in de Mechelse kroeg Hertenaas, waar we de wereld verbeterden en veel te veel dronken om vrouwen te imponeren – toén al. Ik was twintig, werkte voor Humo en praatte over Bakoenin en Kropotkin, die ik niet gelezen had. Herman, vier jaar ouder, had een baan als leraar Nederlands en praatte liever over Jan van Nijlen en Richard Minne, die hij wél gelezen had. Allebei waren we supporters van Rik van Looy.
Toen Herman mij zijn eerste boekje cadeau deed (een verzameling cursiefjes – dat woord bestond toen nog), vroeg ik hem om bij Humo te solliciteren. Hij aarzelde. Herman aarzelde altijd. Hij noemde zichzelf graag, naar het woord van Annie M. G. Schmidt, een achteraffer. Een jaar later kreeg hij op de school waar hij les gaf last met de inspectie. Hij las gedichten voor in plaats van zich aan het leerplan te houden. En hij kwam wel erg vaak te laat, want hij was, laten we zeggen, niet echt een ochtendmens.

Herman bij Humo dus. We maakten samen interviews. ‘Het heerlijkste aan interviewen’, schreef Guy Mortier in zijn voorwoord bij Woe is woe, ‘is dat je zelf je vijanden kunt kiezen. Zeldzamer dan de gevlekte fuut zijn immers die onthechte zielen die je na lezing van het interview dat je hen afgenomen hebt niet ongeremd gaan haten.’ Maar Herman en ik hi!elden er een levenslange vriendschap aan over. We werden een duo, dat tamelijk onafschijdelijk zou blijven. Kwik en Flupke.

Ik bleef vijf jaar bij Humo, Herman dertien. Misschien had ook hij eerder moeten opstappen, vond hij achteraf. In ieder geval hebben de jaren die hij op de kwajongensredactie van Humo doorbracht zijn vroege poëzie evenzeer beïnvloed als het Verzamelde Werk van zijn geliefkoosde nachttafeldichters (Kopland, Vasalis, Herzberg). Voor een jubileumnummer van Humo schreef Herman in 1987 een gelegenheidsgedicht, dat hij later, enigszins herwerkt, in de bundel Enkelvoud heeft opgenomen. Ik citeer het gedicht hier in de oorspronkelijke versie.

A view from the bridge.

Enkele dingen zal ik altijd blijven: 
zoon. Moeder dood. Met zelf een zoon, 
moeder dood. Mijn eigen vader. Die schrijven 
moet, journalistje van zijn ziel: zoo’n

wit blad. Eerst voor iedereen, hoe het zou, 
later alleen voor zichzelf, hoe het was geworden. 
(Nostalgie is een lelijk woord voor trouw. Verleden en heden gebeuren in de verkeerde volgorde.)

Ik ben van Humo dus, van wat toen kon. 
Dromen, protest en humor, die hetzelfde waren: 
onvermogen om saai te zijn. Ik ben on.

Ik ben van taal die in regelrechte zinnen wou bewaren. 
En van het kanaal dat in mijn kinderjaren 
de korste afstand vormde tussen hier en horizon.

Toen hij dat gedicht schreef, was Herman al vier jaar uit de journalistiek gestapt. Nog net voor zijn veertigste, zoals hij zich altijd had voorgenomen. Bij zijn afscheid werd hij in Humo geïnterviewd door Walter van den Broeck – eindelijk waren de rollen omgedraaid.
“Wat ik aan Humo zal overhouden is de voorkeur voor het non-specialisme, voor het amateurisme, het dilettantisme dus, de lief-hebberij. De dingen doen die je graag doet: omdat je ze graag doet, doe je ze ook beter. En voorts heb ik hier ook het primaat van de begrijpelijkheid leren kennen. Moeilijkdoenerij is het gemakkelijkste wat er bestaat. En ongekeerd is op een bevattelijke manier iets ingewikkelds uitleggen het moeilijkste wat er is. De werking van een eenvoudig huishoudapparaat bijvoorbeeld. Begin er maar eens aan. De eerste lezers van mijn gedichten zijn dan ook nooit critici, maar mijn vrouw en een paar vrienden. Als die iets niet begrijpen is mijn eerste reactie: dat ligt aan mij.” In een brief aan een vriend schrijft Herman over “een groeiende afkeer van wat nieuws heet, maar in feite on-nieuws is, de pen als garde, het opkloppen van niks. Dat heeft me na al die jaren teruggedreven naar mijn jeugdliefde, de literatuur. Man is gelukkig te B. is geen krantenkop. Nieuws is altijd spectaculair, is altijd de jacht op die ene scoop. Nieuws moet wel proberen feiten hard te maken, literatuur moet ze zacht maken, twijfelachtig, interpreteerbaar, onzeker. Ik ben geleidelijk meer van dat laatste gaan houden, denk ik. Nieuws wordt genoteerd, literatuur wordt bemediteerd. Van het ene nŽŽmt men kennis, van het andere krijgt men kennis, als een cadeau.”

De kans om zich geheel aan de literatuur te gaan wijden kreeg Herman in 1983. Tijdens een diner met Hugo Claus en de voormalige hofmaarschalk van koning Boudewijn, Herman Liebaers, ontvouwde Julien Weverbergh een even eenvoudig als geniaal plan. Weverbergh, toen nog directeur van Manteau en uitgever van het eerbiedwaardige, maar noodlijdende Nieuw Vlaams Tijdschrift, zou Kwik & Flupke vragen om het blad om te bouwen tot de Vlaamse Vanity Fair. Liebaers, die zitting had in de met het NVT gelieerde Stichting Arkprijs van het Vrije Woord, ging akkoord – op voorwaarde dat het duo onder de hoge bescherming zou staan van Hugo Claus.

We stortten ons in een megalomaan project, waarvoor Herman en ik enigszins lacherig de werktitel Nieuw Wereldtijdschrift bedachten. Herman trad in dienst van de uitgeverij Manteau. In een brief aan zijn vriend Gert Jan Hemmink, die bibliofiele uitgaafjes maakte van Hermans poëzie, vertelde hij in 1995 het verhaal zo:
“Het allereerste nummer van het Nieuw Wereldtijdschrift is het best geplande nummer dat we ooit hebben gemaakt. We hadden een klein half jaar om alles op poten te zetten. Het moest van meet af aan niet zozeer een blad worden met een polemisch literair programma dan wel een magazine met een geschikte formule. Een blad dat in plaats van de 227 lezers die het Nieuw Vlaams Tijdschrift nog had, tienduizend lezers bereikte. Ons literair programma was dat het goed moest zijn, nee, beter. En dat we dat dan ook een beetje agressiever aan de man zouden brengen, ik kwam tenslotte uit een weekblad met een oplage van meer dan tweehonderdduizend exemplaren.Oorspronkelijk was het zelfs de bedoeling dat Claus in de redactie zou zitten. Ik herinner me aftastende gesprekken met hem en Piet Piryns, in Claus’ lievelingsrestaurant Chez Armand, en van die gesprekken herinner ik me vooral de oesters die erbij geslurpt werden, en het gezamelijke supporterisme van Piet en Hugo voor de Buffalo’s, de Gantoise, later A.A. Gent. Dat laatste lijkt een anti-alcoholclub, die naam hebben we toen zeker niet in de mond genomen. En verder herinner ik me toch ook wel enkele ideeën die voor een literair tijdschrift verregaand wuft waren. Bijvoorbeeld dat er een rubriek erotica in moest, misschien kon Herwig Leus daarvoor zorgen, die had een collectie Félicien Ropsen. En een moderubriek moest er ook in, konden we dat niet aan Eric de Kuyper vragen? En een rubriek die Claus art brut noemde, waarin hij zijn voorkeur, zeg maar zijn wansmaak, wilde botvieren voor rare, naïeve hooguit ongewild-literaire teksten. En een sportrubriek door Jan Wauters. Ik herinner me dat ik uren heb doorgebracht in de kelders van Claus’ toenmalige huis in Gent, vlakbij het abattoir, waar hij honderden vreselijk gedurfd vormgegeven avantgardetijdschriften in vijf talen bewaarde. (Wat zijn wij eigenlijk een braaf blad geworden, vergeleken bij die woeste plannen.) Het redacteurschap van Claus kwam kort voor het eerste nummer ten einde toen ik ooit eens op zijn antwoordapparaat het woord redactievergadering insprak. Nee, bij nader inzien schrok hij daar toch voor terug – maar we mochten altijd een beroep op hem blijven doen om bij een portie oesters van gedachten te wisselen. Dat moest al heel gauw. Voor het eerste nummer hadden we een voorpublicatie gepland uit Jeroen Brouwers’ roman Winterlicht. Maar een week voor de inleveringstermijn liet Brouwers het afweten . Hij werd overvallen door interviewers naar aanleiding van zijn zelfmoordboek. In die omstandigheden kon hij niet schrijven.
Help! Wie kan in één week een zo indrukwekkend verhaal schrijven dat dat eerste nummer een onuitwisbare indruk nalaat? En bij voorkeur meteen voor een paar duizend abonnees zorgt? Ik denk dat het de slechte mens Julien Weverbergh was, die toen zei: “Eén adres, Claus. Geef hem veertigduizend frank in ‘t zwart.” (Achteraf bleek het wit te moeten, maar goed.) Hij zou het proberen.
Ik vergeet nooit die maandag, uiterste deadline, waarop Claus me in het Centraal Station van Antwerpen zijn manuscript overhandigde. Het verhaal speelde in het Gentse slachthuis, om de hoek van waar hij toen woonde, we waren er een paar weken voordien nog samen langs gelopen. Het ging over een stier die Gantoise-supporter was, en voortdurend Buffalo! Buffalo! riep. ‘Als het niks is, booi het dan maar weg’, zei Claus, ‘dan schrijf ik morgen wel een nieuw verhaal.”

Het opdoeken van het Nieuw Vlaams Tijdschrift zorgde voor enige heibel. Hoofdredacteur Paul de Wispelaere riep een redactievergadering bijeen, waarin hij meedeelde dat de uitgever niet langer bereid was de exploitatie te verzekeren. Een aantal redacteuren sprak over een complot, en begon een eigen blad: Diogenes. De Wispelaere stapte over naar het Nieuw Wereldtijdschrift. Na veel gesoebat werden we het erover eens dat het NWT in zijn colofon de vermelding voorheen Nieuw Vlaams Tijdschrift zou opnemen. Herman werd benoemd tot hoofdredacteur, en ondertekende zijn brieven niet ongeestig met: Herman de Coninck (voorheen August Vermeylen).
Er moest een redactiestatuut komen. Bevriende juristen formuleerden, in snorkerige zinnen, de doelstellingen van het Nieuw Wereldtijdschrift: “Het maken van een algemeen-cultureel blad in de ruimte zin, met het accent op literatuur, zich richtend tot een publiek van linkse, niet partijgebonden, progressieve signatuur. In dezen wordt de geest van de Stichting Arkprijs van het Vrije Woord gerespecteerd en wil het blad de opvolger zijn van het Nieuw Vlaams Tijdschrift.”
Links.
Progressief.
Ja, allicht.
Dat waren de woorden waar je toen niet over nadacht. Maar een literair blad dat aanspraak wilde maken op subsidie van de Vlaamse overheid moest een eigen nestgeur hebben. Dietsche Warande en Belfort was van oudsher het blad van de katholieken, De Vlaamse Gids kon rekenen op de steun van de liberalen, Diogenes hoorde bij de Volksunie en het Nieuw Wereldtijdschrift werd gezalfd door de socialisten.

Herman zag de dingen nogal groots. Hij had uitgerekend dat Humo meer dan tweehonderdduizend exemplaren verkocht en vijf redacteuren had. Dus, leerde een eenvoudig staartdeling, zouden veertigduizend lezers van Humo hem volgen naar het Nieuw Wereldtijdschrift. Nouja, misschien was hij te optimistisch. Maar dan toch minstens tienduizend! In een brief aan Fekko Snater, de topman van Elsevier – de toenmalige moedermaatschappij van Manteau – mopperde hij: “Ik wilde graag een pleidooitje houden voor wat meer megalomanie bij de lancering van het NWT in Nederland. Ik hoor namelijk dat het blad niet via de kiosken zal worden verspreid. Dat lijkt me een vergissing. Jullie hebben gepolst hoe Maatstaf het doet, en De Revisor, en andere, strikt literaire bladen. Die verkopen inderdaad niet buiten de boekhandel. Maar dit is een ander soort blad, dat zegt de dummy toch al meteen? Dit blad heeft meer weg van Avenue en Playboy: het eerste combineert mode en literatuur, het tweede bloot en literatuur, wij goeie journalistiek en literatuur, maar alle drie zijn ze even chique uitgegeven. Het NWT wil niet alleen een literair geïnteresseerd publiek aanspreken. Ik begrijp het niet. Waarom gebinnen jullie aan een race met de remmen dicht?”
Het Nieuw Wereldtijdschrift mocht geen literair blad worden als alle andere, had Herman zich voorgenomen. Hij wilde meer doen dan alleen maar de brievenbus leeghalen. En dus ging hij zelf schrijvers achter hun vodden zitten – ik citeer een paar brieven uit die periode die voorafging aan het eerste nummer van het NWT.
Aan Renate Rubinstein: “Ik heb de neiging om het NWT te maken voor mezelf en mijn vrouw en nog een paar buurvrouwen en vrienden: als zij het goed vinden, volgen die andere zevenduizend lezers ook wel. En ikzelf en mijn vrouw en mijn buurvrouwen enzovoort zouden buitengewoon verguld zijn als u aan het NWT wilde meewerken. (…) Wat ik eigenlijk een beetje hoop is dat u, na de jongste Hollandse twisten, die ik van hieruit alleen een mussengevecht met nijlpaardargumenten kan vinden, uit pure walging de voorkeur zou geven aan een Vlaams blad. Dat lijkt me een mooie manier om Holland te bestraffen om zijn Hollandsheid.”
Aan Simon Carmiggelt: “Mijn rechterwijsvinger heeft ooit eens de toets mogen indrukken van de bandopnemer waarin u ten gerieve van Humo twee uur lang behartenswaardigheden vertelde. Sindsdien spring ik een beetje zorgvuldig met die wijsvinger om: later moeten de vingerkootjes op z’n minst drie relikwieën opleveren.
Desondanks gebruik ik hem nu weer, samen met mijn linker, om deze brief te tikken. Dat lijkt me een berekend risico. Ik wilde u namelijk iets vragen.”
Aan Oscar de Wit: “Met minder dan een hoofd vol plannen begin ik er niet aan. Verhalen? Leer al die Hollanders en Vlamingen maar eens schrijven door zorgvuldige vertalingen te publiceren van hoe het elders beter is. Ik bedoel Milan Kundera, Raymond Carver, Géza Csath (moet je eens lezen, een hele opiumverdwaasde sadomasochistische Hongaarse Allen Poe van omstreeks de eeuwwende), een onuitgegeven prachtige schets van Malcolm Lowry met begeleidend essay. (…) Ik hoop een beetje dat al die buitenlanders het effect hebben van buitenlandse spelers in een voetbalploeg: dat ze het niveau omhoog krikken. Dat op den duur een verhaal als Ik en mijn navel niet meer kan. Maar welke Nederlandse of Vlaamse schrijver geeft het goede voorbeeld?”

Herman kon buitengewoon enthousiasmerende brieven schrijven. Het hielp ook wel dat hij dat meestal ‘s nachts deed, met een fles Jack Daniels binnen handbereik. Soms waren de gevolgen hilarisch. “Beste Cees Nooteboom. Te zien aan wat op mijn bureau is blijven liggen, moet jij een rare brief gekregen hebben. Hier ligt namelijk nog het slot van een brief aan jou, samen met het begin van een brief aan Ivo Michiels. Ik veronderstel dus dat in de enveloppe aan jou beide ontbrekende helften bij elkaar zitten. Om de verwarring niet nog groter te maken, kan ik je maar beter opbellen als ik nog eens in Amsterdam kom. Dan drinken we er een glas op.”
Op 16 maart 1984 werd, in aanwezigheid van een aantal politieke en literaire coryfeeën, het eerste nummer van het Nieuw Wereldtijdschrift met veel fanfare voorgesteld in het Brusselse etablissement De ultieme Hallucinatie. De oplage bedroeg vijftienduizend exemplaren. Er waren interviews met Herman verschenen in vrijwel alle dag- en weekbladen, en de redacteuren van Diogenes en het NWT hadden elkaar tamelijk onvriendelijk bejegend in een rechtstreekse uitzending van het televisieprogramma Ijsbreker – aan free publicity had het niet ontbroken. Het werd een gedenkwaardige avond, ook al omdat Julien Weverbergh verzuimd had de obers te melden dat er vanaf middernacht voor eigen rekening zou worden gedronken. Tegen sluitingstijd maakte Fekko Snater, die in de nevelen van de alcohol het goudschip al zag binnenvaren, een rondedansje met Herman. Luttele uren later begaven we ons met bonkende slapen naar Amsterdam, waar in boekhandel Athenaeum een nieuw feestje werd gebouwd.
Er zouden in 1984 zes nummers verschijnen, vanaf 1985 – zo was het plan – zou het NWT een maandblad worden. Als ik nu de eerste jaargang opnieuw bekijk, valt op hoe journalistiek het blad toen werd gemaakt. Op de cover stonden niet alleen foto’s van beroemde schrijvers als Hugo Claus, Jeroen Brouwers en Umberto Eco, maar ook Jacques Brel, The Rolling Stones en – in zuivere Humo-stijl -zelfs Grote Guust. (Grote Guust was de gorilla van de Antwerpse Zoo, waarover Midas Dekkers een reportage had gemaakt.) Voor het eerste nummer maakten Herman en ik samen een interview met minister van Cultuur Karel Poma(‘Meneer de minister, waarom staan er twee sansieveria’s voor het raam van het Vlaams Cultureel Centrum in Amsterdam?’) en schreven we een kwaaiig stuk over Kamagurka, waar we later nog spijt van zouden krijgen. (‘Het eerste album van tanta Kama had in zijn slechtste bladzijden iets van het niveau van pudding en gisteren. Haar laatste album is, ook in zijn betere bladzijden, alleen maar stront.”)
Paul Koeck baggerde door de Rupelstreek, Gerard Alsteens (GAL) maakte foto’s van oldtimers op Cuba, Lieve Joris trok naar de chocoladefabriek van Cite D’Or. Er waren reisreportages, televisie-, sport en filmcolumns. En Herman had zelfs een eigen roddelrubriek: Achterklap.

Hermans buurvrouwen abonneerden zich. Maar de verwachting dat Humo-lezers zich in groten getale zouden bekeren tot het Nieuw Wereldtijdschrift werd niet bewaarheid. Aan het einde van de eerste jaargang bleef de verkochte oplage steken op zo’n vierduizend exemplaren – heel behoorlijk voor een literair tijdschrift, maar te weinig om het glossy magazine te maken dat ons voor ogen stond. Er moest bezuinigd worden. Dunner papier, geen full color en geen dure port folio’s. En van een maandblad kon al helemaal geen sprake meer zijn.
Vanaf de tweede jaargang (met intussen ook Benno Barnard in de redactie) werd het NWT wat het eigenlijk nooit had willen zijn: een zuiver literair blad. Een eenmansblad bovendien: Herman was de enige redacteur die nog betaald kreeg. De redactie was niet veel meer dan een vriendenclubje, dat zes keer per jaar genoeglijk dineerde (gegrilde lotte voor Herman) en een flesje Muscadet kraakte. Als Herman aarzelde over de publicatie van gedichten vroeg hij Benno nog wel eens om een second opinion. Over verhalend proza overlegde hij met Paul, en mij belde hij als er moeilijkheden waren.
Die kwamen er einde 1985. Wevergergh kreeg van de Elsevier-directie in Amsterdam de opdracht het NWT te dumpen. Herman en ik gingen praten met de Weekbladpers, uitgever van het weekblad Vrij Nederland waar ik toen redacteur was, en moedermaatschappij van de literaire uitgeverijen De Arbeiderspers, Querido en Nijgh & Van Ditmar. Herman kon halftijds aan de slag als fondsredacteur bij Nijgh & Van Ditmar in Den Haag, en hij bleef halftijds hoofdredacteur van het Nieuw Wereldtijdschrift, dat werd ondergebracht bij een slapende vennootschap van de Weekbladpers met de toepasselijke naam Semper Avanti. We huurden voor zesduizend frank per maand een kantoortje in Antwerpen, in de buurt waar Herman, Benno en ik toen woonden. Voorwaarts!

Het Nieuw Wereldtijdschrift had definitief zijn bedding gevonden. Dankzij de eclectische maar buitengewoon eigenzinnige smaak van Herman kreeg het blad een gezicht. Herman kocht de beste essays uit Granta en The New York Review of Books. Het was daarbij soms – maar niet altijd – een voordeel dat hij het koersverschil tussen de Amerikaanse dollar en het Engelse pond niet kende. En Herman haalde de brievenbus leeg. Uit de honderden inzendingen op zijn bureau (‘als al die gemankeerde dichters zich maar eens abonneerden’, foeterde Herman) selecteerde hij feilloos dat ene meesterstukje.
Brieven konden maanden blijven slingeren, maar Herman beantwoordde ze altijd. Hij had een groot epistolair talent, en dat speelde hem nog wel eens parten. Herman mocht dan in de omgang de beminnelijkheid zelve zijn, ‘s nachts aan zijn schrijftafel kon hij behoorlijk balorig worden. Een paar voorbeelden.
“Ik moet wel enige wrevel overwinnen als ik een brief krijg van X, letterkundige. Wie noemt zich dezer dagen nog zo? Komt de postbode daarvan onder de indruk? U suggereert dat een ‘letterkundige’ iets meer is dan een gewoon mens, wat u het recht geeft te schrijven dat voor de dood zelfs een dichter moet zwichten.” Of: “Uw gedichten komen niet voor publicatie in het NWT in aanmerking. Desondanks zijn ze niet totaal waardeloos. Als u twintig bent zou ik zeggen: gaat u ermee door. Als u vijftig bent zou ik zeggen: houdt u er maar mee op. Nee, dit is iets te streng. Ga zo door, en u vindt vast nog wel een tijdschrift dat vroeg of laat iets van u publiceert. Alleen niet het onze, vrees ik.” Of: “Uw inzending komt niet in aanmerking voor publicatie in het NWT. En ook niet voor publicatie elders, denk ik. Het zijn allemaal wel waardevolle gedachten, maar die moet u voor u houden. Zodra u vindt dat ook anderen daarnaar moeten luisteren, wordt het gepreek.”
En altijd: “Met hartelijke groet.”

Tegelijk bleef hij dromen van de Vlaamse Vanity Fair. En dan schreef hij, in zijn aandoenlijke Engels, een brief aan schrijvers die hij bewonderde.

To
John Berger
Joseph Brodsky
Noam Chomsky
H.M. Enzensberger
Eduardo Galeano
David Grossman
Milan Kundera
Amos Oz
Ryszard Kapuscinsky

“Dear, I hope you remember The New World Magazine. To be sure you do so, I’ll send you separately our last issue. We are Dutch (and Flemish) and international. We are as good as Granta (no false modesty), and like Granta we try to let literature be meaningful, not an ivory tower-business. In this era it’s quite impossible to judge about the world without literature.
(…) I have a proposal. I’d like to have an international advisory staff with you in it. There are two reasons for my asking for this. The first is that such a staff with international authority will help us sell in Holland. The Flemish are not impressed by big names, the Dutch are. And it’s mainly the Dutch market we still have to conquer. The second reason is: it’s easy for me to compose a good issue with stories and poems. The most difficult is to find non-academical essays that are politically significant – and extremely well written.”

Herman had veel over voor zijn blaadje, zoals hij het noemde, en hij kon daarbij ontwapenend naïef zijn. Het is niet duidelijk of een van de aangeschrevenen ooit geantwoord heeft – in het NWT-archief is daar in ieder geval geen spoor van terug te vinden.
Als er weer eens sombere mededelingen waren over rode cijfers, verzon Herman een list. Dan schreef hij bijvoorbeeld een brief aan de directeur-generaal van de firma Waterman.

“Zeer geachte heer,

Hier volgt een oneerbaar voorstel.
Ik ben hoofdredacteur van het aantrekkelijkste, meest internationaal gerichte, breedste literair-cultureel tijdschrift. Ik stuur u hierbij een uitreksel uit het onderzoek naar het profiel van onze lezers. Die vormen een beperkt maar vulpen-vriendelijk publiek.
Mijn oneerbaar voorstel is het volgende. Ik zou graag hebben dat u een beetje royaal adverteerde in het Nieuw Wereldtijdschrift. Tja, dat zou elk tijdschrift wel graag hebben. Maar ik heb een speciaal voorstel, waarmee ik mezelf een beetje oneerbaar maak: op de linker-advertentiepagina drukt u een fraaibelichte Waterman af, zoals u dat zo mooi kunt – en op de rechterpagina schrijf ik dan (ik ben een nogal populair dichter) een handgeschreven ode aan Waterman, met mijn naam en handtekening eronder.
Dat zou ongeveer als volgt kunnen gaan.

Ik doe ‘t wel eens met Bic. Kater van.
Mij concentreren zoals alleen een pater kan,
lukt mij slechts met mijn Waterman.
O, inspiratie, klater dan!

Zoiets. Ik richt mij tot u omdat ik inderdaad met een Waterman schrijf – maar ik ben natuurlijk niet te beroerd, als u nee zou zeggen, om de concurrentie te benaderen. Hoewel, ik ken niet meteen een rijmwoord op Parker. Daar hebt u even geluk.”

Hij méénde het, want een paar jaar later schreef hij een gelijkaardige brief naar de directie van Pilot – mét een toepasselijk acrostichon. Hij kon ook oprecht verdrietig zijn als een abonnee afhaakte. Die berispte hij dan per kerende post.
“Geachte ex-abonnee, ik wil een beroep doen op uw plichtsgevoel. (…) Een anekdote. Toen het NWT pas was ontstaan, gingen wij de boer op om het blad te promoten, nadien gelegenheid tot debat. Tijdens zo’n nadien-debat zei een student uit de zaal dat het toch jammer was dat het Nieuw Vlaams Tijdschrift, waarvan wij de functie pretendeerden over te nemen, verdwenen was. Was u op dat blad geabonneerd? vroeg Paul de WIspelaere. Nee, zei de student.
Dan bent u er de oorzaak van dat het verdwenen is, zei Paul.
(…) Kortom, ik vind dat u zich op het NWT moet blijven abonneren, zoals ikzelf jaarlijks geld overmaak aan Amnesty International of Artsen zonder Grenzen. Voor het goede doel. Voor de betere literatuur.” Er waren ex-abonnees die daar een kwaad geweten aan overhielden. Anderen werden vreselijk boos.

Zijn éénmansblaadje. De laatste jaren voelde Herman zich een beetje verwaarloosd door zijn mederedacteuren. Dat was, althans wat mij betreft, niet helemaal ten onrechte. Maar we hadden allemaal andere dingen aan ons hoofd.
Af en toe stuurde hij ons nog een herderlijk schrijven. Het laatste dateert van 20 mei 1997.
“Wat doen we met de inspiratie van ons blad? De wereld gaat naar de verdommenis. Vroeger had het kapitalisme nog een vijand, sinds de val van de muur wordt het niks meer in de weg gelegd. De maatschappij waar wij in ’68 tegen protesteerden, was een stuk beter den de huidige. Vandaag protesteert niemand nog. Moeten wij daar niet eens een nummer aan wijden? En zoja, wie kan daar iets zinnigs over zeggen? Ik nodig alle redacteuren bij dezen uit om in buitenlandse tijdschriften op zoek te gaan naar discussiestukken, en naar eigentijdse binnenlandse mensen die genoeg schrijfvaardigheid hebben om het een beetje te overzien. (…) Ik bedoel, denkend aan de profilering van het NWT, dat wij nooit het blad van literaire strekking zus of zo zijn geweest, ook niet wilden zijn, maar dat wij wel een betrokken literatuur wilden. Welja, wie weet dat nog? We moeten ons uiterste best blijven doen om de literatuur erbij te blijven betrekken, bij deze onbegrijpelijke wereld: laat dat maar de doelstelling van het NWT wezen. Ik schrijf dit mede omdat ik binnen één maand tijd twee keer een etentje heb meegemaakt waarbij de werelduitlegger van dienst nogal kwalijk verwees naar ‘die schrijvers’, meer Kristien dan mij viserend (ik ben maar een arme dichter), ‘die het temidden van de grootste werkloosheid over seks bleven hebben, of over jeugdherinneringen, terwijl er geen toekomst meer is.’ Kennelijk verwacht men van schrijvers een oplossing, terwijl de politici er al lang geen meer hebben en onze bestschrijvende filosofe, Patricia de Martelaere, gespecialiseerd is in zelfmoord en verlangen.
Graag snel redactievergadering, begin juni. Hartelijke groet, en tot spoedig etens.”

De postbode bracht die brief op 22 mei, rond elf uur ‘s ochtends.
Drie uur later hoorde ik uit Lissabon dat Herman dood was. Achteraf lijkt die brief een testament.
Achteraf zijn we allemaal achteraffers.