De avonturen van een gedicht

Het begon met een bevriende zangeres die zelf een tekst geschreven had, een herinnering aan het huis van haar kinderjaren, met de vraag of ik van haar aanzet een liedjestekst kon maken. Nee, eigenlijk kon ik dat niet, het was hààr jeugdherinnering en niet de mijne. Maar van de poging hield ik wel een paar regels over, een herinnering aan blijven, “wat ouders deden, en wat daardoor alles ging doen: / een tafel bij een stoel, nu bij toen”.

Zulke regels gaan bij mij in een mapje waarop “regels” staat. Te zijner tijd neem ik dat mapje ter hand met de vraag wat die regels eigenlijk van mij willen. Enkele weken later leek dat ze eigenlijk in een gedicht wilden staan over mijn dochter – dat een beetje dubbelzinnig tegelijkertijd ook nog een echtscheidingsgedicht wou zijn:

Zes jaar heeft ze geleerd wat blijven was:
wat ouders deden, en wat daardoor alles ging doen:
een tafel bij een stoel, nu bij toen.

Het meervoud van geluk was: wij.
Sindsdien heeft ze geleerd wat enkelvoud is.
Zij. Nu weer half van jou, morgen half van mij,

maar altijd half, en altijd bang.
Jij kunt beter moederen dan ik vaderen,
kun jij haar leren hoe lang

altijd is? En mij hoeveel langer nooit? Hoe dat moet?
Ik neem mij in mijn armen, jongen toch.
Maar ik help niet. Jij kon dat zo goed.

Ik was daar aanvankelijk best tevreden over, eigenlijk wou ik de moeder raken, een beetje schijnheilig laten zien hoezeer de dochter onder de scheiding leed, terwijl het eigenlijk de vader was. Dat laatste staat er ook wel in, hij neemt zichzelf in de armen in plaats van de dochter, de zielepoot, en ook met die zieligheid wou ik haar raken, ik denk dat ik haar op dat moment wou raken met al wat ik ter beschikking had, een beetje zoals Renate Rubenstein in Niets te verliezen en toch bang tegen beter weten in hoopte dat, als ze maar hartverscheurend genoeg haar ellende beschreef, haar ex wel terug zou komen.

Sentiment in een gedicht: hoeveel kun je daarvan hebben? Ik vind het uiterst boeiend om te proberen hoe dicht je bij die grens kunt komen zonder erover te gaan. Maar dit was erover.
Althans: dat vond ik in tweede instantie. Mijn eerste bezwaar was tactisch: zieligheid heeft geen sex-appeal.

Het beste dat je met een gedicht in zo’n geval kunt doen is: laten liggen. Omdat het niet alleen een formele kwestie is, natuurlijk. Ik heb wel eens gezegd dat je een liefdesgedicht het best schrijft zonder verliefd te zijn, omdat het zo’n hachelijk genre is. Zo moet je een scheidingsgedicht bij voorkeur ook schrijven zonder verdriet. Of nà dat verdriet.
Kortom: om zo’n regel te veranderen, moet je niet slechts een paar woorden veranderen, maar jezelf.

Ik denk dat ik het pas een goed jaar later nog eens probeerde. De verandering betrof alleen de slotregels:

Je kunt beter moederen dan ik vaderen,
kun jij haar niet leren hoe lang
nooit meer is? En mij? Hoe ver is het nog?
Ik neem mij in mijn armen.
Maar ik help niet. Jongen toch.

Veel is het niet, maar soms is een komma al veel. De vraag “hoe ver is het nog?”, zo’n dreinende kindervraag van op een familieuitstapje, maar door mezelf gesteld, niet door mijn dochter, vond ik van voldoende zelfironie getuigen om het larmoyante van de eerste versie te neutraliseren. En “jongen toch” was in de eerste versie iets dat ik klaaglijk tegen mezelf zei, wat hebben ze je aangedaan, terwijl het, eigenlijk alleen door het van plaats te veranderen, in deze nieuwe versie iets is dat ik nog altijd tegen mezelf zeg, maar met minder zelfmedelijden. Meer iets in de trand van: zie dat daar zitten.

Om nog een strofe te veranderen moest ik alweer een jaar ouder worden.
In deze nieuwe versie was het ineens bijna een vrolijk gedicht. Nu pas was de pijn eruit. Maar in de ijver om dat goed te laten zien, was het té luchtig, althans alweer het slot:

Toen ze acht was, was ze tien.
Eén helft van haar gezicht lief,
de andere liever.
Ze liet me winnen bij het ganzeborden.

Momenteel heeft ze vier ouders op een rij,
twee echt, twee stief. Ze wint altijd.
Het meervoud van geluk is iets te veel geworden.

Het is per ongeluk de meest karikaturale versie van dit gedicht die het meest onthutsende detail heeft onthouden. Want net als haar ouders leed natuurlijk ook de dochter toch wel onder de scheiding, in zoverre dat ze diplomate ging spelen om die ouders weer bij elkaar te krijgen, en dat die diplomatieke opdracht haar ouder maakte dan ze hoorde te zijn. Een kind van acht dat haar vader laat winnen in een spelletje, daar is iets mis mee. Maar nu is dat allemaal voorbij hoor, zegt vrolijk het slot. Ze heeft van alles twee, twee grote-vakantie-reizen, twee keer kerstcadeaus, twee keer zakgeld. Vier ouders: het meervoud van geluk is iets te veel geworden. Vrolijk? Ik weet het nog zo niet, ik vrees dat ik wou zeggen dat ik drie ouders oké vond, maar die minnaar van mijn ex was er te veel aan. Hoe lang duurt het tot ook die laatste bitsigheid eruit kan?

‘Hoe lang doet u over een gedicht?’ is een klassieke vraag bij poëzielezingen met gelegenheid tot vragen stellen. In dit geval drie jaar voor ik het probeerde op te schrijven, en daarna nog eens drie jaar. De voorlopig definitieve versie ziet er als volgt uit:

Zes jaar heeft ze geleerd wat blijven was:
wat ouders deden, en wat dus alles ging doen:
een tafel bij een stoel, nu bij toen.
Het meervoud van geluk was: wij.

Sindsdien heeft ze geleerd wat enkelvoud is.
Zij. Nu weer half van jou, morgen half van mij.

Toen ze acht was, was ze tien.
Eén helft van haar gezicht lief,
de andere liever. Bang om te kiezen
tussen verliezen en verliezen.

Vandaag is ze gewoon twaalf.
Vier ouders, twee echt, twee stief.
Slapengaan moet met eindeloos gezoen.

Ze wint altijd. Ze heeft geleerd wat blijven is.
Wat ouder niet en kinderen wel doen.

Ik schrijf dit hier allemaal op omdat ik het boeiend vind om te zien hoe een gedicht groeit, hoe betekenissen verschuiven door op het eerste gezicht minieme ingreepjes, hoe je geen komma van plaats kunt veranderen zonder tegelijkertijd de hele inhoud te verschuiven. Ik heb het, excuseert u mij, over een eigen gedicht gehad, omdat ik daarvan toevallig nog de verschillende versies bewaard had. De wordingsgeschiedenis van andermans gedichten is uiteraard minstens zo boeiend, alleen had ik daar geen kladjes van. Met de tekstverwerker dreigt het grote gevaar dat vroegere versies voortaan niet meer worden bewaard. In elk geval is het geen ijdelheid: in dat geval had ik mijn eerste versie zorgvuldig verdonkeremaand.

Hoe groot mogen Grote Gevoelens zijn? Als je er poëzie over wil schrijven, wacht je best tot ze over zijn. Ooit komt er een rustige dag, waarop je al die pathetiek maar eens moet bekijken. Je moet het dan natuurlijk eerst opgeschreven hebben, anders ben je het kwijt. Er is voorschrijven, wat ook doktors doen, en schrijven, en naschrijven. Dan pas heb je een gedicht.

Herman De Coninck

Leave a Reply