De grote schoonmaak

Sinds een paar weken weet ik waar ik sta. Ik heb namelijk ter gelegenheid van Kerstmis de grote Times-Wereldatlas cadeau gekregen. Ik sta nergens.

Hij ligt al een week open op de Stille Zuidzee. Eilandjes, speldeknopjes, sproeten van de zee. Soms leven er hele gemeenschapjes. De Marquesas-eilanden van Jacques Brel, de eilandjes van Gauguin, de Galapagos-eilanden.
Een paar dagen geleden zag ik op tv een documentairetje over Christmas Eiland. Meteen gaan opzoeken in mijn atlas. Ligt heel schuin onder Borneo. Er leven van die Polynesische bruinen die beroemd geworden zijn door Margaret Mead voor de gek te houden.

Er is ongelooflijk veel plaats op de wereld om te leven waar ik niet leef, om mij niet te kennen, om oerwoud te zijn, om twaalfde eeuw te zijn, om talen te spreken waar ik nog nooit van gehoord heb (er staat ook een talenkaart in de atlas met veel bruine aboriginal-talen), om zee te zijn, een blauwe hoeveelheid die ik me niet kan voorstellen. Op den duur kan ik me alles voorstellen, behalve dat ik zelf besta.

Niemand zijn, er nooit geweest zijn, of toch bijna niet: het is een van de meest fascinerende ervaringen die je kunt hebben.

Eigenlijk zijn er twee dingen onbegrijpelijk: dat er zoveel plaats is-zo’n atlas staat er uiteraard vol van, allemaal plaats, plaats, plaats. Een hele wereldbol vol elders. En dat er zoveel tijd is: iedereen die dit leest, is er ooit millennia en millennia niet geweest. Maar desalniettemin werd er ook toen, zij het door dinosaurussen, al druk bestaan. En in elk geval zullen de millennia na ons door insekten bevolkt worden, door mensen is nog niet zo duidelijk. (Zelfs tijdens mijn leven al is de VTM-kijker ontstaan, het begin van een mutatie.)

Dit soort gedachten krijg je van zo’n grote Wereldatlas. Aanvankelijk denk je: de wereld, waarom is er daar in godsnaam zoveel van? Maar na een paar dagen Wereldatlas is er geen enkel van die erwtgrote eilandjes dat je zou willen missen. Ik ben bereid een eenmansbetoging te houden voor het behoud van Tristan da Cunha. Je krijgt er een soort ecologische oerbescheidenheid van, vermoed ik. Die zou ik graag de architectuur toewensen.

Aan het eind van mijn straat wordt momenteel een groot postgebouw opgetrokken, stijl Rubiks kubus. Het is een intens lelijk gebouw. Voor hetzelfde geld, waarschijnlijk zelfs voor veel minder geld, had men een mooi gebouw kunnen ontwerpen, maar op dàt idee is niemand gekomen. Het is de schuld van de onsterfelijkheid.
Onsterfelijkheid, het idee dat je er altijd geweest bent of zult zijn: het is een idee dat geheelonthouders, Thatchers, ideologen, scheve architecten, macrobioten, domme minnaars, Pol Potten en gelovigen van om het even welk merk gemeen hebben. Behalve dat het geloof in onsterfelijkheid veel doden maakt, vind ik het vooral onbeleefd. Het heeft te maken met de manier waarop je ergens binnenkomt, in café De Volle Maan of in een nieuwe eeuw: alsof er niemand voor je aanwezig was, je naar de toog ellebogend, dik zijnd, Duits sprekend, niet op je beurt wachtend-of in het besef dat er wachtenden zijn voor u.

Zo’n postgebouw komt mijn straat in zoals een Duitser café De Volle Maan. Alleen blijft zo’n gebouw langer staan. Een lelijk gebouw hindert gemiddeld zeg maar duizend voorbijgangers per dag, dat zijn er 365 000 per jaar, dat zijn er 3 650 000 per decennium. Ik voeg dat eraan toe omdat ik voorstander ben van een wet op visuele hinder, zoals je een wet hebt op luchtvervuiling. Men zegt dan: ‘Ja maar, dat is subjectief, dat valt niet te meten.’ Misschien niet. Maar misschien valt luchtvervuiling ook niet te meten, want men meet dat nu, men meet niet de gevolgen over tien jaar. Dat geldt zeker voor visuele hinder: je moet niet het nu meten, maar het altijd waarvoor zo’n gebouw bedoeld is.

Een paar maanden terug, het begin van een heel late herfst, zat ik een week in Bas-Oha. Bas-Oha heeft nogal wat vervallen Ardense kapottigheid, maar ook een rivier die er zijn zilverschitterende vergezochtheid doorheen trekt, de Maas.

Het nadeel of het voordeel van rivierenen is dat ze een overkant hebben. Ik heb al jaren vanuit Bas-Oha naar die overkant zitten kijken. Deze keer besloot ik het eens omgekeerd te doen. Bas-Oha zelf. Beetje Maas op de voorgrond, het surplus van een lichte onbereikbaarheid erbij, plus dat allereerste herfstbegin waarin het impressionisme is uitgevonden, alle soorten ros en felrood en beeige en wijnkleur-een grote bordeaux-, een fustend bos, een alcoholiserende vergetelheid, dat alles met een lichtgrijs kasteel op de voorgrond. Lichtgrijs is de mooiste kleur die er is.

Wil dit eigenlijk iets zeggen? Dat er hier en ginder is op de wereld, en dat ginder de beste plek is om hier te bekijken, en dat kunst afstand is? Of misschien wil het iets zeggen dat ook mijn Wereldatlas wil zeggen, dat er veel onderweg is in de wereld, en dat onderweg zijn tussen twee plaatsen of twee zinnen of twee bladzijden of twee werelden de beste plaats is om te leven?

Later die dag, nog altijd aan de overkant van de Maas, reed ik heuvelopwaarts langs een paar van de daar tussen Andenne en Huy verloren gelegde vijftig-zielen-dorpjes. Kriskras tussen heuvels en glooiingen, die hoog genoeg zijn om alles over zich heen te laten gaan, zodat een lager-gelegen dorpje nergens last van heeft, liggen prachtige boerenhoven, kleine pastoriekasteeltjes, in de breedte uitgebouwde bescherming, in vierkante omarming opgetrokken hofsteden, naast kleinere, even authentieke streekhuisjes. De mensen die dit gebouw hebben waren niet rijk. In elk dorp, even buiten de dorpskom, zijn dan weer wel rijkeluisverblijven of tweede verblijven, lelijke betonnen duivenkoten, met karrewielen in de tuin, dure namaak van wat ooit goedkoop en echt was.

Hoe is het mogelijk dat armoede vindingrijk is, en rijkdom alleen tot kitsch in staat? Hoe komt het dat alle arme vissershutjes aan de Noordzee mooi waren, en alle daarvoor in de plaats gekomen dure apart-hotels lelijk?

Terwijl rijke mensen niet eens namaak hoeven te hebben, maar zich smaak kunnen kopen, in de vorm van een architect. Die er ook geen blijkt te hebben.

Het moet te maken hebben met mijn Wereldatlas. Die me leert dat er geen onsterfelijkheid is, maar onnoemelijk veel plaats voor sterfelijkheid. Bescheiden. Er was hier al landschap voor u.

Herman De Coninck

Leave a Reply