De lichtkever in het jampotje

I. DE VROEGE HANS FAVEREY

Laten we beginnen met een quizvraag. Van wie is het volgende gedicht?

Oktober, einde van de maand. Een wesp, een late wesp:
nog in het wespepak. Lijkt
gekomen te zijn om de
kamer te komen doorzoeken.
Kan ik iets voor u doen,
meneer de wesp?
mevrouw de wesp?

Het lijkt een kindergedichtje. ‘Nog in het wespepak’ betekent dan allicht dat de wesp zich nog niet heeft uitgekleed om te gaan slapen: net als een zebra trekt een wesp ‘s avonds al die streepjes uit. Kinderlijk onhandig is ook de herhaling ‘lijkt gekomen te zijn om de kamer te komen doorzoeken’. De slotregels kunnen van Annie M. G. Schmidt zijn: meneer de wesp, of meneer de koekepeer. Of ze komen uit Erik, of het klein insectenboek van Godfried Bomans. (Wesp, zei de wesp. Weps, zei Erik). Of is het van Jan Hanlo? Die kon ook van die hele simpele vraaggedichtjes schrijven: ‘Kroop de mist tussen de bomen? / Dan is het herfst’. Een laatste kanshebber is Frank Koenegracht. Ook hij heeft van die geheimzinnige personages in zijn gedichten: ‘Kijk daar gaat de oude maas / met haar grijze lantaarn. / Een lange blinde dame loopt naar zee’. En een bundel van hem heet Een gekke tweepersoonswesp. Raden maar.

Nee, het is een gedicht van de moeilijke dichter Hans Faverey, uit Gedichten II.
De vroege Faverey is onder andere een groot humorist. Even verder in dezelfde bundel staat het gedicht:

Wie heeft iets aan inkeer.

Hier heet het: wat koop ik
er voor, of wat doe ik
daarna. Als ik diep
nadenk, zak ik te vaak
door mijn voeten.

Het lijkt wel een pleidooi voor oppervlakkigheid (van de psycholoog die met al die dieptepsychologie niets kan), of omgekeerd een satire op die oppervlakkigheid, ik denk dat je mag kiezen. Nee, je mag niet kiezen, de slotregels zijn te vernietigend voor een Hollandse klompenboer die ‘diep’ nadenken letterlijk neemt.

Nog vier pagina’s verder bevindt zich een op het eerste gezicht erg absurdistisch gedicht:

Wie wil er nou in een tijdlus
hangen, en zo lang trappen
tot de beul ‘au’ zegt
en naar zijn heupfles grijpt.
Kom, wie wil er weer eens wat.
Wie kan er weer eens wat.

Ja, wie wil dat nou, in een tijdlus hangen? Maar het is wat wij allemaal doen, tijd als een strop om onze hals. De absurde vraag luidt dan: wie wil er nou mens zijn? Niemand. Maar als het dan toch moet, wie wil er dan alstublieft keet schoppen, dat god het hoort, kom, wie wil weer eens wat, wie kan weer eens wat: het is een oproep van een jongensachtige voortvarendheid, van een jeugdige, radicale arrogantie ook: komaan, wie kan er weer eens wat, na Van Ostaijen.
Er staat geen vraagteken achter deze vragen. Daarmee zijn het constateringen: u ziet het toch zelf, deze Faverey kan na al die jaren weer eens wat.
De cyclus ‘De witz van de twee doven van pointe ontdaan, en veranderd’ uit Chrysanten, roeiers zou dan weer uit Wachten op Godot kunnen komen:

Hoor.
Hoor je niks?
Goed luisteren. Ik hoor niks.
Hoor!
Ik hoor weer niks.
Nee; ik hoor ook niks.

Enzovoort, de reeks is niet onbekend bij kenners, en zeer uitzichtloos en zeer vermakelijk, en zo metafysisch als je maar wil.

In dezelfde bundel permitteert Faverey zich ook een grapje ten koste van de lezer:

Uit hetzelfde gebied afkomstig
moeten ook de berichten zijn
die nog schijnen te verwijzen
naar het arme woord, dat zich thans afschudt
onder de glazige blik
van de bidsprinkhaan
die u hier tracht
uit te beelden.

Dat is niet mooi van Faverey, dat hij, de moeilijke modernist, die enkele lezer of criticus die hem op dat moment zwerend en met ‘glazige blik’ probeerde te volgen (de bundel is uit I977, en bijvoorbeeld ikzelf kon hem zeer zeker niet volgen), voor schut zet, voor bidsprinkhaan zet, voor domme tekstenbidder.
Kijk eens wat een sukkel u bent, zegt Faverey tegen de lezer: u bent hier op zoek naar betekenis. Zo kunt u nog lang doorgaan, ik probeer immers juist zoveel mogelijk betekenissen kwijt te raken: het woord schudt zich af. Het wil nog slechts zijn minimaalste puurheid zijn. Het woord sleept drogbeelden mee. Daartegen ga ik nu juist tekeer:

Zolang het drogbeeld heerste,
achtervolgde ik de bittere
chimre tot diep in het
openbrekende land.

De eerste zwaluw van dit voorjaar
moest alle betekenissen zien kwijt
te raken die ik ook zelfs slapend
niet meer wens terug te vinden.

De bedoeling is niet dat die eerste zwaluw een beeld gaat zijn voor iets anders, of hoop symboliseert, de bedoeling is dat ze enkel zichzelf is; dat is dan toch al dat: een zwaluw. Faverey schrijft deze zwaluw de literatuur uit.

Het rare is dat de wetenschap dat Faverey geestig kan zijn, je ook verder helpt bij op het eerste gezicht nogal ondoordringbare gedichten. Een tekst uit Gedichten II bijvoorbeeld:

Zeker is, dat ik er misschien
niet was. Toen de weg, dezelfde
die ons zou verslijten, klaar
was, hoorde ik op. Toen ik
ophoorde, veerde ik terug.
Toen het was teruggeveerd,
bloeiden er allerhand glas-
soorten. Zij bewaken de weg
aan beide zijden en heten:
avondvullende glassoorten.

Zo’n ik, bestaat dat eigenlijk wel? En de weg, is dat die van het trio de weg, de waarheid en het leven? Mooi is in elk geval dat de weg ons verslijt, in plaats van andersom. Ook waarheid verslijt ons. Is zo’n weg trouwens ooit klaar? Faverey hoort ervan op. Ik hou een enkele keer van een drastische interpretatie, vooruit: die weg was klaar in 1968, een geasfalteerde maatschappijvisie. Faverey schrikt ervoor terug, komt elastisch met twee voeten op de grond terecht. Maar niet alleen hij, de hele maatschappij is teruggeveerd, uitgeïnspireerd: ‘het’ wordt onderwerp. En ‘het’ heeft het sindsdien voor het zeggen. Wat moet ik met die absurde glassoorten die in plaats van grassoorten langs de weg bloeien? Is dat lyriek van de afval? Kapotte flessen, weggooiglas overal in de natuur? Misschien ook, maar niet alleen.
Hier zet het besef dat Faverey wel eens geestig durft te zijn me op het juiste spoor: ‘avondvullende glassoorten’, dat zijn de glassoorten Philips en Panasonic: televisietoestellen.

Faverey is tot op zijn sterfbed af en toe geestige regels blijven schrijven. In Het ontbrokene staat zelfs een witz mét pointe:

Een jonge egel heeft jeuk,
krijgt opeens een idee
en laat zich giechelend
van een helling rollen.

Waar komt dan het misverstand vandaan dat Faverey een moeilijk dichter is?
Ten eerste van het feit dat hij een moeilijk dichter is.
Vervolgens is er bovenvermeld misverstand: de lezer is op zoek naar maximale betekenis, Faverey naar minimale. Soms heeft dat het effect van homeopathie: hoe groter de verdunning, hoe meer het werkt.
Zo slaagt het gedicht Met meikevers erin over haast niets te gaan, over de meikevers die je als jongen in een lucifersdoosje bewaarde – en bij Faverey blijkt het uiteindelijk niet eens één meikever maar één vuurvliegje, ‘als het dingetje tenminste zo heet’. En toch ruikt een hele jeugd op uit zo’n vliegje.
In Zijden kettingen doet hij dit veel mooier over:

Ik rammel met mijn lichtkever
in het jampotje. Ik houd
het donker over; waarna
ik voorgoed dezelfde word.

Hier is het bijna een ars po‘tica geworden. Ik dram maar even door, dat vind ik leuk. Een paar zinnen in taal gevangen zetten, dat was de bedoeling van de vroege Faverey. En met dat gedicht kon je rammelen, het tegen je oor houden. Het Nederlands zei dan iets in de trant van bzzz bzzz. Later blijft echter alleen donker over. Hoe je ook schudt aan dat Nederlands, hij zit er niet meer in, de lichtkever. Waarna Faverey voorgoed dezelfde wordt: degene die dat in gedichten zal blijven zoeken, die woorden zo bij mekaar zal zoeken dat ze zoemen, met de meeste woorden lukt het niet, met sommige combinaties wŽl, en veel meer kan hij daar, bijvoorbeeld in een interview met Tom van Deel, ook niet over zeggen. Hij wordt voorgoed dezelfde, degene aan wie het ontbreekt. Degene die het donker overhoudt. Degene die van daaruit moet werken, die precies vanuit die donkerte lichtgevende zinnen moet verzinnen. Hij moet voor de rest van zijn leven op zoek naar Het ontbrokene.

II. DE KANO VAN VAN OSTAIJEN

We hadden het over de vraag waarom Faverey als een moeilijk dichter geldt.
Neem een gedicht als ‘Waar het om gaat’, uit Hinderlijke goden.

Waar het om gaat is,
ik herhaal het: om
vrijwel niets.

Een kleine vale spin,
met een zweem van roest,
die ik voorzichtig met mijn
wijsvinger benader, springt
plotseling bijna een meter
ver van mij weg.

Hoe minutieuzer je aandacht voor bijna-niets, hoe sensationeler deze sportprestatie.
Wat wil dit gedicht zeggen?
Dit gedicht wil zeggen hoe ongelooflijk dat is.
Faverey ontregelt de lezer – niet altijd, maar soms, als hem dat zo uitkomt – niet door ingewikkeldheid, maar door de bijna agressieve simpliciteit van zijn gedicht. Daar komt nog iets bij: als je Faverey van achter naar voor leest, zitten die eerste bundels vol herkenningseffecten. Maar als je ze destijds las, moet zijn uiterste bondigheid tamelijk schokkend geweest zijn.

Neem een gedicht uit zijn eerste bundel:

Beulen
en roeiers.
Wat een rivierlandschappen;
wat een ongemakkelijke ruimten.
En wat een klungelig
instrumentarium vaak.

Wat moet ik met een zo plomp uit het niets komende n-woord-regel die gewoon poneert ‘beulen’? En met een tweede even plompe regel ‘roeiers’?
Zo plompweg valt de mensheid nu eenmaal in te delen: in beulen, bazen, die geselen, of die dat geselen aan anderen overlaten; en roeiers, die sinds Alexander de Grote de triremen moeten voortzwoegen, de gegeselden.
Het is opvallend hoe de latere Faverey in dit gedicht al volop aanwezig is: beulen en roeiers, maar ook rivierlandschappen keren in zijn hele werk terug.
De roeiers zijn met hun trireem bovendien heel verkeerd in een rivierlandschap terechtgekomen, twee bundels later roeien ze zelfs gewoon over het land. Het leven is onbegonnen werk, en erover schrijven net zo: het klungelig instrumentarium slaat zowel op de riemen waarmee de roeier ‘helpt water zich te verplaatsen’, als, zo je wil, op de mens – er is geen ander materiaal voorhanden om mens mee te zijn dan de mens – als, zeer zeker, op het Nederlands waarin het allemaal terecht moet. Zes regels: poëtica en levensvisie en humor.

Wellicht stootte Faverey ook lezers af door een aanvankelijk radicaal polemische ars poëtica. (Hoezeer was hij toen eigenlijk beïnvloed door De Nieuwe Stijl-groep, door een dichter als Armando bijvoorbeeld?)
‘Geen metafoor / komt hier aan te pas’, schrijft hij al meteen in zijn tweede gedicht. Of hij heeft het over ‘Metaforen. Foutenuitbarstingen’. In zijn vierde gedicht, een grimmige strandscène, zet hij zich af tegen ‘die vette / anekdotes: scherm- // kwallen? beulen? badgasten?’. Even later, in een wintergedicht, hekelt hij de maan en alle retoriek die ze in de traditionele poëzie heeft veroorzaakt:

Muurvast in het ijs
de geblondeerde planeet
lispelt. Wat,
lispelt-
Automatismen;
schertsbronnen.

Koud is het hier. ‘In de taalcentra vriest het dat het kraakt’. Het zal erop aankomen een poëtica uit te vinden die vorstbestendig is, want overal traint de verdwijning, heerst het vacuüm:

spijkervelden, los-
geslagen sneeuwsoorten,
blue stellar objects:
geen verstandhouding.

Faverey schrijft hier poëzie over de versplintering in even zovele ijssplinters van taal. Ik denk dat zowel zijn levensvisie als de meedogenloos kale aan-elkaar-vastgevrorenheid van zijn woorden (waartussen nogal wat ijskoud Engels) aanvankelijk meer lezers hebben afgestoten dan aangetrokken.
Pas tegen het einde van Gedichten II zal hij zijn ars poëtica minder negatief formuleren, en dan is het de typische ars poëtica van de avant-gardist: zijn gedichten moeten vooruitlopen op hemzelf, zij zijn de taalverkenners, hij komt erachteraan, bedoeling is dat zij voor hem hun ontdekkingswerk doen:

Als ik mijn gedichten inhaal,
ben ik nergens meer. Dan is
goede raad geen raad meer.
Dan kom jij mijn zout lenen;
als ik niets meer van de kano
zie. Alsof jij de kano nog ziet.

Waar slaat dat zout op? Misschien op imitatoren. Of op interviewers die Faverey even naar zijn geheimpje komen vragen. Of op poëzieuitleggers. In de tweede druk van Lichtval, met nawoord van Tom van Deel tekent Faverey niet zonder hooghartigheid aan: ‘De auteur van deze gedichten-bundel draagt geen verantwoordelijkheid voor de inhoud van het nawoord of de keuze van de auteur daarvan. Voor beide is de uitgever aansprakelijk.’ Dat slaat natuurlijk ook op mezelf. Faverey zou dit soort uitlegkunde gehaat hebben.
Maar misschien betekent dat zout iets totaal anders.
Blijft de vraag wat die kano hier komt doen? Hebben de roeiers van daarstraks hem hier achtergelaten? Ik denk dat het de kano van Van Ostaijen is, uit ‘Melopee’: als ik de grote voorloper uit het oog zou verliezen, hoeft het niet meer. En natuurlijk komen al Faverey’s zo mysterieuze roeiers uit die oer-kano van Van Ostaijen: het zijn de mythologische avonturen en varianten van n onsterfelijke regel.

Nog altijd is niet duidelijk waarom de vroege Faverey een moeilijk dichter zou zijn. Geen dichter voor liefhebbers van easy lisening, nee, maar onbegrijpelijk? Misschien soms wel té begrijpelijk en te bars.
Ik vermoed dat de moeilijkheid veeleer was: we begrijpen dit allemaal wel, maar het is zo weinig, er moet toch méér zijn? Waar wil Faverey met dit agressieve minimalisme naar toe?
Later zal hij er een toch weer maximaal ritueel van de autonome schoonheid van maken, in wier eredienst hij wil leven en sterven. Misschien moet ik later nog wel eens schrijven over Faverey als romanticus. Maar voorlopig schrijft hij:

Totdat. Halt.

Zo begint het: “totdat”. Dat is n.l. zijn begin.

Vers 2 luidt: “halt”.

En door stopbewegingen te maken komt het inderdaad tot stilstand.

Wat betekent dit? Liefde duurt tot iemand halt roept? Geluk duurt totdat? Nee, zegt Faverey, het betekent dat deze twee woorden er staan, meer niet. Het gedicht duurt zo lang als het gedicht duurt. Dat geldt natuurlijk voor alle gedichten, maar meestal verwijzen ze naar een werkelijkheid daarbuiten en beginnen zo aan een tweede leven. Een gedicht over een ongelukkige liefde bijvoorbeeld heb je algauw begrepen, je legt het naast je neer, en mijmert na. “ja ja, zo gaat het.” Dat mijmeren doe je zelf, niet het gedicht doet dat. Maar die werkelijkheid stelt toch niks voor, lijkt Faverey te denken, dus waarom zouden we daarnaar nog willen verwijzen? Nee, dit gedicht gaat over de belevenissen van twee woorden. je kunt het tien keer lezen, en tien keer duurt het zo lang je het leest. Er gebeurt dat je leest. En intussen gebeurt er gelukkig niets anders: dat andere zou alleen wereld kunnen zijn, en die valt tegen, daarom juist dit gedicht. Om uit de wereld weg te zijn zo lang je wil, zo lang je wil lezen, en woorden laat betekenen wat ze slechts betekenen: dat is een hele verlossing.

Faverey zal in zijn eerstvolgende bundels zijn Nederlands aangenaam ontregelen om het blijvender te maken: een tegenwoordig deelwoord duurt langer dan een werkwoord. “Hij heeft”is zo voorbij, “hij is hebbend” duurt langer. Hij vindt er talloze nieuwe wederkerende werkwoorden voor uit: “hij is zich hebbend” duurt nog langer. Al deze duur wordt uitgevonden, omdat buiten het gedicht niets duurt.
Gelukkig vindt Faverey gaandeweg ook almaar mooier Nederlands uit, en naar het einde toe vindt tragiek hém uit, het verzwegene gaat dan wel erg luid zwijgen. Maar al veel eerder mag ook beeldspraak, als ze maar prachtig is, zoals dit dure beeld van zeeschuim:

Gelispel van soms zijden kettingen,
die tijdens het schuimen, hoe
ternauwernood ook, schijnen steeds
te zijn gaan verliggen-

Maar nogmaals: dat is voor later. Op het moment waar ik het over heb schrijft Faverey met een rare gedrevenheid gedichten die bij voorkeur heel weinig betekenen; die gedurende een regel of tien met die betekenis spelen en ze vervolgens opgeven. Gedichten I en II staan er vol van. “Een witte raaf / op een witte walvis” zal wel het bekendste zijn, die beide maar “moeten [… ] zien / hoe zich uit deze tekst / te verwijderen”, daarom citeer ik liever “Een mug (de mug)”:

Een mug (de mug)
beklimt, desnoods:
bestijgt een olifant
(de olifant).

Zo gooide iemand eens een bal op.
Deze stuiterde nog enige malen,
bleef toen zo goed als stil liggen.

Dit gedicht bestaat uit twee minimalistische, vrij absurdistische waarnemingen. Vraag is of die iets met elkaar te maken hebben, want dat heeft de lezer graag, samenhang. Faverey zegt: waarom zouden ze? Is de werkelijkheid soms samenhangend?
Nee, zegt de lezer, maar daarom verwacht ik juist van een gedicht dat het mij samenhang geeft, anders kon ik het net zo goed met de werkelijkheid zelf stellen.
Ja maar, zegt Faverey, of ik in zijn plaats, in dit gedicht gebeuren twee dingen. Het eerste is eindeloos, de klim van de mug op de olifant is onafzienbaar. Is dat eigenlijk wel goed, dat er aan iets nooit een einde komt? Als tegenvoorbeeld is er de bal. Die blijft uiteindelijk zo goed als stil liggen: hij stuitert zolang je de regel herleest, en hij ligt een hele laatste regel lang bijna stil. Helemààl stil ligt hij zelfs na de dood van Faverey nog niet. Maar het is een opluchting, lijkt me, dat stilstand niet uitgesloten is.
Inmiddels heb ik fors geïnterpreteerd, ik heb een tegenstelling ingevoerd tussen een ongelukkige eindeloosheid en een gelukkig einde. Misschien zit die er eigenlijk niet eens in. Misschien zijn het inderdaad gewoon twee gebeurtenissen die niets met elkaar te maken hebben. Misschien moet je daarmee leren leven, met dit soort onsamenhang. In dit gedicht zijn het slechts twee dingen die niets met elkaar te maken hebben, in de werkelijkheid zijn het er honderdduizenden. In dit gedicht kun je eens proberen of het je met twee onsamenhangen lukt: dat ze permissie krijgen om naast elkaar te bestaan. En daarna kun je het met duizend proberen, met tienduizend: dit is een oefeningetje voor beginners. Moeilijk? Het leven is moeilijk, Hans Faverey is gemakkelijk.

III. DE SUPERTEGENWOORDIGE TIJD

In zijn allermooiste gedichten is Faverey tegelijkertijd romanticus, liefdesdichter en anti-doodsdichter.
Het onbestaanbare is zo’n gedicht:

Het onbestaanbare: hoe ik het
najaag en aankleef. De nacht is jong;

de bijl slaapt en brengt de vijver
verkoeling. Waarheen ik mij ook wend
of keer: zij is niet hier, niet daar.

Verdriet loopt zo lang te hoop tot het

wordt erkend, zich intrekt, of zich
dood loopt. Nog is de nacht jong: al
wie nu zijn adem heeft bewaard. Dood,
hij wordt op zijn schouders genomen;
laat zich met zich sollen; wordt naar

huis gebracht, uitgekleed, gepijpt,
toegedekt; en wordt wakker.

Misschien is dit wel de beste omschrijving voor Faverey’s ars poëtica: de eredienst van het onbestaanbare. En dat in woorden bestaanbaar maken. je kunt niet door twee vensters tegelijk een huis binnenklimmen, maar bij Faverey kan het. Zo kan het morgen ook twee dagen tegelijk zijn:

Als morgen vrijdag de 13e
Op 29 februari valt,
mag een aan polsen, enkels
of nek gehangene de beul
ook ten dans kunnen vragen.

Elders kan een stukgevallen vaas nog twee minuten geleden zijn en nog heel. Ongelijktijdigheid wordt gelijktijdig als de grammatica een beetje helpt, het onmogelijke wordt mogelijk, of liever: het onmogelijke en het mogelijke mogen naast elkaar bestaan. Het is een soort verruimd kubisme: zoals alle mogelijke hoeken en kanten en achterkanten daar oppervlakte worden, zo is een gedicht van Faverey een collage van heden en verleden en nooit, van wat er is en niet is en onmogelijk kan zijn tegelijkertijd.
Als ik Faverey een romanticus noem, moet ik dat even nuanceren. Een romanticus heeft met het onbereikbare te doen, Faverey met het onbestaanbare. Dit is nog een graad erger.
Het gedicht Waar stil toen de abrikozenboom stond gaat niet over een onbereikbare geliefde, want ze is nog bij hem.

zij wierp mij de abrikoos
toe-toen. Nu
(… ) beginnen
wij opnieuw met bijten (…)

terwijl de zee fluistert:

bij mij is zij niet;
nee, hier vind je het niet;
in mij is zij niet.

Het gaat er veeleer om dat de geliefde van nu bijvoorbeeld niet vijf jaar jonger wil zijn, dat toen en nu niet willen samenvallen, en dat ze zulks in dit gedicht toch proberen te doen. De ik en de vrouw gaan samen op zoek naar dat moment van toen, naar eeuwigheid die er nooit is geweest. Dit gedicht beseft dit bijna schizofreen, en toch: ‘terwijl’, zegt Faverey, en ineens kan het allemaal, gelijktijdigheid van toen en nu, van hier en ginder, van geluk en afgrondelijk gemis, van heimwee naar een vrouw met die vrouw in je armen.

Terug naar AF, naar ‘Het onbestaanbare. De nacht is jong, flarden van een middeleeuws lied (waar ik mij wend, waar ik mij keer) en een begraven Indiaanse strijdbijl vinden elkaar in vrede. Maar de conclusie is dezelfde als in het abrikozenlied: ‘zij is niet hier, niet daar’. Wie? De onbestaanbare. Een ideale vrouw? Een dode geliefde? Want met de dood wordt zo meteen mensonterend gesold.

‘Verdriet loopt zo lang te hoop’ vind ik een wijs aforisme, maar omdat ik erin mee hoor klinken dat verdriet zo lang loopt te hopen, vind ik het nog mooier. Ook dat verdriet ‘zich intrekt’ is mooi dubbelzinnig: het trekt zich terug, in dit Nederlands, of het neemt definitief zijn intrek, in jezelf bijvoorbeeld, en komt er nooit meer uit.

‘Nog is de nacht jong’ kun je lezen als variant op de regel: ‘De nacht is jong’. Nog duurt dit gedicht. Nog is de film niet afgelopen. Nog bevind ik me in het zalige donker van het gedicht. Nacht is het filmpubliek: ‘al wie nu zijn adem heeft bewaard’. Voor de ontknoping. Daarin wordt een vernederende studentenfarce uitgehaald met de dood, te vergelijken met wat in De meisjes van de suikerwerkfabriek Tessa de Loo een kaartjesknipper aandoet. De dood is ook maar zo’n kaartjesknipper, op het eind van de rit. En Boutens wordt in één moeite door mee vernederd, zijn ‘goede dood wiens zuiver pijpen’ wordt hier kwaadaardig ‘naar huis gebracht, uitgekleed, gepijpt, / toegedekt’. Wraak. En vervolgens staat er lapidair: ‘en wordt wakker’. De dood. Dronken gevoerd, maar niet kapot te krijgen. Baldadig feest, dit gedicht, dat eindigt in paniek: wegwezen, hij leeft nog!

Faverey en de dood: zijn hele ars poëtica komt eruit voort. Hij heeft van in den beginne tegen de dood gerevolteerd door een taal te ontwerpen waarin langer geduurd werd dan normaal. In 1968 schreef hij:

Wanneer de bovenlip is opgetrokken,
krijgen de tanden het koud.

Wanneer beide lippen weg zijn,
hebben de tanden het nog kouder.

Dat was doodsangst, doodskou. In Gedichten II, 1972, schrijft hij:

Te worden hoe het is, als het
straks is. En hetzelfde ver-
tederde doodgaan dat ons zo
maakt, nu voorspel heette.

Dit is een verlangen om die doodsangst met iemand anders te delen en de hoop om dat erotiek te mogen noemen. Toekomende tijd verhakkelt zich tot verleden tijd. De twee tijden vallen elkaar grammaticaal hortend en stotend in de armen.

Zo heeft Faverey een nieuw Nederlands gecreëerd als protest tegen het voorbijgaan: hij haalt werkwoordstijden door elkaar tot er een soort supertegenwoordige tijd ontstaat.
Daarin is het goed leven.

Leave a Reply