Poëzie

Zoals je tegen een ziek dochtertje zegt:
mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt
verdrietje, en het helpt niet;
zoals je een hand op haar hete voorhoofdje
legt, zo dun als sneeuw gaat liggen,
en het helpt niet:

zo helpt poëzie.

Herman de Coninck.
Uit “Met een klank van hobo”

Ons

‘Ik kom nog even bij jou liggen.’
‘Bij ons,’ zeg je.
Want sinds je zwangerschap ben je ook op je eentje
al een beetje onder elkaar.

En dit is minder klaarkomen
dan thuiskomen: je bent een gezin
en ik mag er even in.

En wie van jullie gaat er door mijn haar
en wie geeft me een beet hier en een beet daar
en lange tijd nadien nog een heel klein beetje maar?

Herman de Coninck.
Uit “Met een klank van hobo”

33-27

Jaja, zie titel, eigenlijk schelen wij zes jaar.
Ik ben nog zo oud en jij bent al zo jong,
en aan jouw luchthartigheid til ik soms zwaar,
en dan ben ik boos, terwijl jij gewoon je tong

uitsteekt. Want ik ben helemaal alleen en
jij met zovelen.
Alleen al met je jurken ben je vijf mevrouwen
die om beurten eens mevrouw De Coninck spelen.

Ik vind het bijna overspel om nu eens van de ene,
dan weer van de andere te houden.
Soms neem je voor een paar uur de benen
en moet ik in de kleerkast kijken wie er eigenlijk is verdwenen.

Terwijl ik zelf niemand meer ben.
Wat wou ik allemaal niet worden, stichter
van de partij voor minder verdriet,
de vaak geïnterviewde oprichter

van de vereniging voor lofzangen op jouw linkertiet.
Maar ik ben alleen
jouw niemand, jij mijn iedereen.

Herman de Coninck
Uit “Met een klank van hobo”

Huurcontract

Misschien rust op dit huwelijk geen levenslange zegen,
maar wel het soort zekerheid
van een te hernieuwen huurcontract
drie-zes-negen.
We zijn binnen voor de regen
van melancholie.

Misschien is dat minder passionant
dan vroeger, als je klaarkomt vraag ik ‘wablieft’
en grappen in die trant.
Maar ik heb je meer dan vroeger lief:
er is zoveel mee ‘jou’ nu dat ik ken,
zoals ik ook voor jou meer ikken ben.

En allemaal samen hebben we dat zootje van zes.
(Zoontje bedoel ik, maar de schrijffout mag blijven staan.) Vaak kan ik niet slapen
van het denken eraan.

En dan denk ik: net een heus gezin.
En ik tast naar jouw hand.
En jij slaapt evenmin.

Herman de Coninck.
Uit “Met een klank van hobo”

Ter ere van de goedertieren maan (6)

(Vrij, respectievelijk zeer vrij, naar Edna St. Vincent Millay)

Pijn, zit er echt niets anders op
dan de dagen die me zijn gebleven
haard en bed, en helaas ook dezelfde kop
met je te delen? Jij maar vragen, ik maar geven?

Het zij zo. Misschien dat het went.
Laten we eten. Breng de soep maar aan de kook.
Ik kan niet sterven voor jij zelf gestorven bent.
Zo lang jij echter leeft, ben ik er alvast ook.

Van het Millay-bedrijf voor Brandende Gedachten
ben jij ijskoud accountant,
maakt mijn zwier wel erg zwaar op de hand,

en heft belasting op mijn toch al korte nachten.
We zullen samen doodgaan, maar ik weet niet goed
of ik je al die dingen wel vergeven moet.

Herman de Coninck.
Uit “Zolang er sneeuw ligt”

Ter ere van de goedertieren maan (5)

(Vrij, respectievelijk zeer vrij, naar Edna St. Vincent Millay)

Dood, ik zal sterven, maar da’s alles wat ik doe voor jou.
Ik zal niet bang zijn, veel plezier ga je er niet aan beleven.
Ik zal niet zuchten en niet huilen en niet beven.
Dood, ik zal sterven, maar da’s alles wat ik doe voor jou.

Ik heb gearbeid in de wijngaard van het leven.
En van dei wijn komen de vlekken op mijn huid.
Drie vrouwen zijn me komen wassen, hier zo even,
en kregen er die vlekken niet meer uit.

Laat mij dus zo maar wachten, als een bruid.
Want ik zal sterven, maar da’s alles wat ik doe voor jou.
Ik laat je niet veel over. Mijn gezicht is grauw.

Ik zal je aankijken met twee ogen van glas.
En als je ligt te pompen op mijn arm karkas
zul je wel merken dat je niet de eerste was.

Herman de Coninck.
Uit “Zolang er sneeuw ligt”

Ter ere van de goedertieren maan (4)

(Vrij, respectievelijk zeer vrij, naar Edna St. Vincent Millay)

Als jouw verdwijnen maar betekenen zou
dat ik nu verder met mezelf kon leven
– ik sluit de deur, waar waren we gebleven, ik gooi wat blokken in het vuur tegen de kou,

een boek van Chaucer ligt nog op de bladzij open
van voor je binnenkwam. Ik heb nog donker bier
en Bach: vandaag alleen al is een eeuw of vier –
dan zou verlies op winst nog mogen hopen.

Als jouw verdwijnen maar zou zijn: met rust
gelaten worden, ga dan, geef mij dan die rust,
laat mij gelàten worden, laat mij niet meer horen

hoe ik (wie, ik?) in donkere dagen en in blanke nachten
op niets en niemand lig te wachten,
jou kwijt zijnde, mezelf verloren.

Herman de Coninck.
Uit “Zolang er sneeuw ligt”

Ter ere van de goedertieren maan (3)

(Vrij, respectievelijk zeer vrij, naar Edna St. Vincent Millay)

Omdat ik vrouw ben en behoorlijk heb te lijden
van al de grillen en behoeften van mijn soort,
laat jouw nabijheid iemand in mij aan het woord
die zegt (wat ze niet meent) hoe goed ze met je vrijde.

Maar het is niet omdat ik op mijn borsten duldde
jouw tachtig kilo en jouw pompen en jouw zweten
– passie verheldert ’t bloed en verduistert ’t weten – dat ik mij niet herinner hoe je lulde.

Je moet niet denken dat dit zielige verraad
van mijn sterk bloed tegen mijn zwak verstand volstaat
om jou in liefde te gedenken.

Dit hitsige gedoe van ’t wijf dat in mij praat
vind ik hoegenaamd geen reden tot een conversatie
als ik je nog eens tegenkom op straat.

Herman de Coninck.
Uit “Zolang er sneeuw ligt”

Ter ere van de goedertieren maan (2)

(Vrij, respectievelijk zeer vrij, naar Edna St. Vincent Millay)

Nee, liefde is niet blind. Ik zie ook met één oog
je lelijkheid en andermans verfijnde charme.
Ik ken zelfs alle sproeten op je armen
en hoe je ogen veel te ver uiteenstaan, en je wenkbrauwen te hoog

om mooi te zijn. Nee, liefde is niet doof,
ik hoor ook met één oor je domme conversatie
en voel met handen, huid en haar je povere bibberatie
die grote passie moet verbeelden, hier in mijn alkoof.

En toch hou ik van jou veel meer dan omgekeerd.
En dat dit liefde zijn zou, heb ik nooit beweerd.
Dit is veeleer een soort eenrichtingsverkeer

waarin steeds ik het wijf ben, jij de heer.
En dat de wereld daarmee lacht, kan mij niet raken.
En als ik al te lijden heb, zijn dat mijn eigen zaken.

Herman de Coninck.
Uit “Zolang er sneeuw ligt”

Kritiek

Gisteren nog vond ik het woord
‘lieveling’ uit, en droeg het op een rood kussentje naar jou. O, schat, zei je,
dat hoefde niet. Maar je liet goed
merken hoe blij je was.

En vorige week schreef ik:
‘Ik hou van jou om de manier waarop je me hoofdpijn bezorgt
en dan erg lief bent voor die hoofdpijn.’
Toen je het gelezen had
kreeg ik een enorme zoen.
Dàt is nog eens literaire kritiek.

Herman de Coninck.
Uit “Zolang er sneeuw ligt”