Ter ere van de goedertieren maan (1)

(Vrij, respectievelijk zeer vrij, naar Edna St. Vincent Millay)

Je weet dat jou vergeten mij niet zwaar
zal vallen. Maak het beste dus van deze dag,
deze ene maand, dit ene halve jaar,
voordat ik sterf of wegga of je niet meer mag.

Want alles gaat voorbij en niets zal mij nog heugen.
Ik neem een andere oogschaduw en ben een andere vrouw.
Maar als je me weet aan te pakken met je mooiste leugen
zal ik je troosten met mijn liefste eed van trouw.

Ik wou ook wel eens liefde van wat langer duur.
Maar dat ligt niet in haar natuur.
En of wij vinden wat wij zoeken, of ook niet,

en of ik voor één zomer van je hou, of voor het leven,
en of ik wegga met of zonder jouw verdriet
is, biologisch gezien, om het even.

Herman de Coninck.
Uit “Zolang er sneeuw ligt”

Wiskunde

Nee, zo stoer hoeft niet, tenslotte
moet ik het nu weer allemaal zelf doen. Ik trek mij af.
Het lijkt wel een hele bewerking, een
aftrekking inderdaad, ik trek mij af
van wat ik was met jou,
ik hou alleen mezelf over.

Herman de Coninck.
Uit “Zolang er sneeuw ligt”

Verjaardagsvers

Je zei nooit wat. Ik moest het altijd vragen.
Of je van mij hield. En je zoende.
Of het veilig was die eerste keer.
En je zoende weer.
En even later of ik het goed deed zo,
en je zoende, o.

Je zei nooit wat, je zei het altijd met je ogen.
Je ogen die helemaal alleen
in je gezicht achterbleven als ik je verliet;
je ogen na geween:
je was er niet,
je keek me aan als verten
en ik moest erheen.

En als ik weer tot daar was
de ogen waarmee je het woord ‘lieveling’ zei,
keek of het niet veranderde
op weg naar mij.
En toen je naast de weg lag in de wei,
wat had je niet allemaal gebroken,
je benen, je ribben, je ogen, mij.
Je zei nooit wat, je zei het altijd met je ogen,
zoals je daar lag, te zieltogen,
te zielogen.

En je ogen die je zoon nu in heeft staan,
waarmee hij zegt: niet weggaan –
je zei nooit wat, hij zegt het, en jij kijkt mij aan.

Herman de Coninck
Uit “Zolang er sneeuw ligt”

Hotel Eden

En ’s nachts gingen we naakt zwemmen, we zwommen
onze namen op het water, ik zwom An in twee
grote letters, jij zwom uitgebreid aan de naam
Herman, en met de gouden maan eroverheen
leek het wel of we onze namen definitief
genoteerd hadden op een van de gewijde bladzijden
van het Boek.

Nadien kuste ik de waterdruppels
van je gezicht, voorzichtig één voor één
zoals een pointillist toetsjes aanbrengt
op zijn doek ‘naakte vrouw bij maanlicht’,
en in geen enkele vergelijking pasten je
borsten zo mooi als in mijn handen.

En in bed, ik kwam al van ver aan-
gerend declamerend ‘Hier Ruk Ik Aan
Met Een Erectie Als Een Pompiersladder
Om Jouw Brand Te Blussen’ en we lachten
en wat maakten we een leven

dat we negen maanden later
Tomas zouden noemen.

Herman de Coninck.
Uit “Zolang er sneeuw ligt”

Flamingo’s

Flamingo’s op poten zo dun als de ff’s
van mejuffer, of als twee sigarette-
pijpjes waaraan ze zuinig de rook
van zichzelf opzuigen: met dit soort
raffinementjes zetten ze zichzelf voortdurend
voorzichtig op stelten.

En hoe ze op één been staan, het andere
in hun veren opgeplooid als een handtas
onder de arm, deftige dames, wachtend op de tram
naar Rilke (psst, Germaine, laat niks merken,
daar zijn weer toeristen naar ons aan ’t kijken!).

Herman de Coninck.
Uit “Zolang er sneeuw ligt – Kijk eens hoe echt”

De Schreeuw

Bejaardentehuizen zijn een soort wachtzalen,
denkt hij, met een goddevader die om de haverklap
‘de volgende’ roept.

Hij is weer eens langs geweest, heeft haar
haar wekelijkse portie zoon bezorgd
en nu hij weggaat, roept ze hem achterna,
de rimpels in haar gezicht kringen
rond de o van haar mond als golven
rond ‘De schreeuw’ van Edvard Munch,
en er komt geen geluid,

alleen de wind raast door het land
als lange aa’s door lange ziekenzalen.

Herman de Coninck.
Uit “Zolang er sneeuw ligt – Kijk eens hoe echt”

Olifant

Hij is gemaakt van de grofste effecten,
draagt zijn broek als clown August,
de knieën slodderend, maakt danspasjes
als tante Bertha die een tango de grond
inheit, terwijl z’n kont doet denken
aan een vals gebit

dat net is uitgenomen. En dan zijn slurf
en vlak daarnaast zijn ogen. Hoe zou jij kijken
als ze je lul op je neus gezet hadden?

Herman de Coninck.
Uit “Zolang er sneeuw ligt – Kijk eens hoe echt”

We reden hele dagen op Honda’s …

We reden hele dagen op Honda’s, we kwamen snel
aanwaaien als geluk, en je hoefde maar
achterop te springen en geschaakt te willen worden.

En jij wilde altijd wel, o
je wist zoveel te vertellen
in een zoen, ademloos
hing ik aan je lippen tot

je achterover gleed, en ik trok
haastig door jou naar jezelf,
als een leger joden door de rode zee,

ik was de laatste die aankwam.

Herman de Coninck.
Uit “De lenige liefde”