Hoe hield ik platonisch van je gedachten …

Hoe hield ik platonisch van je gedachten
en onnoemelijk veel van de rest.
Je borsten waren zachte
kolfjes naar mijn hand,
twee afgeronde verhalen
met een pointe waarop ik erg was gesteld.
En sta me toe dat ik ook
onze goeie verhouding vermeld
tussen poëzie en leven:
ik wist dat ik zô met jou naar bed kon
als ik zulk een gedicht had geschreven.

Herman de Coninck.
Uit “De lenige liefde”

Het was een prachtidee van haar ouders …

Het was een prachtidee van haar ouders,
Melinda te verwekken. Aanvankelijk wou
ze dan ook zichzelf gaan studeren.
Psychologie noemt men die wetenschap,
geloof ik. Maar al gauw vond ze er
niks anders op zitten dan mooi te wezen
en mij te ontmoeten.

Kijk eens wat ik hier heb, zegt ze
en brengt me voor het raam: allemaal
om naar te kijken.
En kijk eens wat ik nog heb, zegt ze
en wijst op zichzelf: het kan zoenen,
voegt ze er op hoge benen aan toe
terwijl ik mijn happy end voel groeien.

Herman de Coninck.
Uit “De lenige liefde”

Middenin de vlakte van juli …

Middenin de vlakte van juli
kwam ik je tegen. Ik woon hier, zei je.
Ik keek naar de bloemen. Ja, dat zie ik,
zei ik, en waar leerde je de kunst
om niet lang te duren? Ook hier, zei je.

Je was lenig; en je woorden waren zo
doorschijnend, ik kon je er helemaal
door zien.
En daar lag ik al in het gras
en wat hield ik in mijn hand?
Een oortje, waarin ik het lange woord
‘lieveling’ uitgoot, zonder morsen

Herman de Coninck.
Uit “De lenige liefde”

En zij omhelsde hem …

En zij omhelsde hem met al haar
zonden en monden. En zij omhelsde hem
met al haar nachten. Met al haar
opnieuws. Met heel haar altijd.
Vanwaar bleef zij die verwarring halen?
Hij liep als in zachte regen
in haar woorden en kon nergens meer wonen
ter wereld, hij zwierf in liefde.
En zij leerde hem niet meer te kunnen
zeggen wat hij voelde,
zij leerde hem voelen.
Hoeveel benen sloeg zij rond hem heen
en hoeveel slangen?
En hoe langzaam loog zij ‘liefste’?

Het was een woord als vele maanden lang.

Herman de Coninck.
Uit “De lenige liefde”

Zoals je binnenkwam en dag zei …

Zoals je binnenkwam en dag zei,
en uit je kleren en je woorden stapte

(het voorlaatste wat je voor me uit- deed was het woord ‘lieveling’
en het laatste een glimlach; toen
opende je de haakjes en ik kwam erin
en je sloot ze)

zo ging je ook weer weg, trok
enkele veel te dunne woorden
van afscheid om je heen
en rilde.

Herman de Coninck.
Uit “De lenige liefde – Met de vedel”

Ik kom van ver …

Ik kom van ver,
van waar jij mooi was tussen je haren
als een eiland tussen het riet.
En je mond viel traag, traag
over mijn gezicht als avond
over de landen, als stilte
over dit gedicht.

Hoe zijn mijn handen wit
sindsdien, als om te leggen in een schrijn:

in de droom dat wij nog samenzijn.

Herman de Coninck.
Uit “De lenige liefde – Met de vedel”

Brussel

Geen krot stort hier ooit in. Ze blijven staan
uit gewoonte, beweert een collega van me,
en als ze je niet bevallen, zijn er enkel
andere lelijke huizen om eraan te ontsnappen.
Trouwens, ook de politiek is hier zo:
evenveel problemen als huizen.
Maar men blijft erin wonen, slapen,
sigaretten, voedsel en liefde kopen.
En er lopen altijd wel duizend identieke
burgers over straat om elkaar de indruk
te geven dat ze normaal zijn, en om mij
aan geboortebeperking te doen denken.
Men is hier mens zoals men elders bandiet is:
enkele keren per jaar, ‘s nachts en zeer
verborgen. Dan gaat men huilen,
bij voorbeeld op de wc.

Herman de Coninck.
Uit “De lenige liefde – Een dag als geen ander”