Denkend aan vroegere gedichten

Wij waren jong, wij sprongen
te paard op de taal en reden
heersend de velden door,
slingerend lasso’s van woorden
naar alles wat we wilden veroveren. O,
het waren dolle roekeloze tochten, pas toch
een beetje op, riep Kees Fens ons nog na.

En ‘s avonds stond de taal nog na te trillen,
op stal in een gedicht, hinnikend
van heimwee naar de maan
en naar de verste betekenissen.

Herman de Coninck.
Uit “De lenige liefde – Een dag als geen ander”

Flamingo’s

Ze zijn er bijna niet
zoals heel slanke vrouwen
na heel licht verdriet.
Met hun poten als met een dun pincet
pikken ze preuts hun tenen
uit het water op, o, ze
zijn zo rose
als gedachten van een maniƫrist.
Ze zijn vraagtekens achter al ons weten
en zo fraai dat we even
niet meer om een antwoord geven.

Herman de Coninck.
Uit “De lenige liefde – Een dag als geen ander”

Ballerina

Gebaar voor gebaar reikt
ze haar lichaam over aan haar dromen
en telkens wordt ze meer
dan ze al was en telkens reikt ze weer.

Herman de Coninck.
Uit “De lenige liefde – Een dag als geen ander”