Zondagsdichters

Ergens halverwege de jaren zeventig werd er in Amsterdam een paar jaar achter elkaar een festival van zondagsdichters gehouden. Remco Campert, Simon Carmiggelt en een paar wisselende anderen selecteerden daar dan telkens een poëziebloemlezinkje uit, dat werd uitgegeven door het literair café De Engelbewaarder. Daar stonden telkens wel een paar aardige gedichten in, en een enkele keer ook een echt onvergetelijk vers.

De onderwerpen waren voorspelbaar: veel leven en dood en rozegeur en maneschijn. Er zijn nu eenmaal niet zoveel onderwerpen in het leven: het leven – en dan heb je het wel zo ongeveer gehad. Alleen werd dat door deze zondagsdichters naïever en ongeremder-sentimenteel behandeld: er zat meer leven in deze zondagsgedichten dan in geschoolde poëzie, maar dan zoals kinderen ook wel eens te veel leven maken. Dat is wat ik me herinner.

Ik heb nog één zo’n bloemlezinkje, uit 1976. Als ik daarin terugblader moet ik echter constateren dat mijn herinnering niet klopt. Veel leven en dood, ja, maar geen rozegeur en maneschijn, wel echtscheiding en kanker en gastarbeiders en onbetaalde rekeningen. Kortom: meer ellende dan in de gecanoniseerde poëzie, door minder gefilosofeer weggewerkt. Onhandiger verwoord, maar zeker niet romantischer, nee, juist veel nuchterder. En met een overdosis politieke en maatschappelijke bewogenheid. Titels zijn: ‘Februari-staker’, ‘De gastarbeider’, ‘De handwerkjuffrouw’, ‘Gastarbeider twee’, ‘Boer’, ‘Woningnood’, ‘De koude voeten van een salonrevolutionair’, ‘Spaanse gastarbeider’ (de derde). Poëzie moet ergen toe dienen, denkt de zondagsdichter. Je schrijft ze op zondag, maar je moet er de maandag mee in kunnen.

Het mooiste gedicht uit dit verloren gewaande bundeltje vind ik ‘Cohen’ door Gerrit Hammink: de biografie van een ouwe demente man. Het begint met de meesterlijke regels:

Hij is van ’14. Ouders zonder poen.
Van hen viel slechts onkreukbaarheid te erven.

Ik vind het jammer dat dit zondagsdichtersfestival niet meer bestaat.

Het zou een heel decennium duren voor Hans Warren nog eens iets vergelijkbaars deed: hij stelde in zijn Meulenhoffs Poëziekalender 1987 een aantal dagen van dat jaar open voor zondagsinzendingen. Ik heb de almanak van dat jaar schijtenderwijs afgescheurd zoals dat hoort, maar Luuk Gruwez heeft er in zijn essay Poëzie en schaamte een gedicht uit overgeschreven, dat hem liever is ‘dan het verzameld zweet van Peter Nijmeijer, Sybren Polet, Rein Bloem, Roger M.J. de Neef, Jan Elburg, H.H. ter Balkt e.a.’. Het gedicht is van ene Adriaan Korpel. ‘Alles wat de Nederlandse poëzie de jongste tijd moet derven,’ schrijft Gruwez, ‘is in deze regels aanwezig, kleinspraak en grootspraak in een juiste dosering, emotioneel lef, lyriek, kortom, leven.’

Het gedicht is haast betere Elsschot dan Elsschot en met de laatste strofe valt niks anders te doen dan haar onmiddellijk van buiten te leren:

Ik had nooit tijd voor lieve dingen
een kus, een woord, een teer gebaar.
Ik streek gedachteloos je haar
en liep verstrooid ‘High Noon’ te zingen.

Ik had geen tijd om speels te doen.
Ik was te jong te oud geworden
en gaf je slaperig een zoen
en zei genadeloos versleten woorden.

Ik had geen tijd je jurken te bewonderen,
je dingetjes, je ringetjes, je lapjes goed.
En zelfs je dood kon mij niet overdonderen,
ik dronk een glas en kocht een zwarte hoed.

Men zegt: van deze tijd zijn wij de slaven.
Ik niet, ik ben altijd mijzelf gebleven.
In mijn agenda staat geschreven:
19 Maart, de vrouw begraven.

Er is één groot verschil tussen zondagsdichters en zondagsschilders. Sinds le douanier Rousseau kunnen de laatsten een carrière uitbouwen en van hun naïviteit een gedeponeerd merk maken. Zondagsdichters kunnen dat niet. Hoe komt het dat ik zo zeker weet dat deze Adriaan Korpel nooit een tweede gedicht zal publiceren? Omdat dit gedicht een toevalstreffer was? Omdat je dit soort gedicht, gezien ook het onderwerp, maar één keer in je leven schrijft? Misschien. Maar het moet ook te maken hebben met het verschil tussen taal en verf. Olieverf wordt niet buiten de schilderkunst gebruikt, taal wel, overal en altijd, door iedereen. Daardoor is de taalslijtage zo groot, is de stapel uitdrukkingen die vanwege het vele gebruik niks meer betekenen zo onoverkomelijk hoog, dat de dichter nog slechts een clichéspicialist kan zijn: iemand die weet wat al gezegd is, zodat hij alvast niet meer hetzelfde zegt. De kans dat iemand zonder die clichégevoeligheid, een zondagsdichter, ineens een goed gedicht schrijft is onnoemlijk klein. Poêzie wordt met de dag moeilijker. Dat is zeer jammer, maar het kan niet anders. De allereerste dichter uit de wereldgeschiedenis kon misschien nog zeggen ‘ik hou van jou.’ Maar voor de tweehonderdduizendste dichter is het onbegonnen werk. En toch kun je niet anders dan er telkens weer aan beginnen. En hopen dat er bij al die ingewikkeldheid ook nog af en toe eenvoud wordt uitgevonden. Daar zijn zondagsdichters voor nodig, ook al schrijven ze maar één gedicht in hun leven. Om te verhinderen dat poëzie een zaak wordt van specialisten.

Ik wou u zo’n zondagsdichteres voorstellen. Een paar maanden geleden stak er in mijn brievenbus een pak poëzie, handgeschreven, met aandoenlijke lange lussen aan de g’s: het op een klare zondag overgeschreven verzameld werk van ene Rozette Servaes.
Ze maakt heel voorspelbare fouten: de meeste van haar gedichten rijmen te naïef, zijn sympathiek omdat ze onhandig zijn, niet omdat ze goed zijn. Zo zit er in haar inzending een ode aan het Duvel-bier, waarbij ‘uw tong zich krult van louter deugd. / O, Duvel-bier, o wat een vreugd!’. Het staat niet zo ver af van een ode aan de Geperste Kop van beenhouwerij Vanderslagmolen. Maar enkele van haar gedichten stijgen daarbovenuit. Bij voorbeeld het volgende:

ik wil weer praten met u
over parelmoer, geluid
van traag gestreelde huid
gevoelig tot in kerven.
ik wil weer zwerven
met u, de mond dicht
bij de oren, een zacht gezicht
in twee handen.
ik wil weer vier wanden
met u, waarbinnen een lamp,
groot en rood, en ademdamp
en zachte roze woorden.
ik wil weer de tred gaan
van uw tred, traag en
voet bij voet bij voet bij voet.
en vertellen wat we zagen,
want uiteindelijk had ik
vroeger nog nooit een
maanhorloge gezien.

De taal is misschien een beetje oubollig, parelmoer is wel heel uitdrukkelijk poëtisch, het woord tred doet denken aan een boerenpaard, maar van mij mag het, een beetje plechtigheid. Er is daarvan niet veel meer in voorraad in deze wereld. Zo kun je nog wel een paar bezwaren bedenken, maar bij een regel als ‘ik wil weer vier wanden met u’ geef ik me gewonnen: bij de vrijwillige gevangenschap van de liefde. En ook bij wat het ritme daarna gaat doen, plechtig worden – om ten slotte ineens ongeduldig, op een jongemeisjesholletje, het slot te verklappen. Het gedicht luistert niet naar de klassieke regels. Dat zal wel een kenmerk zijn van alle goede zondagspoëzie: ze is ongehoorzaam.

Die ongehoorzaamheid moeten we bewaren.
Eén enkel gedicht van deze Rozette Servaes stijgt echter boven al haar andere uit, en ineens ook boven het verzameld werk van Noemmaarop. Het heet ‘Lommel’ en gaat over het soldatenkerkhof aldaar. Van dit gedicht zou een poster gemaakt moeten worden voor elke vredesbeweging van nu tot het jaar 2100. Het is dan ook geen gedicht van een dichter – want die zit in zijn ivoren toren te vergeten waar het in het leven om gaat – maar van een huismoeder die weet hoeveel een kilo suiker kost, en vanaf welke maand de asperges weer betaalbaar worden. En op die nuchtere manier weet ze ook hoeveel een oorlog kost.

Hier liggen geen soldaten
maar jongens die goed konden timmeren,
beenhouwers, profeten en onderwijzers.
Ze speelden vroeger voetbal. Hier liggen
schilders, ramenwassers en dromers.
Ze droomden ervan een eigen café en
eethuis te beginnen. Ze namen vroeger centen
mee naar hun café, later hun lief
die nu alleen moet gaan.
Hier liggen geen soldaten maar herders
en boeren, metsers en heel jonge ministers.
En bankbedienden. Winkeliers, tuinmannen,
schrijvers. En veel vaders. Van nu en later.
Hier slapen kinderen van zeventien.
Hier slapen schouders en lieve jukbeenderen.
Hier slapen misschien drie echte soldaten, misschien vier.

In dit stukje staan drie gedichten geciteerd van onbekende dichters. Ik zou erg mijn best moeten doen om in de produktie van 1990 drie gedichten te vinden van gerenomeerde dichters waar je even lijkbleek van wordt. Soms hebben onbekende dichters iets gemeen met onbekende soldaten: die zijn meestal ook beter dan bekende officieren.

Leave a Reply