<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<rss version="2.0"><channel><title>Herman De Coninck</title><link>https://hermandeconinck.com/</link><description>Een eerbetoon aan Vlaanderens grootste dichter</description><language>nl-BE</language>
<item><title>Over Marieke van de bakker</title><link>https://hermandeconinck.com/over-marieke-van-de-bakker/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/over-marieke-van-de-bakker/</guid><pubDate>Fri, 18 Mar 1988 00:00:00 &#43;0100</pubDate><description>&lt;p class=&#34;article-publication&#34;&gt;De Tijd · 18 maart 1988 · opgenomen in Een Jaar Boek (1988), blz. 79–82&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;article-introduction&#34;&gt;Herman de Coninck toont in zijn essaybundel &lt;em&gt;Over Marieke van de bakker&lt;/em&gt; aan dat het wel degelijk mogelijk is op persoonlijke wijze om te gaan met literatuur - poëzie in dit geval - en daarbij het persoonlijke element en die literatuur beide in even ruime mate onder de aandacht van het publiek te brengen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Op het achterplat staat dat Herman de Coninck ‘de meest gelezen poëzie-commentator in Vlaanderen’ is. Nou is dat ook weer niet zo heel moeilijk want De Coninck is zowat de enige poëzie-commentator in Vlaanderen; eventueel kunnen ook nog de namen van Hugo Brems en Georges Wildemeersch genoemd worden, maar de eerste heeft een veel minder breed publiek dan De Coninck en de tweede schrijft tegenwoordig nog maar weinig over poëzie. Maar dan is het ook echt op. En dat terwijl Vlaanderen dichters produceert als een konijn jongen, zoals Benno Barnard stelde in zijn essaybundel &lt;em&gt;Tijdverdrijf voor enkle fijne luiden&lt;/em&gt;.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Toch wil dat niet zeggen dat De Coninck Eénoog is in het land der blinden. Hij heeft een scherpe blik voor wat wel en wat niet kan in de poëzie, hij weet wat hij van goede poëzie verlangt en hij is in staat zijn standpunten daarover helder uiteen te zetten. Wat daarbij vooral opvalt is de hoeveelheid bijna aforistische formuleringen; zonder ook maar de geringste vorm van betweterij komt De Coninck tot een groot aantal uitspraken die zo in een citatenboek zouden kunnen worden opgenomen. En wat misschien wel zijn belangrijkste kwaliteit is: zijn standpunten zijn hoogstpersoonlijk maar bieden tegelijk de ruimte om ook heel anders geaarde poëzie te appreciëren.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De titel van de bundel verraadt al een beetje de schijnbaar luchtige toon waarop de essays zijn geschreven. Die titel slaat namelijk op een mop. Een onderwijzer laat Beethovens &lt;em&gt;Pastorale&lt;/em&gt; horen. Op zijn vraag waaraan dat de leerlingen doet denken luidt het eerste antwoord: Aan een onweer in een groot bos, meester. Uitstekend, zegt de meester. En jij daar, Janneke, waaraan doet jou dat denken? Aan Marieke van de bakker, meester. De Coninck voegt hieraan toe (en Herman Brusselmans zou er veel van kunnen leren): ‘Goede poëzie doet het omgekeerde. Het onderwerp is slechts middel. Dat mag zelfs Marieke van de bakker zijn, als het gedicht daardoor ook maar iets zegt over alle vrouwen ter wereld. Het concrete is een middel tot het abstracte, nooit andersom’.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Deze poëtica is overigens niet bepaald revolutionair. Maar het gaat minder om die opvatting dan om de wijze waarop De Coninck zich in het titelessay ernaartoe geschreven heeft. Hij vraagt zich af waarom slechte gedichten slecht zijn, en zonder daarop een rechtstreeks en definitief antwoord te geven - dat kan ook niet want geen enkel antwoord is een echt antwoord maar voegt mysterie toe, aldus De Coninck - onderscheidt hij drie soorten slechte poëzie: de grote braakpoëzie die wordt geschreven ‘vanuit het idee dat een tekst sterker is als je met een voorhamer op de toetsen slaat’; de (bij voorkeur ongelukkige) liefdespoëzie die de gevoelens rechtstreeks verwoordt, en de kosmische poëzie die door te veel te willen zeggen niks meer zegt.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Deze drie soorten slechte poëzie hebben nogal wat misverstanden gemeen: dat grote gevoelens automatisch grote poëzie zouden opleveren; dat met name de slechte liefdespoëzie niet voor &lt;em&gt;de&lt;/em&gt; lezer maar slechts voor één bepaalde lezer is geschreven (maar desondanks naar tijdschriften wordt opgestuurd); dat het uitroepen van gevoelens hetzelfde zou zijn als die gevoelens oproepen; en dat een gedicht over een onderwerp zou &lt;em&gt;moeten&lt;/em&gt; gaan (terwijl dat wel màg, ‘maar dan moet er met dat onderwerp, dat feit, die gedachte, die gevoelens wel eerst iets gebeuren’).&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Daarmee geeft De Coninck een negatief geformuleerde blauwdruk voor wat hij verwacht van goede poëzie. Toch komt die in deze bundel maar éénmaal ter sprake, in het essay over Dèr Mouw (en dan nog met de nodige kritische kanttekeningen). Het aardige is dat De Coninck kosmische poëzie afwijst maar die van Dèr Mouw, waarvan hij zelf zegt dat er niets is dat er &lt;em&gt;niet&lt;/em&gt; in optreedt, toch in hoge mate waardeert. Niet alleen om de manier waarop Dèr Mouw zijn visionaire extasen verbeeldt, ook om zijn verrassende banaliteit. Of eigenlijk: om de vermenging van die twee. Die waardering zegt heel wat over De Coninck zelf.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Voor het overige gaat de aandacht uit naar de mindere goden, de dichters die van hem een zeven krijgen. Dat is tevens de titel van het middenluik van deze bundel: ‘Zeven’. Zeven opstellen over dichters die hij een zeven geeft, terwijl het werkwoord zeven natuurlijk ook betekent wat de criticus geacht wordt te doen. Deze opstellen zijn stuk voor stuk de moeite waard alleen al om de toon waarop ze zijn geschreven, maar het is jammer dat De Coninck nogal eens blijft steken in aanzetten of het betoog afbreekt wanneer het juist interessant begint te worden.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het opstel ‘Religie en geouwehoer’, over de poëzie van Gerard Reve, is zo&#39;n voorbeeld van grofmazig zeven: de op zich interessante gedachten en stellingen worden niet voldoende uitgewerkt. Daarnaast beschouw ik het als een gemis dat de originele versies van de gedichten van Paul Goodman en Margaret Atwood, die De Coninck heeft vertaald, niet in deze bundel zijn opgenomen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Daar staat tegenover dat twee zevens een hoge waardering verdienen (één zeven krijgt van mij zelfs een tien): de portretten van Jacques Brel en KoR van der Goten. Met een betrokkenheid die ik niet anders dan liefdevol kan noemen schrijft De Coninck over hun werk en persoon. Met name door het portret van de op ongeveer alle terreinen van het leven volledig vastgelopen Van der Goten werd ik getroost met het besef dat geen mensenleven zo volkomen kan mislukken of de literatuur biedt de mogelijkheid er een waardevolle mislukking van te maken.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;KoR van der Goten?&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De zichzelf tot het bittere einde ‘sjansonjee’ noemende ex-copywriter, de Heintje Davids van de Vlaamse kleinkunst, de man die de dreun van zijn echtscheiding nooit te boven is gekomen, die aan de drank raakte, in een psychiatrische inrichting belandde, die vanaf 1973 tien jaar lang, ‘bijna publiekelijk’, een wrak was - in 1983 is het, ‘na een crematie met plusminus vijf aanwezigen, zo ver gekomen dat iemand onder de veertig eerst uitgelegd moet krijgen wie KoR van der Goten wàs’.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De Coninck legt dat uit - en legt daarmee indirect iets over zichzelf uit. Hoe belabberd de teksten van Van der Goten ook waren, De Coninck is door hem geboeid om de heroïek van zijn zieligheid. De Coninck is, zo stelt hij, niet zozeer gefascineerd door de vergankelijkheid van de roem als wel door ‘de onvergankelijkheid van de mislukking’. Door die fascinatie te projecteren op Van der Goten geeft hij aan hoe sterk voor hem de band is tussen literatuur en leven. ‘De eerbied voor een tekst verschilt trouwens fundamenteel niet zozeer van eerbied voor het leven tout court’, schrijft hij elders.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wat hij in de poëzie van Dèr Mouw waardeert is dan ook niet wezenlijk verschillend van zijn fascinatie voor mensen als Brel en Van der Goten die ieder op hun eigen manier hetzelfde zochten: het grootste gebaar, de drang naar àlles, de wil om het leven totaal te ondergaan en vooral de moed zich aan de beheerste stijl te onttrekken. Waar De Coninck zichzelf beschouwt als iemand van de rechte lijn, iemand die zijn gemoed voortdurend dempt in zijn stijl (hij hanteert het understatement dan ook als een ontleedmes), herkent hij in anderen de oorspronkelijke, niet in toom gehouden erupties van het gevoel of van het leven zelf. Hij wordt gefascineerd door wat hij zelf óók is maar waaraan hij niet toegeeft, wat hem bedreigt en waartegen hij zich verzet: ‘Het leven zelf hééft namelijk geen stijl. Stijl is wat je moet toevoegen’. Zijn essay over KoR van der Goten is het mooiste voorbeeld van die toegevoegde stijl.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De drie slotessays onder de titel ‘De school der poëzie’ sluiten thematisch gezien aan bij het eerste deel van de bundel, getiteld ‘Onhaastig leven’. Ze vormen samen een bevlogen pleidooi vóór de rust van het denken, van de poëzie, van het zorgvuldig geformuleerde - en dus tégen het verschijnsel televisie. Zonder hem bij naam te noemen zit De Coninck in deze essays bij Neil Postman op schoot die in &lt;em&gt;Amusing ourselves to death&lt;/em&gt; eerder al een frontale aanval op de televisie deed, maar dat is niet erg: in de eerste plaats is het noodzakelijk dat het medium door zoveel mogelijk scribenten onder vuur wordt gehouden (wie ervan uitgaat ‘dat we die kritiek nu zo langzamerhand wel kennen’ is net zo gemakzuchtig en dus gevaarlijk als de televisieprogramma&#39;s zelf), in de tweede plaats gaat het hier niet om een vrijblijvende tirade tegen een cultuurdodend massaverschijnsel maar om de verdediging van niets minder dan een bestaanswijze die dreigt te worden aangetast: de vrijheid van het onafhankelijke denken, de mogelijkheden van de taal, het leven met en in de literatuur. Die wezenlijke betrokkenheid verdient alle aandacht.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;article-citation&#34;&gt;‘Met de tong tussen de schuifdeuren’. Uit &lt;em&gt;De Tijd&lt;/em&gt;, 18 maart 1988. &lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;wp-block-quote article-editorial-quote&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;‘Ten slotte is er iets merkwaardigs aan de hand. Dat de Hollandse dichtkunst Europees kampioen is: het zal wel. Maar in &lt;em&gt;Over de troost van pessimisme&lt;/em&gt; kwam één Vlaamse dichter ter sprake (Roland Jooris), in &lt;em&gt;Over Marieke van de bakker&lt;/em&gt;, met uitzondering van - heel even - Hugo Claus, geen enkele. We hebben dan een knap essayist... Of valt de Vlaamse poëzie net tussen de “slechte” en “goede” in en wordt dat stof voor een volgende bundel?’ (Bernard Dewulf, &lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt;, 23 januari 1988) &lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;article-citation&#34;&gt;&lt;em&gt;Over Marieke van de bakker&lt;/em&gt; verscheen voor het eerst in oktober 1987.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Herman de Coninck</title><link>https://hermandeconinck.com/herman-de-coninck-willem-m-visser/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/herman-de-coninck-willem-m-visser/</guid><pubDate>Sat, 01 Jan 1994 00:00:00 &#43;0100</pubDate><description>&lt;p class=&#34;article-publication&#34;&gt;Uitgelezen 13. Reacties op Boeken · 1994 · blz. 23–33&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;article-introduction&#34;&gt;Poëzie is de meest directe omweg.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De dichter is een eigentijdse Icarus: op gevleugelde woorden verheft hij zich. IJler en ijler wordt de atmosfeer. Onder hem spant zich het spiegelend oppervlak, waarin zijn tegendeel zich met hem meet. Plots omlaagblikkend, ziet Icarus zichzelf tegen de melkweg afgetekend. Verrukt valt hij stil. En in een flits stort hij omlaag, de spiegel dichter en dichter naderend. Dan slaat hij met een klap de spiegelwereld binnen. En meteen schiet zijn ander-ik met ongekende souplesse het luchtruim in.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Losgezongen uit de onderwaterwereld.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman de Coninck gaf zijn verzamelbundel de titel &lt;em&gt;Onbegonnen werk&lt;/em&gt;. Van Michelangelo is het gevleugelde woord afkomstig dat de beeldhouwer niets anders doet dan overtollig materiaal weghakken: het beeld bevindt zich al in de steen. ‘De grootste kunstenaar kan niets verzinnen dat niet vooraf al in de steen bestaat’, aldus de vertaling door Frans van Dooren. In die zin is dichten dus onbegonnen werk: het gedicht was er al. Het moest alleen nog worden losgemaakt en naar deze wereld gehaald. Worden gedregd in woorden.&lt;/p&gt;
&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Levensloop&lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Op 21 februari 1944 werd Herman de Coninck te Mechelen gedregd uit het onbestemde.&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;Dood zijn is niet zo erg, ik deed het, voor ik&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;geboren werd, al een paar miljoen jaar.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;article-citation&#34;&gt;(De hectaren van het geheugen, blz. 20)&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Hij groeide op te midden van boeken en schrijfbenodigdheden: zijn ouders dreven een boekwinkel. Over zijn eerste publikaties vertelde hij aan Rogi Wieg het volgende: ‘Mijn moeder vond die gedichten te erotisch. Er hadden er een paar in een tijdschrift gestaan en dat tijdschrift hadden we ook in de winkel. Een klant had het blad gekocht en mijn gedichten gelezen. Later kwam hij ze mijn moeder onder de neus wrijven, zo van: “Kijk eens wat die zoon van je heeft gemaakt.” Dat gedicht staat in &lt;em&gt;De lenige liefde&lt;/em&gt;. Mijn moeder was katholiek-preuts, mijn vader daarentegen was religieus en kon het vanuit zijn optiek beter begrijpen, beter hebben.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik zou niet durven zeggen dat ik niet religieus ben. Ten slotte is poëzie ook een soort religie, zij gaat over “het nu” tegenover “het alles”, “de nietigheid” tegenover “het alles”. Die volstrekte nietigheidsverklaring tegenover “het alles”, dat meer is dan de som van de delen, is een vorm van metafysica’.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zijn studie in de letteren sloot hij in 1966 af met een licentiaatsverhandeling over de poëzietheorie van S. Vestdijk; tevens opende hij hiermee een - hopelijk onafzienbare - reeks beschouwingen over poëzie. (Onder andere gebundeld in &lt;em&gt;Over de troost van pessimisme&lt;/em&gt; en &lt;em&gt;Intimiteit onder de melkweg&lt;/em&gt;.)&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Tijdens zijn leraarschap, tussen 1966 en 1970, werd hij geconfronteerd met de vraag naar de zin van poëzie.&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;wp-block-quote&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Ik zei dus: precies de nutteloosheid van poëzie is een protest tegen al wat in deze wereld aan de orde is. Dit is een maatschappij van hebben. Poëzie hoort tot het rijk van het zijn.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Eigenlijk zeg ik dit achteraf. Als ik het toen gezegd had, was ik een goeie leraar geweest. Het was wat ik ongeveer had kunnen zeggen, had ik niet met de mond vol tanden gestaan. Hoe langer ik sindsdien echter over die vraag gedacht heb, hoe minder dom ik ze ging vinden, maar hoe onvollediger mijn antwoord erop. Poëzie dient namelijk wèl ergens toe.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; (Over de troost van pessimisme, blz. 7/8)&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Toch goed dat er kritische leerlingen zijn.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In de bespiegelingen die hierop volgen, komt De Coninck tot een aantal markante uitspraken. Een keuze hieruit:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;wp-block-quote&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Poëzie is bij uitstek het domein waar er niet toegeëigend wordt.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Het resultaat is dan dat je èn iets gemaakt hebt, èn het al makend uit je losgekapt hebt. (blz. 18)&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman de Coninck wordt - omdat dat ooit gebeurd is - voortdurend gekoppeld aan het begrip ‘nieuw-realisme’. En inderdaad kan zijn poëzie bij eerste lezing de indruk wekken, dat hij niet veel meer doet dan zich verwonderen over de alledaagse werkelijkheid, die dòòr het gedicht en in het gedicht aan het licht gebracht wordt. Het gedicht maakt zich los uit de realiteit, en vervolgens ontplooit zich een andere werkelijkheid, door middel van het gedicht: de werkelijkheid van de lezer, waarbij moet worden aangetekend, dat de dichter de eerste lezer is.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;‘Mij [...] wordt weleens verweten dat ik in mijn poëzie te veel aan de alledaagse werkelijkheid gebonden ben, dat ik huis-, tuin- en keukenpoëzie schrijf. Onzin, want ik schrijf over die huiselijke dingen als over leven en dood. Het leven speelt zich, in al zijn facetten, ook af in de keuken.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Als ik getroost ben door mijn poëzie, ga ik ervan uit dat de lezer ook getroost zal zijn. In erg afgezwakte zin schrijf ik eigenlijk romantische gedichten.’ (Interview Rogi Wieg)&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In de bundel &lt;em&gt;Zolang er sneeuw ligt&lt;/em&gt; schrijft Herman de Coninck over de dood van zijn eerste vrouw, in 1971. Nee, mis. Dan zou de bundel toch neo-realistisch zijn. Het moet anders geformuleerd worden. Opnieuw: in deze bundel staan gedichten waarin Herman de Coninck het verongelukken van zijn vrouw zodanig in woorden onderbrengt, dat met de dood te leven valt. Althans, tijdens het lezen. ‘Elk gedicht is een overwinning op zijn eigen onderwerp’. (&lt;em&gt;Over de troost van pessimisme&lt;/em&gt;, blz. 18)&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;Je zei nooit wat, je zei altijd met je ogen,&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;zoals je daar lag, te zieltogen,&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;te zielogen.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;En je ogen die je zoon nu in heeft staan,&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;waarmee hij zegt: niet weggaan -&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;Je zei nooit wat, hij zegt het, en jij kijkt mij aan.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;article-citation&#34;&gt;(Onbegonnen werk, &lt;em&gt;blz. 108&lt;/em&gt;)&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Soms breekt een geliefde door de spiegelruit, soms verdwijnt ze achter matglas. Dan heb je het nakijken. Nee, meer dan dat: het terugdenken, in ruime mate, zwervend over ‘de hectaren van het geheugen’.&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;Maar door het verleden wordt het bij elkaar&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;gehouden, als schapen door een herder.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;article-citation&#34;&gt;(Onbegonnen werk, &lt;em&gt;blz. 197&lt;/em&gt;)&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het desolate ‘verder’ krijgt een evenwicht door het rijmwoord ‘herder’. De troost van woorden.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zo op het oog heeft Herman de Coninck een redelijk evenwicht gevonden, na enerverende tijden. Hij is inmiddels een autoriteit geworden: samen met Hugo Brems bezorgde hij de Vlaamse poëziebloemlezing voor de Boekenweek 1994. Als recensent valt hij in gunstige zin op, doordat hij het te bespreken boek en de lezer met respect benadert.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Sinds een aantal jaren is hij getrouwd met de schrijfster Kristien Hemmerechts. En om het evenwicht compleet te maken: Kristien schrijft overdag, Herman &#39;s nachts. Overdag ziet hij zijn wederhelft; &#39;s nachts, zittend voor de zwarte ruit, zijn spiegelbeeld.&lt;/p&gt;
&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;De hectaren van het geheugen&lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In &lt;em&gt;De hectaren van het geheugen&lt;/em&gt; liggen veertig gedichten ingebed tussen een ‘Proloog’, getiteld ‘Genesis’, en een ‘Envoi’. Beide ‘gaan over’ de schepping van de mens op de zesde scheppingsdag. In het eerste gedicht wordt de schepping als ‘af’ geschetst; af, maar leeg. In beide gedichten beginnen opvallend veel zinnen met ‘En’. Dit kan duiden op invloed van de bijbel, maar dat is dan alleen een constatering. Belangrijker is de interpretatie van dat ‘En’. Zowel in de bijbel, als in deze gedichten suggereert het voortgang, een begrip dat nauw met genese en Genesis samenhangt. Het gedicht ‘Genesis’ eindigt met deze regel:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;En toen zei God: en nu jij. Nee, zei Adam.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De ‘Envoi’, naar de aard een lofprijzing, beschrijft wat God ten slotte aan Adam toevoegt:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;En God vond mededogen&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;uit: En vervolgens twee armen om het in te doen,&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;wat al niet, klaarkomen, huilen, onbenullig, overbodig&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;zijn. Toen rustte Hij en dacht: wat heb ik nou nog nodig?&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;En toen schiep Hij twee ogen. -&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;Opdat ze hem zou zien terwijl hij stierf.&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;Opdat hij eindelijk zou mogen.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In zijn debuut typeerde Herman de Coninck Eva als ‘een paradijs/in de omheining van haar naam’. (&lt;em&gt;Onbegonnen werk&lt;/em&gt;, blz. 45)&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Nu geen omheining meer, maar ruimte om te leven en te sterven, mededogen, ogentroost.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Voor het zover is, moeten heel wat gebeurtenissen hun plaats in het verleden hebben. De bundel bevat opvallend veel aardrijkskundige namen en tijdsaanduidingen. Men behoeft er de inhoudsopgave maar voor op te slaan: Bas-Oha, blijkens een aantekening in de bundel &lt;em&gt;Enkelvoud&lt;/em&gt; een plekje in de Belgische Ardennen, Daverdisse, Oostduinkerke, Limburg, de Niagara, enzovoort; voorjaar, februari, een maartse zondag, en de cyclus ‘Te voet over de Lethe’, een rivier die de mens alle grenzen van ruimte en tijd doet passeren. En dat begint dus allemaal met ‘Genesis’, een gedicht over het passeren van dezelfde grens vanuit een hiervoormaals naar deze werkelijkheid.&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;Het was de zesde dag. Adam stond klaar.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Klaar. Af, gereed, en zo op het oog ook bereid. Maar voor het klaarkomen, voor de volkomenheid, is de wederhelft nodig.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De eerste cyclus, ‘Bergen van onverschilligheid’, ontleent de titel aan het gedicht ‘Bas-Oha 6’ (blz. 17):&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;Ik wel weet ze liggen daarachter,&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;de ruggen die het allemaal over zich heen&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;laten gaan, bergen van onverschilligheid.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;Hoge bomen vangen veel wind,&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;bergen niet.&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;Wind heeft het over weggaan. Zij blijven,&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;werken &#39;s nachts aan steenkool,&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;zoals ook mijn dromen werken aan zwarte&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;inkt, waarmee ik morgen schrijf.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Telkens komt dit weer ter sprake: het niet meer willen, niet meer kunnen, maar wel moeten. Alles is leeg, zoals al in ‘Genesis’ te lezen was:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;Hij had de bergen gezien, opbergruimtes van&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;alleen maar zichzelf, hoge leegstaande kelders.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Moet je die leegte dan dichten met gedichten? ‘Nee, zei Adam.’&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En dat was meteen zijn antwoord, zijn gedicht. Met zwarte inkt geschreven te midden van het wit, zwartgallig, melancholiek.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;‘Maar ik zie melancholie inderdaad nogal positief. [...] Melancholie is een soort uitdijen van onlustgevoelens in bijna behaaglijk gemijmer. Niet ik schoot te kort, maar het leven.’ (Interview &lt;em&gt;Beroepsgeheim 4&lt;/em&gt;, blz. 189) En melancholie is het huis van al onze gevoelens. (&lt;em&gt;Over de troost van pessimisme&lt;/em&gt;, blz. 28)&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De tweede afdeling, ‘Ik zie wat ik heb. Ik heb wat ik zie.’, kan men ondergaan als een soort inventarisatie van waarden na verlies, een hervinden van evenwicht. De titel suggereert het al, zowel door de formulering als door de nadrukkelijke punt die erachter staat. Ook in de vorm van de gedichten is het waarneembaar. De gedichten in het eerste deel zijn veel wisselvalliger van vorm. Het tweede deel bevat vier sonnetten, en ook de drie andere gedichten zijn evenwichtig opgebouwd. Over de vorm spreekt trouwens ook het eerste gedicht van de afdeling:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;Als hij zomaar van haar weg kon gaan&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;naar een ander land, een ander ik, een andere vrouw -&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;maar hij laat haar niet achter, maar zichzelf.&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;Tederheden die hij was, jongetjes van elf&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;die hij bij haar mocht zijn, zeurend,&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;bijna vrolijk, over hun kleine gemisjes,&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;tot hij eindelijk zwijgt, bijna treurend&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;van groot geluk, mannetje van tachtig.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;In de antieke wetenschap ging de mare&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;dat berinnen hun vormloos geboren jongen&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;in de berenvorm likten. Zo omslachtig&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;zoenen zij elkaar.&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;Zij krijgt hem in de ik-vorm,&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;en streelt hem tot de hare.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Van dit gedicht is een eerdere versie in handschrift beschikbaar, die duidelijk maakt hoe Herman de Coninck met een gedicht onderweg kan zijn naar de uiteindelijke vorm.&lt;/p&gt;
&lt;figure class=&#34;wp-block-image aligncenter&#34; style=&#34;text-align: center;&#34;&gt;&lt;img alt=&#34;Handschrift van een eerdere versie van Als ik zomaar weg kon gaan van jou&#34; decoding=&#34;async&#34; height=&#34;409&#34; loading=&#34;lazy&#34; src=&#34;https://hermandeconinck.com/images/bron-dbnl/herman-de-coninck-handschrift-uitgelezen-1994.png&#34; width=&#34;450&#34;/&gt;&lt;/figure&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;Als ik zomaar weg kon gaan van jou&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;naar een ander land, een andere [...],&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;een andere persoonlijkheid (zoiets om uit&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;een stalenboek te kiezen), een andere vrouw -&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;maar ik laat jou niet achter, maar mezelf.&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;Tederheden die ik was, jongetjes van elf&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;die ik bij jou mag zijn, mannetjes van tachtig,&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;alles wat we samen lelijk vinden, samen prachtig.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;In de antieke wetenschap nam men voor waar&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;aan, dat berinnen hun vormeloos geboren jongen&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;in de beervorm &lt;u&gt;likten&lt;/u&gt;. Zo hebben wij elkaar&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;plusminus bij mekaar gezoend, is het&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;met twintig vingers dat wij strelen.&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;Ook als ik wegga, blijven we met velen.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wat meteen opvalt, is dat het gedicht van de eerste persoon is overgebracht naar de derde persoon, waardoor het loskomt van een bepaald individu en eerder algemeen toepasbaar wordt. Dit is voor De Coninck trouwens één van de boeiende aspecten van poëzie, zoals hij uiteenzet in &lt;em&gt;Over de troost van pessimisme&lt;/em&gt;, (blz. 24):&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;wp-block-quote&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Dit is een mooie aanleiding om er even Vestdijk bij te halen. In ‘De glanzende kiemcel’ noemt hij als een van de kenmerken van poëzie haar concentratie. Poëzie concentreert vergeleken bij proza al door haar grotere beknoptheid, poëzie is korter, gebalder, er staat wit omheen. Een roman gaat over welbepaalde figuren, Jozef Huppelepup en Maria Speermalie. Een gedicht gaat over iedereen, een vrouw in een gedicht is niet Maria, maar, zelfs als ze zo genoemd wordt, dé vrouw. Alle romans van Louis Paul Boon spelen zich te zamen af in Aalst. Elk gedicht speelt zich overal af. Poëzie concentreert in de ruimte. Maar ook in de tijd. Een roman speelt anno zoveel, een gedicht altijd. Doordat een gedicht ook niet gaat over deze ene ervaring, maar over alle voorgaande en toekomstige gelijkaardige ervaringen ineens.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Nu kan men tegenwerpen, dat bovenstaand gedicht toch altijd nog slechts toepasbaar is op de helft van de potentiële lezers, namelijk op de mannelijke. Dit is een misvatting: het gaat om de verwoording van een situatie, van gevoelens, en die zijn algemeen menselijk. Je moet bij het schrijven nu eenmaal kiezen tussen hij en zij. In de handschriftversie had de dichter een mannelijke ik-figuur in gedachten, dus dat hij daarmee verdergegaan is, ligt voor de hand. Qua klank is de winst die de hij-vorm oplevert, dat het eerste kwatrijn getoonzet is in de a-klank: zomaar - haar - gaan - naar - laat - haar - maar. Deze grondtoon draagt het gedicht naar het slotwoord: de hare.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Nu we ons toch met de klank bezighouden: de rijmvormen zijn ook ingrijpend gewijzigd. Vooral het tweede kwatrijn had wel erg goedkope rijmwoorden: mezelf - elf; tachtig - prachtig. Sinterklaas zou zich er niet voor hoeven te schamen. Dat het rijm daar erg ‘close’ was, past overigens wel bij de inhoud van de strofe; gepaard leven - gepaard rijmen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Toch vind ik de rijmvormen in de definitieve versie beter, en meer in overeenstemming met de inhoud van het gedicht; woorden die - soms dicht bij elkaar, soms over grote afstand - naar elkaar haken.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Inhoudelijk is er ook nogal wat veranderd. De belangrijkste wijziging betreft mijns inziens het feit dat de beginregel ‘Als hij zomaar van haar weg kon gaan’ door het slot van het gedicht naar de vergetelheid lijkt gebannen, al is hij wel opgenomen in de hectaren van het geheugen. Maar toch: even niet aan denken.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De vraag wat literatuur is, is nooit in de vorm van een definitie te beantwoorden; daarvoor is het onderwerp te subjectief. Maar wel kan men twee criteria noemen waaraan een literair werk moet voldoen. Op het gebied van de inhoud mag de lezer verwachten dat het werk hem iets doet, of anders gezegd: dat het zich leent voor interpretatie. Ten aanzien van de inhoud mag men als eis stellen dat het juiste woord op de juiste plaats staat, anders gezegd: dat de woorden een zodanige samenhang tonen, dat elke verandering de orde verstoort.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;S. Vestdijk onderscheidt nog een derde categorie: naast vorm en inhoud plaatst hij - althans met betrekking tot poëzie - de klank, waarschijnlijk onder invloed van de nagalm der Tachtigers. Ik zie niet in, waarom we de klank van een gedicht niet bij de vormkenmerken zouden opnemen: de klanken zijn immers plaatsgebonden.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Welnu, de handschriftversie was niet slecht.&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;Maar ik hou eigenlijk nog meer&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;van een groep woorden die zich samen&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;plotseling bijzonder intiem gaan voelen&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;en zeggen: laat ons nou maar altijd&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;bij elkaar, er hoeft er geen meer bij te komen.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;article-citation&#34;&gt;(Onbegonnen werk, &lt;em&gt;blz. 69&lt;/em&gt;)&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Een tiental ‘In memoriam matris’-gedichten vormt de derde afdeling, getiteld ‘Glasscherven in de zon’. De moeder van Herman de Coninck is door de spiegelruit verdwenen; door middel van de gedichten, meestal in de tweede en derde persoon geschreven, roept hij een moeder op, niet bij wijze van herinnering, maar als in een duurzame heugenis.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De vierde afdeling, ‘Te voet over de Lethe’, bevat uitsluitend sonnetten, een dichtvorm die De Coninck met zekere regelmaat van een zinnige inhoud voorziet sinds hij de sonnetten van Edna St. Vincent Millay bewerkte, in ‘Ter ere van de goedertieren maan’, opgenomen in &lt;em&gt;Onbegonnen werk&lt;/em&gt;.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In één van de interviews met Willem M. Roggeman noemde hij het sonnet ‘het genre van gebeeldhouwde grandeur’. (&lt;em&gt;Beroepsgeheim 4&lt;/em&gt;, blz. 189) Het is een bij uitstek evenwicht-zoekende dichtvorm. Na alle onvermogen, in de bundel verwoord, - ‘Nee, zei Adam’, het onvolkomen vaderschap, de onmacht tegenover de gestorven moeder, het eigen tekort tegenover de superieure vrouw - brengt de ‘Envoi’ het slotakkoord:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;En toen schiep Hij twee ogen. -&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;Opdat ze hem zou zien terwijl hij stierf.&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;Opdat hij eindelijk zou mogen.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dan worden mensenlevens niet prijsgegeven aan de vergetelheid, maar bij elkaar ondergebracht.&lt;/p&gt;
&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Enkelvoud&lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De titels die Herman de Coninck aan zijn dicht- en essaybundels geeft, bestaan doorgaans uit woordgroepen, gerangschikt in een soepel lopend ritme. En dan opeens: &lt;em&gt;Enkelvoud&lt;/em&gt;.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In een programma over Beethoven merkte de pianist Alfred Brendel op dat Beethoven de chaos van het leven omzette in de orde van zijn composities. Sprekend over emoties, zei hij dat jonge pianisten en amateurs in hun spel vaak te veel meegaan in hun emoties; een pianist moet zijn emoties filtreren om ze zuiver te houden. Ik denk dat Herman de Coninck - die tussen haakjes een liefhebber is van Beethoven - zowel het één als het ander in &lt;em&gt;Enkelvoud&lt;/em&gt; gerealiseerd heeft: orde scheppen uit de chaos en de emoties zuiver weergeven. In enkelvoud. De gedichten in deze bundel hebben vrij korte zinnen, hoekige formuleringen, korte regels: gestolde blokjes verdriet. Beelden, uitgehouwen in woorden van ijs. Allerlei vormen van verkilling in het leven - dood, scheiding, gemis, te kort schieten - zijn ingevroren in taal die bij het lezen ontdooit tot emotie. Door de warmte van de lezer, die er op zijn beurt koud van wordt.&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;Het wordt hier meer dan donker.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;article-citation&#34;&gt; &lt;em&gt;(blz. 44)&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Toch bevat deze bundel ook enkele aanzetten tot een zich verheffen, tot een vervolg. De ene keer spreekt dat uit de verbondenheid met iemand, zij het aarzelend, de andere keer uit een poging te leven met de dood, ook met de eigen dood. Dit laatste zie ik bijvoorbeeld in het gedicht ‘Bas-Oha’ (blz. 40), waarvan de eerste strofe als volgt luidt:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;De grijsgebiesde Maas. Een aak vaart,&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;met op zijn lange buik een autootje,&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;voorbij. Zo wil ik mijn leven&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;meenemen, een tweede leven in, en daar&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;zet je de auto aan wal en rijdt verder.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het begint al met dat woord ‘grijsgebiesde’, dat geassocieerd kan worden met de gangbare vormgeving van een overlijdensbericht. En dan het woord ‘auto’, dat ‘zelf’ betekent; de vorm ‘autootje’ geeft dus in zekere zin de eigen geringheid aan. Over de Lethe, over de Maas, ‘een tweede leven in’, waar het ander-ik kan verder rijden. ‘Onderweg’ is de titel van de laatste cyclus, die - evenals &lt;em&gt;De hectaren van het geheugen&lt;/em&gt; - diverse aardrijkskundige namen en andere locaties vermeldt. Ten slotte is Moeder Aarde toch ons houvast in labiele situaties - herinneringen zijn vrijwel altijd plaatsgebonden - al is het maar een plekje van vertoef onder de melkweg.&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;Zo voorzichtig als doorschijnende papiertjes&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;tussen de bladzijden van een duur etsboek&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;ligt bijna lichtblauw licht hier&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;over alles heen, bladzijde 1991.&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;Zien en ontzien zijn hetzelfde. Zo nu.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;Zoals het huis slaapt, af en toe tikt&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;een regendruppel uit de lekke dakgoot, zorgvuldig&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;als uit een pipet, drie druppels per uur&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;heeft de dokter tegen god gezegd, dat is&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;genoeg om de wereld te doen slapen, zo altijd.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;Onder melkwegen, onder lichtjaren verte,&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;onder donkerjaren nacht:. En het gaat fijntjes&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;regenen, alsof iemand duizend en één spelden laat vallen&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;die hij straks weer allemaal moet oprapen. Zo overal.&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;Zo nu, nu, nu tot het op is.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;article-citation&#34;&gt; &lt;em&gt;(blz. 39)&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zo nu, zo altijd, zo overal. Onbewogen tikt God zijn eeuwigheid uit in druppels tijd. Tijd, die weer wordt opgeraapt, herleid, gedicht.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman de Coninck heeft het licht gefiltreerd in zijn levensboek anno 1991, in zijn sprookje van duizend en één nacht. Ziende op en omziende naar het onbegonnen werk zijner handen kan hij hopelijk voortgaan.&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;Zoals Alfred Brendel na twintig jaar Schubert&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;naar zijn vingers kijkt. Zij&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;hebben het bestaan.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;article-citation&#34;&gt; &lt;em&gt;(blz. 21)&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Religie&lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In het interview met Rogi Wieg noemt Herman de Coninck de poëzie in die zin religieus, dat zij gaat over ‘het nu’, ‘de nietigheid’ tegenover ‘het alles’. Dit aspect is in zijn werk inderdaad in belangrijke mate aanwezig. Re-ligie betekent immers letterlijk zoveel als: herstellen van de band. Er breekt iets af in het leven, dat heelgemaakt wordt in woorden.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Althans, dat is het streven. De dichter, heel-meester, is op zoek naar evenwicht. Wanneer de werkelijkheid hem ontvalt, of wanneer hij zelf aan de werkelijkheid dreigt te ontvallen, dicht hij de ontstane leegte met een nieuwe werkelijkheid. Of: zo goed als nieuw.&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;Het is allemaal al zo vaak gebeurd&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;in deze tweedehandse werkelijkheid&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;dat Christus vandaag de dag nog hoogstens&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;zou kunnen zeggen: zie ik maak alles&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;zo goed als nieuw.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;article-citation&#34;&gt; &lt;em&gt;(Onbegonnen werk, blz. 106)&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Een speels element natuurlijk. Maar zeker geen flauwiteit. Christus zegt, dankzij het enjambement in regel 4: ‘zie ik maak alles’, en ‘maken’ en ‘dichten’ hebben oorspronkelijk dezelfde betekenis. ‘Ik maak alles zo goed als nieuw’, want het was er al. Wat nieuw is, heeft geen voorgeschiedenis, geen geheugen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Nog zo&#39;n grapje:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;En in bed, ik kwam al van ver aan-&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;gerend declamerend ‘Hier Ruk Ik Aan&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;Met Een Erectie Als Een Pompiersladder&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;Om Jouw Brand Te Blussen’ en we lachten&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;en wat maakten we een leven&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;dat we negen maanden later&lt;/em&gt; &lt;br/&gt; &lt;em&gt;Tomas zouden noemen.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;article-citation&#34;&gt; &lt;em&gt;(Onbegonnen werk, blz. 105)&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In zijn opmerkingen ‘Bij de tiende druk van &lt;em&gt;De lenige liefde&lt;/em&gt;’ vertelt Herman de Coninck dat hij met deze regels bij nader inzien toch wat moeite heeft. Maar om de uitbundigheid wil hij het beeld niet kwijt. Terecht. Wat máákten we een leven... Is het niet om buiten jezelf te geraken? Het zich verheffen en zich storten in de vrouw, waardoor een mens, zo goed als nieuw, wordt gedregd uit het onbestemde om zijn stem te laten horen, en die een naam mag hebben: Tomas. Ongelofelijk.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De dichter, de maker, herstelt de band tussen deze wereld en de andere.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Hij doet dat door de andere wereld aanzijn te geven in woorden.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Poëzie is de meest directe omweg.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Opgevoed in zwijgzaamheid</title><link>https://hermandeconinck.com/opgevoed-in-zwijgzaamheid/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/opgevoed-in-zwijgzaamheid/</guid><pubDate>Wed, 01 Jan 1997 00:00:00 &#43;0100</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Opgevoed in zwijgzaamheid.&lt;br/&gt;
Het is sindsdien mijn vak: woorden zoeken&lt;br/&gt;
die zwijgen. Die je niet hebt,&lt;br/&gt;
maar alleen kunt krijgen.&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
Misschien leerde ik het van mijn moeder.&lt;br/&gt;
‘Jongen, je weet wel,’ zei ze toen ik ging trouwen.&lt;br/&gt;
Ik heb er bundels en vrouwen&lt;br/&gt;
over gedaan om zo weinig te zeggen.&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
Om het geinige af te leren, vervolgens&lt;br/&gt;
het chagrijnige, om ten slotte thuis&lt;br/&gt;
te komen in het weinige.&lt;br/&gt;
Van de lenige liefde in de enige.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;article-citation&#34;&gt;Uit &lt;em&gt;Vingerafdrukken&lt;/em&gt;, De Arbeiderspers, 1997.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Ligstoel</title><link>https://hermandeconinck.com/ligstoel/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/ligstoel/</guid><pubDate>Wed, 01 Jan 1997 00:00:00 &#43;0100</pubDate><description>&lt;div class=&#34;poem-dedication&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Voor Jan Fabre&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;/div&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het is een soort niets dat ik zoek. Wat je overhoudt&lt;br/&gt;
als je uit de kom van je beide handen hebt willen drinken:&lt;br/&gt;
je beide handen. Geuren lanterfanten door de tuin.&lt;br/&gt;
Ik heb een ligstoel onder me waarin ik zo laag als ik maar&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
in mezelf kan liggen, op mijn rug, het onderste wat ik heb, lig.&lt;br/&gt;
Hoe is dit liggen? Zoals je een cognac afmeet door het glas&lt;br/&gt;
horizontaal te leggen, zo is dit liggen, ik heb niet veel van mezelf&lt;br/&gt;
nodig om vol te zijn, wat ik nodig heb is vooral: weinig.&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
Er is te weinig weinig. De vergevensgezindheid&lt;br/&gt;
van het niets waarin wij, als we eveneens&lt;br/&gt;
niets zouden zijn, zouden passen.&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
De lucht is zo blauw als vergeetachtigheid.&lt;br/&gt;
De lucht is zo blauw als blauwsel waarmee destijds&lt;br/&gt;
linnen werd gewassen om witter te zijn.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;article-citation&#34;&gt;Uit &lt;em&gt;Vingerafdrukken&lt;/em&gt;, De Arbeiderspers, 1997.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Onze slaapkamergordijnen worden opzij gehouden door</title><link>https://hermandeconinck.com/onze-slaapkamergordijnen/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/onze-slaapkamergordijnen/</guid><pubDate>Wed, 01 Jan 1997 00:00:00 &#43;0100</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Onze slaapkamergordijnen worden opzij gehouden door&lt;br/&gt;
kwispels, zoals je een chique vrouw even apart neemt&lt;br/&gt;
met een hand om haar heup. (Ik zeg iets in haar oor.)&lt;br/&gt;
Zo hangt links een door mij naar links even apart genomen&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
gordijn, en rechts een door mij naar rechts even apart&lt;br/&gt;
genomen gordijn, en tussen die twee accolades in&lt;br/&gt;
mag schijn schijnen, op ons, op het bed waaruit we wakker&lt;br/&gt;
geworden zijn. Hier heeft slaap zijn vier vierkante meter,&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
hier deinen onderbewustzijnen, soms steekt uit het ene&lt;br/&gt;
een hand en uit het andere ook en hebben ze elkaar vast-&lt;br/&gt;
gehouden in al die immense Freud. Het is opgestaan uit. Dag&lt;br/&gt;
uit&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
nacht, vandaag uit het voorgaande, wij uit elkaar.&lt;br/&gt;
Soms ga ik er overdag naar kijken, ons zonder ons. Licht.&lt;br/&gt;
Leeg gedicht. Taal zonder mij. Betekenis.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;article-citation&#34;&gt;Uit &lt;em&gt;Vingerafdrukken&lt;/em&gt;, De Arbeiderspers, 1997.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>November</title><link>https://hermandeconinck.com/november/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/november/</guid><pubDate>Wed, 01 Jan 1997 00:00:00 &#43;0100</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Er hangen nog twee blaren&lt;br/&gt;
aan mijn esdoorn. Duizend andere zijn&lt;br/&gt;
rood geworden, alvorens dood.&lt;br/&gt;
Vergeten te kijken.&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
Vergeten gelukkig te zijn.&lt;br/&gt;
Nochtans had ik een tuin&lt;br/&gt;
waarin een stoel, en die stoel&lt;br/&gt;
had mij, en ik had een hand&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
en die hand had een glas&lt;br/&gt;
en mijn mond had meningen.&lt;br/&gt;
Alles had.&lt;br/&gt;
Alles had ons.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;article-citation&#34;&gt;Uit &lt;em&gt;Vingerafdrukken&lt;/em&gt;, De Arbeiderspers, 1997.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>De lenige liefde</title><link>https://hermandeconinck.com/de-lenige-liefde/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/de-lenige-liefde/</guid><pubDate>Wed, 01 Jan 1969 00:00:00 &#43;0100</pubDate><description>&lt;p class=&#34;article-publication&#34;&gt;Ons Erfdeel · jaargang 13, nr. 2 · 1969 · blz. 107–109&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De eerste dichtbundel van Herman De Coninck, &lt;em&gt;De lenige liefde,&lt;/em&gt; werd reeds bekroond met de Yang-prijs voor de poëzie. Het is zeker één van de origineelste Vlaamse debuten uit de laatste jaren. De auteur (25 jaar, licentiaat Germaanse filologie) schreef al een bundel zwartgallige kursiefjes, &lt;em&gt;Lachen dat je zwart ziet&lt;/em&gt; (Leuven, De Clauwaert, 1968). Zijn gedichten hebben veel weg van kursiefjes in versvorm, maar dan niet in de zwartgallige trant, veel meer in blauw of roze.&lt;/p&gt;
&lt;figure class=&#34;wp-block-image aligncenter&#34; style=&#34;text-align: center;&#34;&gt;&lt;img alt=&#34;Herman De Coninck&#34; decoding=&#34;async&#34; height=&#34;233&#34; loading=&#34;lazy&#34; src=&#34;https://hermandeconinck.com/images/bron-dbnl/herman-de-coninck-ons-erfdeel-1969.gif&#34; width=&#34;181&#34;/&gt;&lt;figcaption&gt;Herman De Coninck.&lt;/figcaption&gt;&lt;/figure&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wat mij in deze verzen aan de kursiefjesstijl doet denken, is vooral het schalkse spel met de taal. De Conincks leuke gedichten zitten vol speelse vondsten,        die je taal-invallen zou kunnen noemen. Hij ontrichelt in de regel de afgesleten taalgewoonten en verkrijgt spitse taaleffekten door de taal a.h.w. op heterdaad in haar verrukkelijke onzin te betrappen. Hij ‘vindt’ talrijke grappige en verrassende beelden doordat hij een zachtaardige anarchie in het taalspel teweegbrengt. Hij speelt luchtig met verschuivingen tussen de letterlijke en figuurlijke zin van een woord of een mededeling, amuseert zich met verrassende omkeringen in de taalkode, denkt en schrijft door op een metafoor die, lekker doorgedacht, voorwerp wordt van absurde humor. De twee hoofdkenmerken van zijn poëzie lijken mij dan ook te zijn dat de dominerende toon ervan speels is en dat zij, technisch gezien, staat of valt met het verrassende beeld. Als de dichter in het laatste gedichtje van zijn &lt;em&gt;ars poetica&lt;/em&gt; ironisch schrijft dat hij de taal wil ‘dynamiteren tot een / gebeurtenis waar veel mensen / komen naar kijken’ (p. 69), dan doet hij dat vooral door de zachtmoedige anarchie van zijn beeldvondsten. De frekwent voorkomende techniek van het animisme vergemakkelijkt de verrassende beeldoverdracht. Zo kan hij zeggen dat ‘de bloemen de perken te buiten gaan’, dat flamingo&#39;s ‘met een dun pincet hun tenen uit het water oppikken’, dat het prettig is voor een tribune ‘vol te zitten’, enz... Een zeer mooie vondst is wel de laatste strofe van het gedicht &lt;em&gt;aan buddingh&#39;:&lt;/em&gt; daar wordt gezegd dat de dichter vooral houdt van ‘een groep woorden die zich samen / plotseling bizonder intiem gaan voelen / en zeggen: laat ons nou maar altijd / bij elkaar, er hoeft er geen meer bij te komen’ (p. 68).&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In verband met het beeldende karakter van de poëzie mag er ook op gewezen worden dat de auteur zoveel surprise-effekten bereikt met humoristische vergelijkingen. Flamingo&#39;s zijn ‘rose &lt;em&gt;als&lt;/em&gt; gedachten van een maniërist’, bomen en vrouwen horen thuis in de wereld &lt;em&gt;‘zoals&lt;/em&gt; de beste spelers in een voetbalploeg’, de zon is ‘eenzaam &lt;em&gt;als&lt;/em&gt; een coming man’, het gras staat rechtop ‘&lt;em&gt;als&lt;/em&gt; zwaarden in vuisten aarde’, de zon staat te blozen ‘&lt;em&gt;als&lt;/em&gt; een franciskaan’, de rivier slingert zich door het land ‘&lt;em&gt;als&lt;/em&gt; machtsgevoel door een koning’, het landschap komt op ons toe ‘&lt;em&gt;als&lt;/em&gt; een kelner met weiden op zijn handen’, enz. Dergelijke beeldspraak gaat in de richting van de absurde taalhumor. Ze schept in deze bundel een klimaat van studentikoze schalksheid, maar het blijft een dartel taalspel zonder snaakse pozes. Om dit soort poëzie dat (een beetje in de aard van de Nieuwe Stijl) van alle hout pijltjes maakt, te doen overkomen is, dunkt me, op de eerste plaats een grote taalgevoeligheid vereist, en die bezit Herman De Coninck ongetwijfeld.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Toch wil ik niet de indruk wekken dat de poëzie van Herman De Coninck alleen maar een spelen met de taal zou zijn (al lijkt me dat voor een dichter al heel wat!). Nog om een andere reden doet zij mij aan kursiefjes denken, namelijk omdat haar verrassende frisheid zowel steunt op een ‘kursieve’ manier van zeggen als van &lt;em&gt;zien&lt;/em&gt;. Zijn gedichten zijn vluchtheuveltjes waarop &#39;n momentje dartel gestoeid kan worden met de taal en ook met de werkelijkheid. Herman De Coninck geeft zijn gedichten als ‘geruststellend’ uit. Het niet-verontrustende karakter van zijn gedichten zal wel verband houden met de soepele en humoristische lenigheid waarmee de dichter de werkelijkheid benadert. Deze lenigheid heeft verschillende aspekten die allemaal samen dat speciale, geruststellende klimaat van de bundel uitmaken. De Conincks lenigheid kan romantischweemoedig zijn als in de cyklus &lt;em&gt;met de vedel,&lt;/em&gt; of gul genietend van de kleine wonderen van het leven, of nog kinderlijk-eenvoudig. Wat mij vooral treft en bekoort in deze bundel van een jong dichter, is het soepele vertrouwen in de werkelijkheid. Hij tracht gedichten te maken waarin hij kan wonen. De gedichten komen voort uit een geruststellend gevoel van prille verwondering over de bewoonbaarheid van het leven, vooral dan het liefdeleven. Dit geeft hun de bekoorlijkheid van de ongekomplekseerde eenvoud. Heel vaak schrijft De Coninck over prille, mooie en zuivere dingen als de zon, bomen, bloemen, vogels, water. Ook de liefdebeleving komt in de sfeer van deze verrukkelijke spontaneïteit en lenige natuurlijkheid terecht. Ik telde tenminste tien keer kinderlijke uitroepen als ‘o’ of ‘kijk, zie’... De Coninck ironiseert wel zijn kinderlijke verwonderingen en hij relativeert het lenige gedartel wel. Maar dominerend in zijn kursieve manier van zien is zijn ontwapenend vertrouwen, waarmee hij de banaliteit poëtiseert. Misschien maakt dit zijn poëzie ook een beetje broos. Hij alludeert vaak subtiel en verfijnd, hij dartelt wat rond hete ijzers en monkelt alles weg met zijn beminnelijke taalvondsten.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In dit gevoelsklimaat van lenig vertrouwen in de werkelijkheid kwamen mij een paar reminiscenties aan de poëzie van de jonge Paul Snoek voor de geest: het gedicht &lt;em&gt;ballerina&lt;/em&gt; (p. 9) of &lt;em&gt;sprookje&lt;/em&gt; (p. 13), gedichten in de trant van ‘nevel &lt;em&gt;is&lt;/em&gt;...’ (p. 28), verzen als ‘je lichaam droomt je lichaam / en jij droomt dat het samen is / met mij. / en ik droom dit alles’ &lt;em&gt;(rêverie,&lt;/em&gt; p. 30), wendingen als: zwemmen is ‘geheimen toevoegen aan het water’ (p. 33) of &lt;em&gt;‘opnieuwe havens’&lt;/em&gt; (p. 36) en &lt;em&gt;‘nauwelijkse wind’&lt;/em&gt; (p. 45). Ik moet eraan toevoegen dat De Conincks poëzie daarentegen helemaal geen hogepriesterlijke allures of retorische zwaarte vertoont. Zijn romantiek is ‘entromantisiert’ door zijn ironische nuchterheid.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ten slotte is deze dichter ook bezig met zijn eigen dichterschap. Hij is bezig met de realiteit op zijn speciale lenige manier bewoonbaar te maken via zijn gedichten. Zijn dichten heeft ook te maken met ‘de verste betekenissen’ van de woorden. Ik verwijs naar de mooie verzen in &lt;em&gt;denkend aan vroegere gedichten&lt;/em&gt; (p. 17) en naar de cyklus &lt;em&gt;ars poetica&lt;/em&gt; (de vijf slotgedichten van de bundel). De dichter ‘duidt’ de werkelijkheid via het woord, niet echter vanuit de overtrokken problematiek van het woord, maar wel vanuit een spontaan vertrouwen in de ontdekkingskracht van de poëzie. Ironisch konstateert hij in zijn lenige ervaring van de liefde ook de ‘goeie verhouding tussen poëzie en leven’ (p. 50). Kijk, zegt hij, mijn gedicht is ‘een raam om naar de werkelijkheid te kijken’ (p. 51): alles wat in mijn gedicht staat, &lt;em&gt;bestaat,&lt;/em&gt; alles is zo echt, levend, mooi en kostbaar als de lieve dingen buiten mijn gedicht. Dit is nog zo&#39;n geval van omkering of overlapping (de werkelijkheid van het gedicht en de werkelijkheid buiten het gedicht), waaruit Herman De Coninck zulke speelse effekten puurt. Aangenaam, ga zitten, zegt hij tot zijn gedicht, alsof het de lenige geliefde zelf was, en eigenlijk &lt;em&gt;is&lt;/em&gt; het gedicht de lenige geliefde, en omgekeerd. Kortom, een fraaie, lichte en broze bundel, ongeveer zoals De Conincks rose flamingo&#39;s.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;article-citation&#34;&gt; &lt;em&gt;De lenige liefde&lt;/em&gt; door Herman Deconinck, uitgegeven in de reeks Noorderlicht van Desclée de Brouwer, Brugge-Utrecht (1969).&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Poëzie buiten reeks</title><link>https://hermandeconinck.com/poezie-buiten-reeks/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/poezie-buiten-reeks/</guid><pubDate>Wed, 01 Jan 1969 00:00:00 &#43;0100</pubDate><description>&lt;p class=&#34;article-publication&#34;&gt;Dietsche Warande &amp;amp; Belfort · jaargang 114, nr. 6 · 1969 · blz. 450–452&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;article-citation&#34;&gt;Herman de Coninck, &lt;em&gt;De lenige liefde&lt;/em&gt;, Brugge/Utrecht, Desclée de Brouwer, 1969, serie Noorderlicht.&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;wp-block-quote&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;‘Ik verkies de poëzie boven het proza, omdat dit bij uitstek het genre is, waarin men een levens- of schrijversfragment door vormelijke isolatie een bijna levensvreemde schittering en intensiteit kan geven, hoe dicht het leven er ook in benaderd wordt. Ik geloof dat het mij om dat zeldzaam soort bedrog te doen is.’&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Aldus H. de Coninck in antwoord op een enquête van het tijdschrift Ruimten (7de jrg., nr. 26, 1968), waarvan hij overigens zelf redacteur is.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Deze uitleg van de eigen poëzie is niet helemaal ter zake. Wat hier gebeurt is geen isolering van levensfragmenten, wel schepping van poëtische fragmenten. Het schijnt hier essentieel te gaan om een werkelijkheid die als poëzie beleefd wordt, of ook een poëzie die de pretentie heeft levenswerkelijkheid te zijn. Dit laatste dan opgevat niet in de zin van poëzie als levensnoodzakelijkheid, wel zo dat de werkelijkheid van het gedicht de normale geleefde werkelijkheid vervangt, opzijschuift en usurpeert. Inderdaad - en hier kunnen we weer aansluiten bij het citaat -, hoe dicht het leven er ook in benaderd wordt, deze gedichten zijn allesbehalve een weergave van dat leven. Zij zijn integendeel werkelijkheden die in hoge mate, soms zelfs volledig, hun bestaan te danken hebben aan de taal. Het zijn taalwerkelijkheden en daardoor al essentieel poëtisch. Dat ideaal wordt niet in alle gedichten bereikt, maar klinkt wel overal door als een constante tendens. Bijv. in de afdeling ‘Ars poetica’, theoretisch geformuleerd:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;‘geen sentimenten die me schrijven&lt;br/&gt;maar ik die sentimenten maak:&lt;br/&gt;“liefste” zeg ik, en dat woord&lt;br/&gt;doet me beminnen.’ (blz. 66)&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;of nog, als belijdenis van het volstrekt eigen werkelijkheidskarakter van het poëtisch bestaan, ontoegankelijk zelfs voor de dichter wanneer hij niet als dichter, d.i. als schrijvende mens optreedt:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;‘zie hoe mijn meest zachte&lt;br/&gt;gedachte&lt;br/&gt;als een pasgeboren wicht&lt;br/&gt;te ademen ligt&lt;br/&gt;in de glazen broeikas&lt;br/&gt;van een gedicht.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;en ik moet buiten blijven staan&lt;br/&gt;en kijken door de ruiten&lt;br/&gt;want ik kan er niet meer aan’ (blz. 65)&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het lijkt wel een algemene ervaring, dat het gedicht, eens geschreven, zich losmaakt van de maker om een eigen bestaan te gaan leiden, zoals het kind dat geboren is en daardoor alleen al onherroepelijk van de moeder vervreemdt. Die algemene waarheid wordt in deze poëzie bijzonder actueel, juist omdat de verhouding tussen poëzie en leven, tussen beleefde en geschreven realiteit, hier zo complex is en ook zo problematisch. Het woord wordt hier immers belangrijker dan het onmiddellijke leven. In het gedicht ‘narkissos’, op blz. 38 lezen we:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;‘ook drijf ik dikwijls rond&lt;br/&gt;in de boot van het woord “beminnen”’&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;en op blz. 26&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;‘..., met een hand die dacht:&lt;br/&gt;“ik streel”, terwijl ze streelt.’&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;of op blz. 19:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;‘in het woord “zetel” rust ik uit&lt;br/&gt;als in een zetel.’&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Naast deze directe uitspraken zou een zeer lange lijst aangelegd kunnen worden van beelden en wendingen, die hun expressiekracht minder rechtstreeks uit dezelfde instelling putten. De geciteerde voorbeelden zouden kunnen doen vermoeden dat het hier om een trucje gaat, een vrijblijvend spelletje. Niets is minder waar. Op blz. 27 staat een indringend gedicht dat a.h.w. een uitwerking is van de tragiek van deze levenshouding, die essentieel romantisch is. De dichter vlucht de werkelijkheid van het bestaan op een uiterst geraffineerde manier: niet door zijn heil te zoeken in droom, natuur, verleden of wat dan ook, in een pseudo-wereld, die via het gedicht in het bestaan wordt geroepen. Neen. De vlucht van de &lt;em&gt;tastbare&lt;/em&gt; dingen weg, is een vlucht naar de &lt;em&gt;genoemde&lt;/em&gt; dingen toe, zelfs in de cyclus liefdegedichten, waar de ‘tastbare dingen’ zo&#39;n grote rol spelen. Deze gespletenheid wordt beseft en tragisch maar bedwongen uitgedrukt in het hogervermelde gedicht:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;‘zeg: het leven is een brood&lt;br/&gt;om in te bijten en de appels zien rood&lt;br/&gt;van plezier, en nog, en nog, zeg iets.&lt;br/&gt;leer me huilen, en als ik huil&lt;br/&gt;leer me zeggen: het is niets.’&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In menig opzicht is deze poëzie verwant aan die van een ander dichter buiten reeks, Hans Lodeizen. Ook hij leefde in een wereld die hij liever ‘zou kleuren dan bewonen’. Maar waar dit conflict bij Lodeizen onmiddellijk zeer scherpe vormen aanneemt en resulteert in een onnoemelijk melancholische poëzie, daar is de toon van H. de Coninck over het algemeen heel wat luchtiger, oppervlakkiger ook. Deze oppervlakkigheid lijkt de keerzijde van zijn virtuositeit. Zolang de speelse mogelijkheden van deze taalwereld niet ten volle zijn uitgebuit, zolang er nog hoeken zijn die door verrassende verbindingen bewoonbaar kunnen worden gemaakt, kan de illusie bewaard blijven. Zolang kan ook dit dichterschap meegaan.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Met een klank van hobo</title><link>https://hermandeconinck.com/met-een-klank-van-hobo-stefaan-evenepoel/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/met-een-klank-van-hobo-stefaan-evenepoel/</guid><pubDate>Thu, 01 May 1997 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;article-publication&#34;&gt;Lexicon van literaire werken · aflevering 34 · mei 1997&lt;/p&gt;
&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Achtergronden en uiterlijke beschrijving&lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt;, de derde dichtbundel van Herman de Coninck (*1944 te Mechelen; †1997 te Lissabon), verscheen eind 1980 in twee qua uitvoering verschillende edities: één werd gepubliceerd door de Vlaamse uitgeverij Orbis en Orion (Beveren-Antwerpen), de andere door het Amsterdamse huis G.A. van Oorschot. Ook van de vorige bundel &lt;em&gt;Zolang er sneeuw ligt&lt;/em&gt; (1975) was al zo&#39;n dubbele uitgave van de persen gerold.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In 1984 werden de gedichten uit &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; nauwelijks gewijzigd opgenomen in de verzamelbundel &lt;em&gt;Onbegonnen werk 1964-1982.&lt;/em&gt; Bij die gelegenheid werd de voorkeurspelling consequent doorgevoerd en werden de erg spreektaalachtige elementen ‘niks’ en de verkorte vorm van het pronomen ‘het’ (zoals in ‘&#39;t doet er niet toe’) vervangen door de neutralere vormen ‘niets’ en ‘het’. In één gedicht verdween bovendien een erg opvallend enjambement dat over de strofegrens heenliep (‘Braille’). Belangrijker dan deze en enkele andere kleine ingrepen is dat &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; er in de verzamelbundel twee gedichten bij kreeg die, naar het in de verantwoording luidt, ‘later zijn geschreven, maar nog helemaal in deze bundel thuishoren’.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Talrijke gedichten uit de bundel verschenen vanaf 1977 in het tijdschrift &lt;em&gt;Tirade.&lt;/em&gt; Daarnaast nam ook het bibliofiele tijdschrift &lt;em&gt;Revolver&lt;/em&gt; heel wat voorpublicaties voor zijn rekening. De gedichten uit &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt;, zo valt uit interviews op te maken, zijn inderdaad ontstaan tussen 1975 en 1980; dat wil zeggen in de periode volgend op de publicatie van de vorige bundel &lt;em&gt;Zolang er sneeuw ligt.&lt;/em&gt; De auteur wees er onder andere in een interview in &lt;em&gt;Humo&lt;/em&gt; in 1985 op dat hij deze verzen hoofdzakelijk &#39;s nachts schreef; mede daardoor zouden ze beschouwelijker van aard zijn: ‘&#39;s Nachts ben je alleen met je jezelf, en zie je verder geen fluit: daar word je wat filosoferend van, zoals in &lt;em&gt;Met een klank van hobo.&lt;/em&gt;’&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De oorspronkelijke versie van de bundel bestaat uit 47 afzonderlijke gedichten die elk een eigen titel dragen (geen enkel is gepresenteerd in reeksverband). De bundel bevat geen afdelingen. Hij is evenmin van motto&#39;s voorzien.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; werd in 1982 bekroond met de Prijs van &lt;em&gt;De Vlaamse gids.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;
&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Inhoud&lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman de Coninck noemde in een interview in &lt;em&gt;Knack&lt;/em&gt; in 1987 &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; zijn meest huiselijke bundel: ‘Huis-, tuin- en keukenpoëzie noemde ik het wel eens. Zonder negatieve bijbetekenis dan, want in de keuken las ik het wereldnieuws, en in huis en tuin speelde zich leven en dood af.’ Dit citaat wijst meteen twee thematische hoofdvelden aan: de anekdotische wereld uit het doordeweekse leven met partner en (kleine) kinderen; en daarop geënt, de meer innerlijke werelden van reflectie, emotie, herinnering en verlangen. De meeste gedichten uit &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; kunnen op grond van hun thema ondergebracht worden in drie groepen, die op hun beurt uit te zetten zijn op een existentiële tijdslijn.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Sommige gedichten - vooral in het begin van de bundel - hebben de jeugd als thema, gegoten in de vorm van herinneringen aan erotische verkenningen en aan het existentialistische avontuur van de jaren vijftig. Andere - vooral naar het einde van de bundel toe - gaan over oude mensen of werden uit hun standpunt geschreven. Er zijn daarbij ook verzen die overledenen en stervende mensen portretteren. Ergens halverwege de tijdslijn houdt het overgrote deel van de gedichten zich op: daarin is een ‘ietwat oudere’ ik aan het woord die voor zichzelf een antwoord zoekt op de aloude vragen. Tot die aanzienlijke middengroep van gedichten behoren ook heel wat liefdesgedichten. Het existentiële beschouwen is in de bundel dan ook niet los te koppelen van het leven met de partner, van de idee samen een heden en toekomst te hebben, samen een verleden te zijn.&lt;/p&gt;
&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Interpretatie&lt;/h2&gt;
&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Titel&lt;/h3&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het ligt voor de hand om de titel in verband te brengen met de overheersende sfeer van weemoed in de bundel. Kernwoorden zijn dan ook: gemis, melancholie, weemoed. Het gedicht waaruit de titel afkomstig is, getiteld ‘Taarlo’, stelt dat gevoel expliciet aan de orde:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;[...]&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Wij lopen door de beiger wordende bossen van Drente.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Hoor de wind door de henna-bomen varen&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;met een klank van hobo, de zwerver onder de instrumenten.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;33, en in het midden van het donker woud&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;des levens. En met een gevoel van nergens horen&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;in de bossen thuis en thuis verloren.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;[...]&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In dit gedicht is het niet de ik, maar wel de wind die op de eerste plaats geassocieerd wordt met de hobo als ‘de zwerver onder de instrumenten’. (‘Hobo’ is overigens het Amerikaans-Engelse woord voor ‘zwerver’.) Daartegenover staat de ik die ook zwerft, maar dan ‘in het midden van het donker woud / des levens’ en ‘met een gevoel van nergens horen’. Wellicht wil de ik even ongebonden zwerven, maar zit hij daarvoor te vast aan de tijd en heeft hij te sterk behoefte aan een thuis. In het gedicht ‘Thuis’ wordt die tweespalt zo verwoord: ‘En een nergens willen thuishoren / dat hier wil blijven’. Thuis, dus.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zo bekeken, huist in de titel ‘Met een klank van hobo’ zowel nostalgie als verlangen om ècht te zwerven. Die tweezijdigheid heeft De Coninck in een interview in &lt;em&gt;Knack&lt;/em&gt; in 1984 ooit zo becommentarieerd: als een ‘terugdenken aan vroeger en vooruitdenken aan later, en niks van dat vroeger willen verliezen, zonder iets van dat later te willen missen’. Het begrip dat het terug en tegelijk vooruit willen verenigt, noemt De Coninck in het gedicht ‘Toekomst’ ‘echte weemoed’: ‘En echte weemoed, niet om hoe het vroeger was / maar om hoe het ook vroeger nooit is geweest.’ Nostalgie naar vroeger wordt doorprikt; gemis kan zo het verlangen voeden naar nu en naar later.&lt;/p&gt;
&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Thematiek&lt;/h3&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het buitelende vitalisme van De Conincks debuutperiode is in &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; zeker geluwd. Idem dito de euforie van de toen pas ontdekte taalkracht, al is de nieuwe bundel bij wijlen ook luchtig en bijna-vrolijk ironisch. In plaats van het jeugdige geweld uit de vroegste verzen is een overwegend beschouwelijke, herfstige poëzie gekomen. De thematiek van de tijd en de vergankelijkheid neemt in &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; een centrale positie in. Het meest uitgesproken is dat het geval in de gedichten over ouderen, stervenden en gestorvenen. Zij zijn voor de dichtende ik als het ware in poëzie uitgevoerde verkenningen van de eigen existentiële toekomst.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Maar dat is maar één aspect van de thematiek. Eigen aan de bundel is, zoals gezegd, de toegenomen ambivalentie tegenover dat existentiële gegeven. De levenshouding die hier in poëzie tot stand komt, laat geen illusies overeind over mogelijke zingeving van de werkelijkheid of het bestaan, maar maakt tegelijk een verzoening met de werkelijkheid mogelijk, want de ik wil in geen geval vluchten in gemakkelijke melancholie. Zo&#39;n levenshouding veronderstelt eigenlijk een voortdurend balanceren tussen gemis en realiteitszin, tussen vroeger en later, met als evenwichtsstok een dosis relativerende ironie. Daarmee wordt het Grote Gemis verkleind tot de schaal van het menselijke, wordt het Geluk van de kleine dingen en de liefde tegen sentimentaliteit beschermd. Over de liefde staat er in het gedicht ‘Huurkontrakt’ te lezen: ‘We zijn binnen voor de regen / van melancholie.’ De relatie met de partner is als een soort schuiloord, niet meer dan dat, maar dat is al heel wat. Het overheersende levensgevoel in &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; is te omschrijven als een soort lucide wanhoop. Die maakt het leven leefbaar en geeft uiteindelijk troost.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De ambivalentie gaat nog een stap verder. De Conincks ‘uitzichtloze tevredenheid’ levert namelijk het inzicht op dat de mens niet gemaakt is voor tijdloze grootsheid en dat het tijdelijke bijzonder waardevol wordt, juist omdat het eindig is. Daardoor kan het de belofte inhouden van het unieke, zo staat het voor de volkomenheid van wat onaf is. Tegen die achtergrond krijgt het beeld van veroudering en dood in deze bundel ook positieve betekenissen; vaak gebeurt dat door middel van het beeld van de wijn, zoals in ‘St. Ives, kerkhofje’:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Dit land is konservatief&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;zoals een wijnkelder dat is:&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;het heeft de tijd.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;of in ‘Voor mekaar’:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;[...]&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Vroeger was er alleen maar nu. Nu is er ook toen.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Er is meer om van te houden.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Er zijn meer manieren om dat te doen.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het individu gaat dan ook niet per definitie ten onder aan de tijd. Hij kan proberen de tijd voor zich te laten werken, zoals de wijn dat doet; of zoals de poëzie omgaat met de tijd: ‘het inmaken / van woorden, in de kelder van jezelf’ (‘Moeder’).&lt;/p&gt;
&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Stijl&lt;/h3&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ook stilistisch doet zich in &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; een aantal verschuivingen voor. De meest opvallende vernieuwing ligt in de introductie van rijm, strofische structuren en sonnetten. Die vormtechnische restricties wijzen eens te meer op De Conincks evolutie naar een meer beheerste, ingehouden poëzie. In plaats van het overvloedige gebruik van verrassende woordspelingen bevatten de gedichten nu opvallend veel paradoxen en vreemd aandoende definities. Daarnaast blijft de vergelijking (en de metaforiek die bijzonder dicht tegen de vergelijking aanleunt) nog altijd erg geliefd.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De opvallende frequentie van paradoxen vindt haar oorsprong in de groeiende ambivalentie van De Conincks poëzie. De paradox is immers het middel bij uitstek om tegenstrijdige waarheden bijeen te brengen, om de complexiteit van gedachten, emoties en dingen in poëzie intact te laten. Voorbeelden zijn er te over: ‘En je weet: ik heb niet wat ik heb.’ (‘Hérault’), of: ‘Geef mij nu eindelijk / wat ik altijd al had.’ (‘Verlanglijstje’).&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ook het toegenomen aantal definitieachtige formuleringen wijst op de meer beschouwelijke aard van de bundel. Het zijn namelijk vaak erg abstracte, niet te duiden begrippen die omschreven worden, zoals geluk, weemoed, de liefde of stilte: ‘Geluk is ineens, zaterdagmiddag in de trein / naar Amsterdam, weten dat het niet voor jou is weggelegd.’ uit ‘Even’, of ‘Weemoed is een foto van voor 20 jaar.’ (‘Foto’). Deze omschrijvingen zijn om minstens twee redenen opmerkelijk. Ten eerste verbinden ze een abstract begrip met een erg visuele voorstelling, hetgeen vooral gebeurt door middel van beeldspraak of het gebruik van een anekdotisch voorbeeld. Ten tweede zorgt die vorm van visualisering er vaak voor dat ver uit elkaar liggende werkelijkheidsdomeinen met elkaar worden gecombineerd: de normale verdeling van de werkelijkheid wordt hier grotendeels opgeheven.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dat effect gaat ook uit van De Conincks gebruik van vergelijkingen, die er een poëticale significantie door krijgen: er spreekt de overtuiging uit dat de poëzie voor geen enkel aspect van de realiteit haar poorten hoeft te sluiten. Visualiserende vergelijkingen werken herkenbaarheid in de hand, maar doordat ze verschillende soorten werkelijkheid met elkaar confronteren, roepen ze tegelijk ook vervreemding op. Enkele verrassende vergelijkingen kunnen dat effect demonstreren, zoals in ‘Ontmijner’:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Mijn handen die voorzichtig tastten naar,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;naar jouw borst, als handen van een ontmijner.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;of in ‘St. Ives, 18 uur’:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Het verschil tussen de eerste en de duizendste keer&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;met jou moet zoiets wezen&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;als het verschil tussen de eerste en de tiende keer&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Nescio lezen.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;[...]&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Vertelsituatie&lt;/h3&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De meeste gedichten zijn geschreven in de ikvorm. Zo willen de gedichten een bovenpersoonlijk perspectief, een algemeenmenselijke plek creëren, vanwaar met een bepaald, tweezijdig levensgevoel gedacht wordt over het leven, gekeken wordt naar de wereld.&lt;/p&gt;
&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Poëtica&lt;/h3&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In de poëticale gedichten wordt opnieuw de band tussen poëzie en werkelijkheid, tussen de poëzie en het leven van alledag beklemtoond. In een van beide gedichten met de titel ‘Poëzie’, dat op p. 8, valt zelfs een kreet van opluchting te horen omdat de werkelijkheid ‘na lange afwezigheid’ (lees: na het experimentele en het postexperimentele schrijven) in de poëzie teruggekeerd is. Er wordt ook naar gekeken door de ogen van iemand die lang afwezig is geweest: met verwondering, dus omdat alles nieuw lijkt. Maar ook op het poëticale vlak laat de tweezijdigheid zich gelden. Wordt in dit gedicht ‘Poëzie’ de illusie in stand gehouden dat poëzie en werkelijkheid samenvallen, in ‘Jij daar’ valt juist de nadruk op de spanning tussen beide en wordt het werkelijkheidsgehalte van poëzie geproblematiseerd:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Een heldere straat. Huizen. Zon.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Zo wou ik dat ik schrijven kon.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;En dat elk ding dat ik noemde er dan ook was.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;[...]&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het poëticale gedicht ‘De buigzaamheid van het verdriet’ - met referentie aan Lodeizen - onderstreept dan weer de wisselwerking tussen leven en dichtkunst: wat de dichter beïnvloed heeft, zo stelt de ik in dit vers, is niet een schare van toonaangevende poëten, wel ervaringen, personen, ideeën en emoties uit het geleefde leven. Tegelijk wordt de misleidende weg naar een biografische of al te zeer belijdenis zoekende lectuur afgesloten. ‘Het voor poëzie wel erg bruikbare besef / dat je met emoties ook nog wat kunt &lt;em&gt;doen.&lt;/em&gt;’ Met deze versregels is de lezer gewaarschuwd: emoties gaan in gedichten hun eigen leven leiden; door het dichterlijk vakmanschap worden ze &lt;em&gt;gemaakt&lt;/em&gt; tot wat ze zijn, talige realiteit, uitgesproken door een bovenpersoonlijk ‘ik’.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Een van de bekendste verzen uit de bundel is het andere gedicht met de titel ‘Poëzie’, op p. 22. Het trekt de idee van de volkomenheid van het onvolledige door in het poëticale vlak: poëzie werkt op een even onbenoembare als inefficiënte manier toch efficiënt, misschien voor de lezer, mogelijk ook voor de dichter, waarschijnlijk voor allebei. Dit poëticale gedicht laat overigens in een notendop zien welke gaafheid voort kan komen uit treffend gehanteerde middelen als de paradox, de definitieachtige omschrijving en de visualiserende vergelijking.&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;article-quote-title&#34;&gt;Poëzie&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Zoals je tegen een ziek dochtertje zegt:&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;mijn miniatuur-mensje, mijn zelfgemaakt&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;verdrietje, en het helpt niet;&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;zoals je een hand op haar hete voorhoofdje&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;legt, zo dun als sneeuw gaat liggen,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;en het helpt niet:&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;zo helpt poëzie.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Context&lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het label van het nieuwe realisme, waarmee de vorige bundels in de literaire kritiek werden getypeerd, werd voor &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; nauwelijks nog gebruikt. Dat komt deels doordat het Vlaamse nieuwe realisme anno 1980 alweer tot de geschiedenis was gaan behoren, deels ook door de evolutie in De Conincks poëzie zelf. &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; is in een dubbel perspectief ‘klassieker’ geworden dan de eraan voorafgaande bundels: klassieker in vormgeving door het gebruik van rijm, strofische structuur en dergelijke; klassieker van thematiek door de meer filosofische, introspectieve inslag. De realiteit zoals ze in de gedichten verschijnt, is meer resonantieruimte geworden voor gevoel en reflectie dan dat ze om zichzelf wordt geëvoceerd. Ze is nu meer de aandrager van beelden dan dat ze zelf de hoofdrol speelt in anekdoten en taferelen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Meer dan de andere bundels van Herman de Coninck sluit &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; direct aan bij zijn visie op poëzie zoals die uiteengezet is in zijn essaybundel &lt;em&gt;Over de troost van pessimisme&lt;/em&gt; (1983). Het stuk waarnaar dat boek is getiteld stamt overigens uit de ontstaansperiode van &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; (eerste publicatie in &lt;em&gt;Tirade&lt;/em&gt; in 1980). De volgende centrale passage daaruit zou zo over deze bundel kunnen handelen: ‘Goed, begrip was de comparatief van begrijpen. De superlatief ervan is troost. De hele wereld begrijpen. [...] Het is geen pessimisme, het is zeker geen optimisme, het is een melancholische waarheid en het berusten daarin. (&#39;s Anderendaags word je wel weer opstandig.) En die rust vind je niet in dromen over hiernamaalsen, in aards paradijsfantasieën, die rust of die troost vind je net in de ontkenning daarvan, in de bevestiging dat ze &lt;em&gt;niet&lt;/em&gt; bestaan. Rust vind je niet in de droom, die maakt onrustig. Rust vind je in de verdrietige waarheid. Zo is het nu eenmaal. Jaja.’&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Uit het ‘titelstuk’ van &lt;em&gt;Over de troost van pessimisme&lt;/em&gt; en de erin opgenomen essays over Kopland komt ook erg sterk de poëticale affiniteit met het werk van die dichter naar voren.&lt;/p&gt;
&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Waarderingsgeschiedenis&lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De bundel &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; viel in Vlaanderen een erg grote publieke belangstelling ten deel. Hij profiteerde van de bekendheid en de publieke bijval die Herman de Coninck al gekregen had sinds de publicatie van zijn debuutbundel &lt;em&gt;De lenige liefde&lt;/em&gt; (1969). De bundel bevat op het eerste gezicht ook alle ingrediënten die nodig zijn om een ruim publiek aan te spreken: eenvoudig taalgebruik, heldere beeldspraak en zelfs vrolijke noten aan de ene kant; traditioneel als lyrisch beschouwde themata aan de andere kant: liefde, vergankelijkheid, melancholie, dood. Dat beide kanten elkaar ook nog vinden in het decor van ‘onze’ doordeweekse leefomgeving en in een levenshouding die op aanvaarding afgestemd lijkt, heeft de aantrekkingskracht op een grote groep lezers waarschijnlijk nog versterkt. Een citaat uit &lt;em&gt;De standaard&lt;/em&gt; van 9-1-1981 kan een en ander illustreren: ‘In geen ander dichtwerk van de Verstaanbare Generatie wordt zo fijnzinnig en zo innig de kunst beoefend om te leven in de melancholie van de dagdagelijkse realiteit, de kunst om te leven van verdriet en daar nog geluk uit te puren.’&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Hoe het ook zij: de lezerskring van de vorige bundels is niet teruggeschrokken voor de toegenomen paradoxaliteit van De Conincks poëzie en heeft ook in &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; de vertrouwde ontroeringskracht en herkenbaarheid teruggevonden. Vraag is natuurlijk of de groeiende ambivalentie altijd de aandacht heeft gekregen die ze verdient.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In Vlaanderen werd de nieuwe bundel ook door de literaire kritiek overwegend positief, soms zelfs erg enthousiast onthaald. De eerder geformuleerde bedenkingen met betrekking tot oppervlakkige speelsheid en goedkope effecten worden bij Vlaamse recensenten nog nauwelijks aangetroffen. In Nederland daarentegen was de bekendheid van De Conincks poëzie anno 1980 nog beperkt en bleef de ontvangst in de literaire kritiek (voorzover aanwezig) vrij lauw. Mede als gevolg van het geringe succes in Nederland stapte De Coninck met zijn volgende bundel van (co-)uitgever G.A. van Oorschot over naar Manteau, toen nog van Vlaamse signatuur (met goede distributie in het noorden). Zelfs toen hij in 1986 met de Jan Campertprijs werd gelauwerd (voor &lt;em&gt;De hectaren van het geheugen&lt;/em&gt;, 1985) verscheen in het &lt;em&gt;NRC Handelsblad&lt;/em&gt; (5-9-1986) nog een bericht onder de veelzeggende kop: ‘Vlaming Herman de Coninck, winnaar Jan Campertprijs, hier nauwelijks gelezen’.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;article-citation&#34;&gt;Voor deze bespreking is gebruikgemaakt van:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;article-citation&#34;&gt;Herman de Coninck, &lt;em&gt;Met een klank van hobo.&lt;/em&gt; Beveren-Antwerpen 1980 en Amsterdam 1980.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Met een klank van hobo</title><link>https://hermandeconinck.com/met-een-klank-van-hobo/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/met-een-klank-van-hobo/</guid><pubDate>Thu, 01 Jan 1981 00:00:00 &#43;0100</pubDate><description>&lt;p class=&#34;article-publication&#34;&gt;Ons Erfdeel · jaargang 24, nr. 3 · 1981 · blz. 418–420&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In teksten waarin dichters uitleg geven over hun bedoelingen bij het schrijven van gedichten of over hun manier van schrijven, citeren ze regelmatig uitspraken van andere dichters. Het is me opgevallen dat ze dat niet in een voetnoot doen; zeer dikwijls geven ze zelfs geen exacte verwijzing. Ze zeggen: ‘Ik citeer uit het hoofd.’ Ik neem van hen deze aandoenlijke slordigheid over en citeer dus uit het hoofd. Herman de Coninck heeft ooit gezegd: Er bestaan twee soorten van dichters. Zij die schrijven voor hun eigen tijd en omgeving. Die dichters hebben in de regel, en met reden, aanzienlijk succes bij hun tijdgenoten. En zij die schrijven voor hun ‘toekomstige tijdgenoten’. De dichters dus voor wie - spreekwoordelijk - succes alleen na hun dood komt. Ik wil niet ingaan op wat voor een dichter ‘succes’ is en of succes belangrijk is. Het zal altijd wel zo zijn dat spreken tot aandachtige luisteraars aangenamer is dan roepen in de woestijn. Gezien het succes dat Herman de Conincks eerste gedichtenbundel &lt;em&gt;De lenige liefde&lt;/em&gt; kende en nog altijd kent, en met achter de hand zijn eigen uitspraak, moet ik wel denken dat hij zichzelf beschouwt als een dichter die niet schrijft voor de toekomst maar voor zijn eigen tijd en tijdgenoten. Ik denk er niet aan dit fout te vinden.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In zijn nieuwe bundel &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; inventariseert hij, zoals hij dat ook in zijn vorige bundels deed, voornamelijk, om niet te zeggen uitsluitend, zijn eigen dagelijkse leven. We worden, door elkaar, geconfronteerd met de neerslag van privé-emoties, herinneringen, stemmingsbeelden, commentaren, stukjes over hoe het in de familie is en over hoe het op reis is geweest. Alsof we in huize De Coninck aan de Cogels-Osylei te Berchem - we krijgen zelfs het adres - uitgenodigd zijn voor een avond diapositieven bekijken. En dat geeft het gevoel dat wel eens een zeldzame keer bij het echte bekijken van diapositieven kan ontstaan: we kijken naar de plaatjes van de vakantie van anderen, denken aan de eigen vakantie, en... weg zijn we. Herkenbaarheid is misschien wel de meest in het oog springende eigenschap van deze poëzie. Mogelijkheid voor de lezer om in het gelezene zichzelf te ontdekken, te verklaren.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Maar herkenbaarheid is een eigenschap van alle, zelfs van de meest eigenzinnige en geslotene poëzie. De dichter gaat op een zo intense manier in op de realiteit rond hem dat ze hemzelf wordt en neerslaat in zijn woorden. Zijn persoon ligt aan de basis van het gedicht en beheerst het hele ontstaansproces. In het gedicht zelf lost die persoon zich op tot niet meer dan een teken van leven. Een gedicht ervaren we als goed wanneer het teken helder is en exact, bruikbaar. De taal is dan een systeem waarin het teken, zonder hulp van buitenaf, zichzelf verklaart. De lezer ervaart de dichter als zijn verwant, doordat hij zichzelf in hem herkent. Tenslotte ontstaat een nieuwe persoon van de dichter uit wat de lezer door het dichterlijke teken in zichzelf herkend heeft. Intrigerende, daarom niet altijd duistere teksten - ik denk bijvoorbeeld aan sommige zeer muzikale of ook sterk mathematisch gestructureerde gedichten - leiden de lezer soms tot een zo eigenaardig inzicht in zichzelf dat het een ontdekking wordt.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; komt dit soort ontdekkingen vrijwel niet voor. In de beste gedichten worden bekende emoties zeer dicht op de voet gevolgd en met een pakkende exactheid uitgeschreven. Over gedichten waarin dit gebeurt, wordt wel eens gezegd dat men erin kan gekleed lopen of wonen. De lezer kan het geschrevene als het ware aantrekken. Hij ziet zijn persoonlijke ervaring in het gedicht geconcretiseerd; kan zichzelf met de ‘dichterlijke persoon’ van de dichter identificeren. Dit gebeurt in het gedicht &lt;em&gt;Fraude&lt;/em&gt;, dat ontroerend scherp het onvermijdelijke tegen elkaar aanstoten van mensen die dicht bijeen leven, registreert tot in een ontwapenende laatste regel. Of in &lt;em&gt;Ontmijner&lt;/em&gt;, dat veel meer door suggestie dan door woorden aangeeft hoe gevaarlijk dat soort liefde wel is waarvan men altijd denkt dat ze volkomen gevaarloos is. Deze en nog andere gedichten zijn zo grondig emotioneel geconcentreerd en zo helder van formulering, dat ik hoop dat ze evenzeer zullen aanslaan bij de lezers als vroegere gedichten van Herman de Coninck waarin hetzelfde gebeurde.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Tegen het merendeel van de gedichten uit &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; heb ikzelf echter bezwaren, en met name tegen het feit dat ze mijns inziens té zeer de lezer van nu op het lijf geschreven zijn en dat de herkenbaarheid erin té groot is. De themata zijn specifiek romantisch en als dusdanig al populair: liefde, dood en wat gewoonlijk in het spanningsveld tussen die twee gesitueerd wordt, vergankelijkheid, afscheid, verleden, gemis, zwerven, dromen, onvolkomenheid, verdriet, zeer zeer veel weemoed, ook melancholie genoemd, en al het geluk dat daaruit kan voortkomen. Aangezien het in de poëzie zo is dat ieder gedicht dat geschreven wordt, een ander gedicht oproept dat nog geschreven moet worden, kan men een dichter nooit verwijten dat hij de verkeerde themata heeft gekozen. Met alle themata is nog altijd alles te doen. De grote romantische themata zijn door de generaties telkens opnieuw behandeld. In het werk van belangrijke dichters werden ze altijd weer ruimer en complexer. Hun werk verruimde het inzicht van hun tijdgenoten. Minder belangrijke dichters verwerkten ze op de maat van hun eigen leven. Zowel dood als liefde, verlies als gemis, verdriet als melancholie, kwamen net zo groot  of zo klein te voorschijn als de dichters zelf waren. Voor de tijdgenoten verloren ze het afschrikwekkende dat aan mysteries eigen is. Ze werden lief en licht verteerbaar.&lt;/p&gt;
&lt;figure class=&#34;wp-block-image aligncenter&#34; style=&#34;text-align: center;&#34;&gt;&lt;img alt=&#34;Herman de Coninck&#34; decoding=&#34;async&#34; height=&#34;118&#34; loading=&#34;lazy&#34; src=&#34;https://hermandeconinck.com/images/bron-dbnl/herman-de-coninck-ons-erfdeel-1981.gif&#34; width=&#34;120&#34;/&gt;&lt;figcaption&gt;
&lt;em&gt;Herman de Coninck (&lt;sup&gt;o&lt;/sup&gt;1944).&lt;/em&gt;
&lt;/figcaption&gt;&lt;/figure&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik kan mij niet ontdoen van het gevoel dat in vele gedichten uit &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; dit soort versmallende romantiek de boventoon voert. De lezer ervaart de ‘dichterlijke persoon’ niet ruimer, complexer dan zichzelf, maar kan zich zo gemakkelijk met hem identificeren dat ik mij afvraag of het niet de dichter is die zich hier roekeloos met de alledaagse persoon van de lezer heeft proberen te vereenzelvigen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dit is de ervaring van een kritische lezer geweest: opgetogenheid eerst over het vertrouwde gevoel dat soms in mooie beginregels gewekt werd. Daarna teleurstelling, niet alleen omdat geen inspanning gevraagd werd, maar vooral omdat bij nader toezien weinig te vinden was dat de lezer niet in alle soorten omstandigheden en vormen dagelijks onder ogen komt. Een klein beetje emotie, dat ogenschijnlijk eenvoudig, maar in de grond zeer gekunsteld en maniëristisch overgebracht werd. Nadat het stilistische geschitter dat over het gedicht hing opgelost was, bleek uiteindelijk de verwoorde belevenis te weinig belangrijk geweest te zijn. Met uitzondering van de paar gedichten die rijk en complex genoeg zijn om te boeien en die ik daarom gaarne eerst vermeld heb, wandelt de lezer in &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; door een wereld vol gemakkelijk doorkijkbare emoties. Hij is versmald tot de kleine kring waarin de dichter leeft. Alles erin is voornamelijk relatief. De hele kleurige werkelijkheid wordt afgezwakt tot pastel. Weemoed loopt mee als voornaamste leidsman. De nadruk waarmee telkens weer de relativiteit van alles in deze kleine wereld geponeerd wordt, wekt een gevoel van wrevel. Alsof de dichter met de stelligheid van een negentiende-eeuwse burger mij voorhoudt dat zijn manier van kijken naar de dingen de enige juiste is. Tot grote geruststelling van iedereen die zich vlot met deze teksten identificeert, heeft zekerheid zich handig en bijna betweterig in de vermomming van de relativiteit gestoken. De zekerheid van de relativiteit is geen relativiteit maar zekerheid. Hier moeten eenvoudige gevoelens niet tegen complexe optornen; ze bestaan in de rustige wetenschap dat zij de enige waardevolle zijn. Met dit inzicht op de achtergrond wordt ineens de aanwezigheid begrijpelijk van een aantal verzen die ik niet zozeer bij de schrijver van &lt;em&gt;De lenige liefde&lt;/em&gt; had verwacht. Ik spreek niet over gemeenplaatsen als relativerende stijltrucs, zoals op p. 27: ‘Er is niets nieuws onder de zon’. Maar vondsten als ‘Zo hoef ik jou niet meer te zoeken, alleen nog te vinden’ (&lt;em&gt;Braille&lt;/em&gt;, p. 31), ‘er is zoveel meer jou nu dat ik ken, zoals ik ook voor jou meer ikken ben’ (&lt;em&gt;Huurkontrakt&lt;/em&gt;, p. 14) en bovenal ‘Liefde is houden van elkaars gebrek aan liefde’ (&lt;em&gt;Braille&lt;/em&gt;, p. 31), zag ik in al hun sentimentele stelligheid liever staan op wandkalenders van het type dat met wazige foto&#39;s ‘het grote mysterie’ probeert te suggereren om het onmiddellijk daarna met kleffe teksten weer te verjagen, dan in de gedichten van Herman de Coninck.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Andere aanduiding voor de verholen zekerheid die achter deze sentimentele wereld schuilt is het voorkomen van een zeer groot aantal formele definities in de gedichten. Dikwijls wordt daarbij de omweg langs een beeld genomen. Zo krijgen we definities van geluk (p. 13), sneeuw (p. 25), nu (p. 37), de onvermijdelijke weemoed (p. 37), waarover we dan nog eens vernemen dat er blijkbaar twee soorten van bestaan, de echte (p. 28) en tengevolge daarvan de onechte, sereen (p. 40), stilte (p. 42), luxe (p. 42), wachten (p. 46) en bovenal zijn (p. 39). Ook over poëzie worden langs beelden om belerende uitspraken gedaan in de trant van ‘zo helpt poëzie’ (p. 22) of ‘poëzie heeft te maken met’ (p. 46).&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik weet niet zo goed als Herman de Coninck wat men vandaag de dag nog allemaal kan en niet meer kan schrijven (p. 13). Maar ik bemerk wel dat door het overmatige gebruik van beelden vele gedichten iets wazigs krijgen. Het is alsof de dichter een voorraad metaforen aangelegd heeft die hij te gepasten tijde bovenhaalt. Hoe knap ze soms op zichzelf ook zijn, in plaats van te verhelderen, versplinteren ze meer dan een keer het gedicht door het vele en disparate dat ze oproepen. Wie dacht dat met deze beelden licht werd aangedragen, merkt naderhand dat integendeel de lamp werd uitgedraaid en dat hij in een moeras van vondsten en sentimentele suggesties terecht is gekomen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wat moet ik met ‘een maatschappij met een gedicht als grondwet en een minister van dromen’? Wat is de betekenis van dit soort zachte, versmalde, romantische verzuchtingen op de maat van Jan en alleman. Zeker onbruikbaar zijn ze in de poëzie, die mijns inziens relativiteit maar op een heel erg ‘eigenaardige’ manier verdraagt. Wie mij n.a.v. mijn bezwaren tegenover een dichter die helemaal begrijpbaar is, vraagt: mag het dan nooit eens gemakkelijk, is er dan nooit eens iets lekkers bij voor Jan met de pet, moet ik tot zijn spijt antwoorden: neen, blijkbaar mag het nooit eens gemakkelijk. Ten bewijze: de beste gedichten uit deze bundel, die wel gemakkelijk maar terzelfdertijd ook moeilijk zijn.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;article-citation&#34;&gt;Herman de Coninck, &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt;, Uitgeverij Orion, Brugge en Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1980.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>De ‘uitzichtloze tevredenheid’ van Herman de Coninck</title><link>https://hermandeconinck.com/de-uitzichtloze-tevredenheid-van-herman-de-coninck/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/de-uitzichtloze-tevredenheid-van-herman-de-coninck/</guid><pubDate>Thu, 01 Jan 1981 00:00:00 &#43;0100</pubDate><description>&lt;p class=&#34;article-publication&#34;&gt;Dietsche Warande &amp;amp; Belfort · jaargang 126, nr. 5 · 1981 · blz. 373–376&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman de Coninck typeert al meteen de gedichten uit zijn derde bundel in de titel zelf: &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; (Orion-Colibrant, 1980). Volgens C. Höweler, in ‘XYZ van de muziek’, heeft de hobo een ‘veelzijdige expressiviteit’. Hij was ‘het lievelingsinstrument van Bach, die er stille vreugde (...), grote innerlijke smart (...) en alle gevoelsschakeringen daartussen mee opriep’. Het blijkt dat ook Mahler hem aanwendde in het derde van zijn ‘Kindertotenlieder’ om er ‘warme, weemoedige liefde’ mee uit te drukken... Daarmee is enigszins de gevoelssfeer van De Conincks gedichten weergegeven: met een inderdaad veelzijdige expressiviteit (De Coninck heeft altijd al het taalinstrument bijzonder knap bespeeld) roept de dichter gevoelens op van vreugde en smart én de schakeringen daartussenin, maar vooral de weemoedige liefde voor zijn gestorven vrouw, voor zijn huidige vrouw, voor zijn kinderen, zijn moeder en zijn gestorven vader. Gevoelens die hun plaats hebben gekregen in een bezonken bewustzijn, een modus vivendi die de dichter als volgt omschrijft: ‘uitzichtloze tevredenheid’; ‘uitzicht op leegte, maar / met gordijntjes voor de ramen’; het besef dat ‘geluk niet voor (hem) is weggelegd. / En daar hoe dan ook erg rustig van zijn.’; een bestendig herfstig gevoel ‘van nergens horen / in de bossen thuis en thuis verloren’; het besef van binnen te zijn (in het huwelijk nl.) ‘voor de regen van melancholie’; ‘Alles is voorlopig’; ‘... je zou willen zwerven, &#39;t doet er niet toe waar, / als het hier maar is’; ‘En je weet: ik heb niet wat ik heb’ en ‘Geef me nu eindelijk, wat ik altijd al had’... Het is een gevoelswereld van resignatie zonder wanhoop (daar zet de dichter zich met zijn humor en relativeringszin tegen af). In zijn sterk relativeringsbesef van ‘wat voorbij is en nooit overgaat’ doet De Coninck uiteraard even denken aan Werumeus Buning, maar veel meer nog aan J. Eijkelboom, wiens recente bundel heet ‘Wat blijft komt nooit terug’: beide dichters lijken op elkaar, niet omdat ze allebei journalisten zijn, maar omdat ze de dubbelzinnigheid van de werkelijkheid én de taal uitbuiten en vooral uitermate relativerend gevoelsmatig denken. De Coninck is inderdaad een illusieloos man én een heel weemoedig man, maar dan met de ‘echte weemoed’: ‘niet om hoe het vroeger was / maar om hoe het ook vroeger nooit is geweest. / De herinnering aan wat nooit heeft bestaan.’&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zijn bundel bevat een ruime reeks erotiserende liefdesgedichten, maar even illusieloos relativerend schrijft hij over de liefde: ‘Liefde is houden van mekaars gebrek aan / liefde. Is het soort gemak van kom binnen, / ach, ben jij het maar.’&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Hoewel er toch ook herhaaldelijk het schrijnend ervaren maar luchtig afstandelijk beleden besef is: het had in het verleden ook anders gekund. Dat schrijft de dichter neer in een aangrijpend gedicht waarin hij zijn eerste vrouw gedenkt:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;article-quote-title&#34;&gt;&lt;em&gt;Twee&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Destijds in kinderspelletjes kon je,&lt;br/&gt;b.v. als je veter was losgeraakt,&lt;br/&gt;gewoon ‘twee’ zeggen, en dan stond je&lt;br/&gt;even buitenspel, niemand mocht je dan nog aantikken.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Voor jou had dat moeten blijven gelden.&lt;br/&gt;Dat je ‘twee’ zei, ‘ik ben even&lt;br/&gt;mijn man kwijt’, en dat die laatste tien jaar&lt;br/&gt;dan niet hoefden mee te tellen.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Of dat je, in plaats van te sterven,&lt;br/&gt;gewoon verstoppertje speelde&lt;br/&gt;en dat we je nog steeds&lt;br/&gt;niet hadden gevonden.&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De geesten van deze vrouw én van zijn vader blijven aanwezig, maar de emotie wordt bedwongen, gerelativeerd. Het kinderspelletje fungeert hier als ‘geestenbanner’ (cfr. het slotgedicht van Ed Leeflangs recente ‘De hazen en andere gedichten’, waarin eveneens geliefde doden aanwezig blijven).&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De Coninck schrijft wel degelijk heel eigentijdse lyriek, die aansluit bij de relativerende, speelse, rijmende (en vaak rijmelende) nieuwe romantiek in Nederland, die in Nederland ook de Vijftigers lijkt te hebben uitgebannen. Men herinnere zich dat De Coninck in de jaren zeventig bij de nieuw-realisten in Vlaanderen werd ondergebracht. O.a. ter wille van zijn speels-relativerende ingesteldheid t.o.v. de werkelijkheid, ook de werkelijkheid van taal en gedicht. Ook in deze bundel is De Coninck wel eens erg speels (ik noem het liever humoristisch, zelfs wat studentikoos): in ‘Vriendin van één nacht’ b.v. ‘Het was onbereikbaar. / Maar voor iedereen die dat óók vond, trok ze tijd / uit, en haar bloesje en de spelden uit d&#39;r haar.’; of in ‘33-27’: ‘Wat wou ik allemaal niet worden, stichter / van de partij van minder verdriet, / de vaak geïnterviewde oprichter // van de vereniging voor lofzangen op jouw linkertiet’; of in:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;article-quote-title&#34;&gt;&lt;em&gt;Zij en hij&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zij houdt moedig haar vrolijkheid op&lt;br/&gt;en haar borsten.&lt;br/&gt;Zij heeft een humeur&lt;br/&gt;als een stevige beha.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ook hij is opgetrokken&lt;br/&gt;uit veel vrolijk Hahaha.&lt;br/&gt;Maar zijn drift zit al jaren&lt;br/&gt;achter tralies: de strepen&lt;br/&gt;van zijn pijama.&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Overigens is de toon van zijn gedichten doorlopend luchtig, zelfs vrolijk, ondanks het besef dat ‘het uitzichtloze (...) nu stilaan (z)ijn uitzicht is geworden’. De hier uitgeschreven paradox beheerst zijn levensgevoel, was al aanwezig in ‘Zolang er sneeuw ligt’ (1975), maar is nu wel overheersend geworden. De Conincks ‘modus vivendi’ én zijn poëzie bestaan trouwens uit het doen samenhoren van tegengestelden. Zijn werkelijkheid bestrijkt het niet meer te herstellen verleden, het heden van liefde en erotiek, van vrouw en gezinnetje... Zijn poëtische werkelijkheid bestaat uit het in taal omzetten van ‘emoties’.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In enkele meer programmatische gedichten (programmatisch voor zichzelf dan) schrijft hij o.a. zijn politieke opvattingen neer, nl. gelijke kansen voor iedereen: ‘De gelijkheid van er is voor allemaal evenveel / regen, groeien jullie maar, planten. / En de prachtige ongelijkheid die dat oplevert.’; m.b.t. poëzie en politiek verzucht hij: konden de politici maar eens de bestaande werkelijkheid ombouwen als een oude fermette: ‘dit is / een dragende muur, die laten we staan, / die en die muren moeten weg, / daar komen grote ruimtes’; een romantische maatschappijvisie: ‘(...) ik schrijf over wat nog moet komen. / Over een maatschappij / met een gedicht als grondwet en / een minister van dromen.’ L&#39;imagination au pouvoir! Maar de dichter heeft de onmogelijkheid hiervan en de onmacht van de poëzie lang al door: ‘Ik ben een leraar voor een lege klas’. En in ‘De buigzaamheid van het verdriet’ noemt hij voor poëzie: ‘het erg bruikbare besef / dat je met emoties ook nog wat kunt doen’, dat je ze ‘erg gierig, als / een dubbeltje, drie keer moest omdraaien / (liefde/haat/liefde) voor je ze uitgaf’; voorts is er ‘Niet de buigzaamheid van het verdriet, / maar de precisie’, de precieze formulering nl.; ten slotte: ‘Misschien is ook poëzie zoiets (als een sporthart, W.S.), een hart / hebben waarmee je na een turbulente jeugd / van de dokter nog altijd af en toe eens moet / huilen. Melancholie. De uitzichtloze tevredenheid / van achter een begrafenisstoet aanlopen, / en denken, héhé, straks lekkere boterkoeken.’&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Meer dan vroeger, zelfs overwegend nu, keert De Coninck terug naar het klassiek(er) opgebouwde gedicht. De strofische gedichten, vaak sonnetten, zijn overwegend aanwezig. Het rijmenspel is soms toevallig, soms systematisch, al zijn De Conincks strofen zelden helemaal klassiek. De rijmen zelf zijn, zoals merkbaar is in de geciteerde passages, vaak rijmvondsten. Typerend is anderzijds ook uit de citaten hoe De Coninck heel vaak net als de reeds genoemde Leeflang het enjambement toepast om de betekenis van het vers te verruimen of te verschuiven. Ook in zijn derde bundel blijft Herman de Coninck een origineel, vaak geestig en vaak ontroerend dichter. En ineens blijkt hij veel ouder te zijn geworden.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Herman de Coninck</title><link>https://hermandeconinck.com/herman-de-coninck-biografie-en-kritische-beschouwing/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/herman-de-coninck-biografie-en-kritische-beschouwing/</guid><pubDate>Sat, 01 Sep 2012 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;article-publication&#34;&gt;Kritisch lexicon van de moderne Nederlandstalige literatuur · september 2012&lt;/p&gt;
&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Biografie&lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman August Paul de Coninck werd op 21 februari 1944 te Mechelen geboren. Hij doorliep de humaniora aan het St.-Rombouts-college van zijn geboorteplaats. Vanaf 1962 studeerde hij Germaanse filologie aan de Katholieke Universiteit Leuven en werd er redacteur van het studentenweekblad &lt;em&gt;Universitas&lt;/em&gt;, waarvoor hij twee jaar lang de cultuurpagina&#39;s hielp verzorgen en talloze cursiefjes schreef onder het pseudoniem Van Pimpelgem (s.j.). Een keuze eruit verscheen onder de titel &lt;em&gt;Lachen tot je zwart ziet&lt;/em&gt; (1968). In 1966 werd hij licentiaat in de Letteren en Wijsbegeerte met een verhandeling over de poëzietheorie van S. Vestdijk. Na vijf jaar te Heverlee, in de nabijheid van Leuven, te zijn blijven hangen, verhuisde hij naar Berchem-Antwerpen. Aan zijn eerste huwelijk (1969), met An Somers, waaruit hun zoon Tomas geboren werd, kwam vroegtijdig een einde door de dood van zijn vrouw (1971). Hij hertrouwde in 1974 met Lieve Coppens.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Na een periode als docent (1966-1970), onderbroken door zijn militaire dienst in Duitsland (1967), werd hij vanaf augustus 1970 journalist van het weekblad &lt;em&gt;Humo&lt;/em&gt;. Uit zijn activiteiten aldaar resulteerde een bundel interviews, in samenwerking met Piet Piryns, &lt;em&gt;Woe is woe in de Nedderlens&lt;/em&gt; (1972). De Coninck was vanaf 1966 redacteur van het nieuw-realistische tijdschrift &lt;em&gt;Ruimten&lt;/em&gt;. Tussen 1969 en 1971 trad hij sporadisch op als poëziechroniqueur van het dagblad &lt;em&gt;De Standaard&lt;/em&gt;. Nadien werkte hij jarenlang mee aan het tijdschrift &lt;em&gt;Tirade&lt;/em&gt;, tot dat in zijn politieke commentaren zijns inziens te ‘oorloghetzerig’ werd. In 1983 verliet hij het weekblad &lt;em&gt;Humo&lt;/em&gt; om hoofdredacteur te worden van het &lt;em&gt;Nieuw Wereldtijdschrift&lt;/em&gt;, waarvan het eerste nummer in maart 1984 verscheen. &lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt; startte in 1987 met ‘Het boekbedrijf’, een boekenbijlage gecoördineerd door Herman de Coninck. Per 1 januari 1991 volgde Bernard Dewulf hem op toen ‘Het boekbedrijf’ opging in het ruimere cultureel supplement ‘Café des arts’. Daarin had De Coninck een wekelijkse column.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In september 1985 scheidde hij van Lieve Coppens, moeder van hun dochter Laura. Hij begon in februari 1988 een relatie met Kristien Hemmerechts met wie hij in 1992 trouwde.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In 1995 maakte hij een literaire tournee in Zuid-Afrika en in Indonesië. De Coninck overleed plotseling aan een hartstilstand op 22 mei 1997 op straat in Lissabon, Rua Marquês Sá da Bandeira 74, waar een gedenksteen werd aangebracht. Hij werd begraven op het Ereperk van de Antwerpse begraafplaats Schoonselhof.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Voor zijn debuutbundel &lt;em&gt;De lenige liefde&lt;/em&gt; ontving De Coninck de Yang-prijs (1969) en de Prijs van de Provincie Antwerpen (1971). &lt;em&gt;Zolang er sneeuw ligt&lt;/em&gt; werd bekroond met de Dirk Martensprijs van de Stad Aalst (1976) en de Prijs van de Vlaamse Provinciën (1978). Voor zijn vertaling van Edna St. Vincent Millay, &lt;em&gt;Ter ere van de goedertieren maan&lt;/em&gt;, werd hem de Koopalprijs toegekend (1981) en voor &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; de Prijs van de Vlaamse Gids (1982). &lt;em&gt;De hectaren van het geheugen&lt;/em&gt; werd bekroond met de Jan Campertprijs 1986. In 1997 kreeg hij postuum de Vlaamse cultuurprijs voor kritiek en essay voor &lt;em&gt;Intimiteit onder de melkweg&lt;/em&gt; (1994). Sinds 2007 wordt op Gedichtendag de Herman de Coninckprijs toegekend, een Vlaamse literaire prijs te zijner nagedachtenis.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Een selectie uit zijn gedichten verscheen in het Pools (1989), het Duits (1991) en het Servisch (1995).&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;De hectaren van het geheugen&lt;/em&gt; verscheen in het Portugees in 1996. In dat jaar verscheen ook een selectie uit zijn gedichten in het Afrikaans onder de titel &lt;em&gt;Liefde, miskien&lt;/em&gt;.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Een Engelstalige bloemlezing met de titel &lt;em&gt;The Plural of Happiness&lt;/em&gt; werd gepubliceerd in 2006. In 2007 werd &lt;em&gt;De lenige liefde&lt;/em&gt; vertaald in het Esperanto.&lt;/p&gt;
&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Kritische beschouwing&lt;/h2&gt;
&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Verwantschap / Traditie&lt;/h3&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman de Coninck wordt gerekend tot de Vlaamse nieuw-realisten, die zich vanaf 1970 in groepsverband gemanifesteerd hebben, onder meer in de door Lionel Deflo samengestelde bloemlezing &lt;em&gt;Nieuw-realistische poëzie in Vlaanderen&lt;/em&gt; (1972). De Conincks positie binnen deze groep is in velerlei opzichten bijzonder. Niet alleen is hij de technisch meest onderlegde vakman, hij is tevens degene die de nieuw-realistische poëtica, met haar klemtoon op de talige en inhoudelijke democratisering van de poëzie, het meest expliciet heeft uitgebouwd, en dit in esthetische zin. Opvallend is zijn eclectische houding tegenover vroegere stromingen, waaraan hij met name diverse stilistische middelen ontleent. Deze houding is tekenend voor zijn fundamentele outsiders-positie, die op haar beurt zijn voorkeur verklaart voor dichters als L. Vroman en P. Kemp en zijn verwantschap met, in strikte zin, evenmin tot een bepaalde stroming behorende dichters als Lodeizen, Campert en Kopland. Niet toevallig evenwel hebben nagenoeg al deze dichters gemeen een heldere en accurate poëzie te schrijven, vaak in een evenwichtige dosering van romantische en realistische ingrediënten. In averechtse zin werd De Coninck beïnvloed door een aantal tendensen, waartegen hij zich, naar eigen getuigenis, bewust heeft afgezet, namelijk de romantische levensvreemdheid van Rilke en Lodeizen, het hermetisme van de (post-)experimentelen en de gevoelloosheid van de Hollandse nieuw-realisten.&lt;/p&gt;
&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Kunstopvatting&lt;/h3&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In meerdere gedichten en in diverse interviews en ongebundelde beschouwingen heeft De Coninck zijn visie op aard, middelen en functie van het literaire werk uiteengezet. Daaruit spreekt een bijzondere voorkeur voor een poëzie die de gewone, alledaagse werkelijkheidsgegevens zo emotievol en zo helder mogelijk uitdrukt in een spreektaalachtig idioom. Op die manier poogt deze poëzie toegankelijker te worden voor de lezer. Zij is echter geen loutere weergave van de werkelijkheid, maar een subjectief gekleurd, vaak kritisch commentaar erop, en in feite kan zij haar bestaan en haar functionaliteit slechts verantwoorden en zingeven door zich antagonistisch ten opzichte van de werkelijkheid te verhouden. Als verfraaiing ervan is zij een impliciet protest tegen de lelijkheid van deze wereld en de middelmaat van dit leven, en kan zij de idee van een betere wereld levend houden. Poëzie overstijgt dus ook de werkelijkheid en vult haar aan, daar zij in hoofdzaak toch ontstaat vanuit de afwezigheid van bepaalde gegevens in het alledaagse leven. Voor de dichter die schept uit gemis heeft de poëzie een herscheppend-bestendigende functie waar zij aanwezig stelt wat niet meer is, en een scheppend-anticiperende waar zij creëert wat nog niet is. Zodoende transformeert zij gemis tot bezit, kan zij de lezer troost bieden, en, door levensaanvaarding te bewerkstelligen, weer inwerken op de realiteit waaruit zij ontsproot.&lt;/p&gt;
&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Visie op de wereld&lt;/h3&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De Conincks eclectisme-binnen-een-bepaalde-richting blijkt ook uit zijn ideologische overtuiging, die hijzelf omschrijft als een mengeling van anarchisme, trotskisme, linkervleugel-BSP-socialisme en gewoon maatschappelijk pessimisme. Geëngageerd in enge zin is zijn poëzie niet. Daarvoor gebruikt hij bij voorkeur het efficiënter geachte middel van de journalistiek. Bovendien is de poëzie, volgens hem, eerder het terrein voor diepergaande, maar ook hopelozer vormen van protest, bijvoorbeeld tegen het voorbijgaan van de dingen.&lt;/p&gt;
&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Relatie leven/werk&lt;/h3&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Autobiografisch is De Conincks poëzie in principe alleen in averechtse zin. De dichter die schept om zijn gemis op te heffen, geeft alleen een negatief van zijn geestelijk zelfportret. Bovendien is het lyrisch ik, in De Conincks opvattingen, geen individueel ik, maar veeleer een soort gemene deler van emoties, met alle herkenbaarheid vandien. Tot nu toe beantwoordt alleen &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; maximaal aan deze opvatting. Met name de tweede cyclus uit &lt;em&gt;Zolang er sneeuw ligt&lt;/em&gt; lijkt zonder voorkennis van de anekdotisch-biografische achtergrond - i.c. de dood van De Conincks eerste vrouw - niet meteen goed te plaatsen.&lt;/p&gt;
&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Ontwikkeling / Thematiek&lt;/h3&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De thematiek van De Conincks debuutbundel &lt;em&gt;De lenige liefde&lt;/em&gt; is sterk poëticaal gekleurd. Het onderwerp van de slotcyclus ‘Ars poëtica’, namelijk de onderlinge verhouding tussen poëzie, werkelijkheid en liefde, domineert de gehele bundel. Door middel van de poëzie onderneemt de dichter een ontdekkingstocht in de voor hem nieuwe, elkaar nu eens overlappende, dan weer aanvullende gebieden van de alledaagse realiteit (vnl. in de cyclus ‘Een dag als geen ander’) en van de liefde. Die nieuwheid verklaart ten dele de uitzonderlijk positieve waardering ervan. Zo is het inderdaad opvallend dat niet alleen de vervulde liefde bijv. positief beleefd wordt (vnl. in de titelcyclus), maar ook het gemis eraan (vnl. in de cyclus ‘Met de vedel’). Positief is deze waardering ook omdat de dichter in zijn beleving reeds zijn esthetische verfraaiing verdisconteerd heeft. Precies de gespannen, problematische verhouding tussen beleving en verwoording is het kernthema van deze bundel. Een voorbeeld daarvan is het achtste gedicht uit de cyclus ‘De lenige liefde’:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;hoe hield ik platonisch van je gedachten&lt;br/&gt;en onnoemelijk veel van de rest.&lt;br/&gt;je borsten waren zachte&lt;br/&gt;kolfjes naar mijn hand,&lt;br/&gt;twee afgeronde verhalen&lt;br/&gt;met een pointe waar ik erg was op gesteld,&lt;br/&gt;en sta me toe dat ik ook&lt;br/&gt;onze goeie verhouding vermeld&lt;br/&gt;tussen poëzie en leven:&lt;br/&gt;ik wist dat ik zó met jou naar bed kon&lt;br/&gt;als ik zulk een gedicht had geschreven.&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Niettegenstaande de even sterke transformatie die de werkelijkheid er ondergaan heeft, getuigt de poëzie uit &lt;em&gt;Zolang er sneeuw ligt&lt;/em&gt; van een opmerkelijk grotere realiteitszin, zowel in de meer op de externe werkelijkheid gerichte cyclus ‘Kijk eens hoe echt’, als in de tweede, liefde- en belijdenislyriek bevattende titelcyclus. Tegenover de nieuwheid van de pas ontdekte realiteit uit &lt;em&gt;De lenige liefde&lt;/em&gt; staat hier een realistischer visie, zoals verwoord in de eerste strofe van het gedicht ‘Eufemisme’:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;het is allemaal al zo vaak gebeurd&lt;br/&gt;in deze tweedehandse werkelijkheid&lt;br/&gt;dat kristus vandaag de dag nog hoogstens&lt;br/&gt;zou kunnen zeggen: zie ik maak alles&lt;br/&gt;zo goed als nieuw.&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het torenhoge, onhandelbare gemis uit de tweede cyclus wordt thans niet meer romantisch geïdealiseerd, maar via diverse stilistische vondsten ironisch gerelativeerd. In deze cyclus vooral zijn de aanzetten te vinden van een uitgewerkte, coherente levensvisie, met name van de noodzaak de levenskrachten te temperen (‘Nu’) en de mogelijkheid daaruit iets positiefs te puren (‘Ballade van de traagheid’), alsook van De Conincks zogenaamd ‘pessimistisch optimisme’, zoals verwoord in ‘Nog een geluk dat’:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;zoals met de gek uit het grapje&lt;br/&gt;die zich voortdurend met een hamer&lt;br/&gt;op &#39;t hoofd sloeg, en naar de reden gevraagd, zei:&lt;br/&gt;‘omdat &#39;t zo prettig is als ik ermee ophou’ -&lt;br/&gt;zo is &#39;t een beetje met mij. ik ben ermee opgehouden&lt;br/&gt;je te verliezen, ik ben je kwijt.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;misschien is dat geluk: een geluk bij een ongeluk,&lt;br/&gt;misschien is geluk: nog een geluk dat.&lt;br/&gt;dat ik aan jou kan terugdenken, bv.,&lt;br/&gt;in plaats van aan een ander.&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In de volgende bundel, &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt;, is de werkelijkheid nieuw noch tweedehands; veeleer lijkt zij op &lt;em&gt;‘een ouwe fermette’&lt;/em&gt; (‘Poëzie’), waarin de mens weerloos overgeleverd is aan een allesverterend verouderingsproces. De gedachte echter dat de realiteit tegelijk kwetst en troost, domineert deze bundel. Ingaand tegen de algemeen aanvaarde opvatting dat ouderworden verlies betekent, poneert de dichter dat de kwaliteit van de dingen toeneemt met het verstrijken van de tijd. Dit verouderings- en rijpingsproces wordt geconcretiseerd in het beeld van de wijnkelder. Over Engeland luidt het in de slotstrofen van ‘St. Ives, kerkhofje’:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dit land is konservatief&lt;br/&gt;zoals een wijnkelder dat is:&lt;br/&gt;het heeft de tijd.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Niet voor de eeuwigheid,&lt;br/&gt;maar om vergankelijkheid, om dagen, uren&lt;br/&gt;iets langer dan gewoonlijk te doen duren.&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wil de mens het ijle nu-moment, dat alweer verdrinkt in een zee van tijd nog voor de mens zeggen kan: ‘het verdrinkt’, enige zin en substantie geven, dan moet hij er inderdaad op toezien dat het zich kan vullen met tijd. In contrast met het beeld van de kelder staat het dynamische ruimtebeeld van het zwerven, dat in wezen dezelfde functie vervult. Een goede illustratie hiervan levert het gedicht ‘Taarlo’:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wij lopen door het najaar met ons twee.&lt;br/&gt;En dat gevoel heb ik ook in de lente.&lt;br/&gt;Wij lopen door veel bruine kroegenbruin van blaren&lt;br/&gt;en door veel donkerrood gemis, appellation controlée,&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;dat dieper wordt in de kelder van de jaren.&lt;br/&gt;Wij lopen door de beiger wordende bossen van Drente.&lt;br/&gt;Hoor de wind door de henna-bomen varen&lt;br/&gt;met een klank van hobo, de zwerver onder de instrumenten.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;33, en in het midden van het donker woud&lt;br/&gt;des levens. En met een gevoel van nergens horen&lt;br/&gt;in de bossen thuis en thuis verloren.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zullen wij later, misschien, ooit?&lt;br/&gt;De zomer is voorbij, er wordt niet meer gehooid.&lt;br/&gt;Het hier is nergens, en het nu is nooit.&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zoals de mens zijn aan de tijd gebonden conditie kan opheffen door de tijd voor hem te laten werken, zo ook kan de mens zijn onontkoombare situatie van rusteloze, ontheemde zwerver - d.i. ‘hobo’ in het Amerikaans - neutraliseren door al zwervende het eigen kleine stekje (voortdurend) uit te breiden en zodoende het hier (en nu) substantie te geven.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ook in &lt;em&gt;De hectaren van het geheugen&lt;/em&gt; wordt gepoogd te ontsnappen aan de beperkingen van tijd en identiteit. Binnen elk van de vier cycli treedt de dichter op in een andere gedaante: als ouderwordend individu in de natuurgedichten uit ‘Bergen van onverschilligheid’, als vader en echtgenoot in de gezinscyclus ‘Ik zie wat ik heb. Ik heb dat ik zie’, als zoon in de ‘In memoriam matris’-gedichten van ‘Als glasscherven in de zon’ en tenslotte als ex-minnaar in ‘Te voet over de Lethe’. Deze rollen, die nu eens worden gespeeld door een ik-figuur en dan weer door een hij-figuur, liggen niet vast, zij variëren in de tijd en splitsen zich in deelrollen. Zo kan de dichter afwisselend optreden als ‘de kleine weemoedige en de grote overmoedige’, als ‘jongetje van elf’ en ‘mannetje van tachtig’, enzovoort. Op die manier slaagt hij erin het heden te verruimen, de geborgenheid en de vitaliteit van de voorbije jeugd opnieuw te beleven en zich in te leven in de toekomstige ouderdom. Tegenover dit dynamische rollenspel staat het onvermogen van het hoofdpersonage uit de slotcyclus om een andere rol op zich te nemen dan deze van ‘Bedrogen Echtgenoot’.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De bundel ontleent zijn titel aan het motief van vroeger bezit en huidig gemis:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Februari. De hectaren van het geheugen&lt;br/&gt;staan leeg. De toekomst is al jaren&lt;br/&gt;voorbij. Maar nu ook het verleden. (Jij&lt;br/&gt;nam het met je mee.) Winterlicht&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;maakt de feiten hard. Zee schimpt in het rond.&lt;br/&gt;Wind kraakt. Koude is te horen.&lt;br/&gt;Taal blijft binnen, komt niet meer uit haar woorden.&lt;br/&gt;In gesloten lettergrepen wordt ingevroren.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Niets. En dat zien.&lt;br/&gt;Heldere leegte, als tot ver na de komma&lt;br/&gt;in de zalen van het getal tien.&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Pijnlijk nauwkeurig onthult het winterlicht de feitelijke, harde werkelijkheid: er is alleen leegte, er valt helemaal niets te zien, maar het is van groot belang dit goed te zien en helder in te zien. Troost bestaat volgens De Coninck in het onder ogen zien van de werkelijkheid. Het centrale thema van de bundel ligt besloten in de regel: ‘Ik zie wat ik heb. Ik heb dat ik zie.’ Het eerste gedeelte, ‘Ik zie wat ik heb’, heeft betrekking op het ondubbelzinnig vaststellen van een onloochenbare stand van zaken: je ziet wat je hebt en meteen weet je ook wat je niet hebt, want dat heb je niet gezien. Wat de mens hééft, wat écht van hem is en hem ook niet kan worden ontnomen, wordt uitgedrukt in het tweede gedeelte, ‘Ik heb dat ik zie’: zien is het enige reële bezit van de mens. Ook deze illusieloze gedachte biedt troost: je weet voortaan dat je niet alles kan verliezen.&lt;/p&gt;
&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Stijl / Techniek&lt;/h3&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ervan overtuigd dat geen enkel literair middel op zichzelf slecht is, hanteert De Coninck even vlot metaforen en personificaties als - vooral in zijn latere werk - rijmen en vaste dichtvormen. In de eerste bundels overheerst het spelelement; ironie, woordspelingen, variaties op stereotiepe wendingen... het kan allemaal in deze poëzie, die in haar idioom sterk aanleunt bij de spreektaal. Tot diezelfde spelsfeer behoort de uitbuiting van de dubbelzinnige status van dit soort realistisch ogende poëzie door de woorden zoveel mogelijk werkelijkheidsillusie te geven. Vaak echter schept de taal, die beoogt leven en literatuur nauwer op elkaar te betrekken, een eigen artificiële, paradijselijke werkelijkheid. In &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; overheerst de paradox, het middel bij uitstek om, binnen een op levensaanvaarding gerichte poëzie, negatief gewaardeerde elementen in hun tegendeel te doen verkeren en dus tegelijk als positief voor te stellen. Oorzaak ván en remedie tégen het gemis worden binnen een zelfde voorstelling opgenomen. Het kalere taalgebruik van zijn recente werk verbindt De Coninck met het thema van de tijd als een proces van hand over hand toenemend verlies. Dit soort aandacht voor de psychologie en de ethiek van de vorm is ook typerend voor zijn poëzie-analyses. ‘Over de troost van pessimisme’ - de titel van een illustratief essay uit de gelijknamige bundel - betekent ook: over de troost van het formuleren en van het geformuleerde.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Vanaf zijn debuut heeft De Coninck gezworen bij poëtische bescheidenheid: geen grootspraak maar kleinspraak, liever understatement dan overstatement, bij voorkeur in mineur met talrijke diminutiefjes en enkele grapjes toe. In een essay over het parlandisme uit 1970 omschreef hij grootsheid en aangrijpendheid als weinig functionele esthetische categorieën: ‘het grootse en aangrijpende zijn tenslotte irreëel, ook in het leven van alledag moet je het meestal zonder stellen. Poëzie die daarvan uitgaat wordt uiteindelijk een beetje levensvreemd’. Dat men maar een heel enkele keer met grootse of aangrijpende gebeurtenissen dient geconfronteerd te worden om daar de rest van zijn leven de nawerking van te ondervinden, was een overweging die De Coninck pas enkele jaren later zou maken. In &lt;em&gt;Zolang er sneeuw ligt&lt;/em&gt; wordt de torenhoge tragiek minder indrukwekkend gemaakt, leefbaarder als het ware en meer op mensenmaat gesneden. Echte grootsheid liet hij aanvankelijk slechts indirect in zijn werk toe via de vrije vertaling van Edna St. Vincent Millay, &lt;em&gt;Ter ere van de goedertieren maan;&lt;/em&gt; van haar nederlagen maakte zij grootsprakerige overwinningen. Iets dergelijks onderneemt De Coninck in &lt;em&gt;De hectaren van het geheugen&lt;/em&gt;, maar hij doet het meteen nog extremer, overeenkomstig het adagium: hoe kleiner, nietiger en zieliger de mens, hoe groter de noodzaak van grootspraak. Dit komt het sterkst tot uiting in de harde hij-lyriek van de slotcyclus ‘Te voet over de Lethe’, die, naar het voorbeeld van Wolf Wondratscheks bundel &lt;em&gt;Die Einsamkeit der Männer&lt;/em&gt; (1983), geïnspireerd is op Malcolm Lowry&#39;s roman &lt;em&gt;Under the vulcano&lt;/em&gt; (1947).&lt;/p&gt;
&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Publieke belangstelling / Kritiek&lt;/h3&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zeer succesrijk in Vlaanderen was de debuutbundel &lt;em&gt;De lenige liefde&lt;/em&gt;, die tussen 1969 en 1986 tien aparte drukken kende, gevolgd door de afzonderlijk in Vlaanderen en Nederland gepubliceerde bundels &lt;em&gt;Met een klank van hobo&lt;/em&gt; (vier drukken sinds 1980) en &lt;em&gt;Zolang er sneeuw ligt&lt;/em&gt; (drie drukken sinds 1975). Al deze bundels, inclusief de vertaling van Edna St. Vincent Millay (drie drukken sinds 1979), werden in 1984 en 1986 nogmaals heruitgegeven in de verzamelbundel &lt;em&gt;Onbegonnen werk&lt;/em&gt;. Van &lt;em&gt;De hectaren van het geheugen&lt;/em&gt; (eerste druk 1985, 2500 exemplaren) verscheen begin 1986 een herdruk.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De charme van de speelse, erotisch-badinerende poëzie uit de gangmakersbundel heeft in niet geringe mate bijgedragen tot De Conincks succes. Behalve de grote toegankelijkheid van het idioom treft in latere bundels vooral de algemene herkenbaarheid van de autobiografisch ogende anekdotiek, ontleend aan het gezinsleven, en van melancholisch aangezette onderwerpen als liefde en eenzaamheid, verlies en gemis, aftakeling en dood. Blijkbaar hebben de toenemende complexiteit van de thematiek en de dito densiteit van de zegging de inlevingsmogelijkheden van de lezer niet aangetast.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Hoewel de kritiek in Vlaanderen niet naliet te wijzen op een zekere oppervlakkigheid en vrijblijvendheid in de eerste bundels en op enkele stijltics, reageerde zij toch positief en vaak zelfs uitermate lovend. De Conincks bekendheid in Nederland lijkt vanaf omstreeks 1980 toegenomen. Daartoe hebben onder meer bijgedragen de publikatie van enkele bundels bij een befaamd Amsterdams poëziefonds, zijn medewerking aan bladen als &lt;em&gt;Tirade&lt;/em&gt; en zijn hoofdredacteurschap van het succesrijke &lt;em&gt;Nieuw Wereldtijdschrift&lt;/em&gt;. Uit de weinige Nederlandse kritieken blijkt doorgaans slechts een matige waardering.&lt;/p&gt;
&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Verwantschap / Traditie&lt;/h3&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zoals Luuk Gruwez schrijft De Coninck het soort poëzie dat niet per se raadselachtig wil zijn, dat een toegevoegde emotionele waarde bezit en niet lijdt aan levens- en wereldvreemdheid. In de gedichten van Anna Enquist en Ed Leeflang herkent hij wat ook zijn poëzie kenmerkt: de woorden zingen zich niet meteen los van hun betekenissen, maar de betekenissen mogen mee. In een essay over de poëzie van Eva Gerlach heeft De Coninck het expliciet over verwantschap tussen hen beiden. In hun gedichten beschrijven ze vaak een heden waarin het verleden blijft rondspoken. Gerrit Komrij is van oordeel dat De Coninck in zijn poëzie de luchthartige praattoon van C. Buddingh&#39; verzoent met de serieuze problematiseringen van Hans Faverey. Als redacteur bij Manteau was Benno Barnard vanaf &lt;em&gt;De hectaren van het geheugen&lt;/em&gt; nauw betrokken bij de poëzie van Herman de Coninck. &lt;em&gt;Vingerafdrukken&lt;/em&gt; (1997), zijn laatste bundel, eindigt met een dankwoord aan Barnard en de achteraf, na zijn plotse overlijden, profetisch te duiden mededeling: ‘Ik overweeg om hem mijn volgende bundel helemaal zelf te laten schrijven.’&lt;/p&gt;
&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Kunstopvatting&lt;/h3&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In de periode 1991-1995 schreef De Coninck een wekelijkse kroniek in het culturele bijvoegsel ‘Café des Arts’ van de krant &lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt;. In die stukken en in essays die hij in dezelfde periode publiceerde in het &lt;em&gt;Nieuw Wereldtijdschrift&lt;/em&gt; en &lt;em&gt;Ons Erfdeel&lt;/em&gt;, samengebracht in de prozabundels &lt;em&gt;De flaptekstlezer&lt;/em&gt; (1992), &lt;em&gt;Intimiteit onder de melkweg&lt;/em&gt; (1994) en &lt;em&gt;De vliegende keeper&lt;/em&gt; (1995), expliciteert hij voortdurend zijn voorliefde voor het gewone woord en zijn preoccupatie met het definiëren van poëzie. In &lt;em&gt;Intimiteit onder de melkweg&lt;/em&gt; formuleert hij zijn poëticale visie als volgt: ‘Ik ben geen postmodernist en geen intertextueel. Ik verzet me niet tegen dat soort literatuur, alleen hou ik graag vol dat er ook niet-intertextuele literatuur is, die niet verwijst of subtiel citeert, maar juist probeert zo eigenwijs te zijn dat niemand anders ze geschreven kan hebben dan deze dichter.’ In de poëticadiscussie die in de jaren negentig gevoerd werd tussen dichters die een postmoderne poëtica voorstaan, zoals Erik Spinoy, Stefan Hertmans, Dirk van Bastelaere, Peter Verhelst, en dichters die een toegankelijker, publieksvriendelijker, expressief of realistisch poëzieconcept voor ogen hebben, zoals Benno Barnard, Eddy van Vliet, Luuk Gruwez en Tom Lanoye, schaarde Herman de Coninck zich aan de zijde van deze laatsten.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Volgens hem keren de postmoderne dichters de rollen om: zij hebben eerst een theorie (Derrida, Foucault, De Man) en brengen dan pas het dichten in de praktijk. Dat zij op die manier vernieuwing brengen, in tegenstelling tot de in hun ogen naïeve en gemakkelijke mainstreamdichters, vindt hij een misvatting. Ten onrechte accentueren de postmoderne dichters het chaotische van de onbestaande realiteit en van het onbestaande ik. De Coninck daarentegen pretendeert die onbestaande werkelijkheid en dat onbestaande ik tot bestaan te schrijven.&lt;/p&gt;
&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Visie op de wereld&lt;/h3&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In talrijke gedichten in de bundels uit de jaren negentig worden existentiële twijfels verwoord. Ze gaan over de condition humaine, gekenmerkt door sterfelijkheid, tijdelijkheid, vergankelijkheid. In zijn proza klinkt hetzelfde geluid. ‘Ik ben voor sterfelijkheid, voor pessimisme, voor illusieloosheid, voor intelligentie, voor onvrede’, schrijft hij in &lt;em&gt;De flaptekstlezer&lt;/em&gt;. ‘Leven is een erfelijke ziekte die wordt doorgegeven’, luidt het in &lt;em&gt;Intimiteit onder de melkweg&lt;/em&gt;. Poëzie moet de mens confronteren met het onbereikbare. ‘Misschien is de kennismaking daarmee wel erger dan die met de dood: de dood komt meestal na het leven. Het onbereikbare, daar zit je &lt;em&gt;tijdens&lt;/em&gt; je leven mee’, schrijft hij ook nog in dezelfde bundel.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In de openingscyclus, ‘De plek’, uit de bundel &lt;em&gt;Schoolslag&lt;/em&gt; (1994) worden de noties menselijke eindigheid en doodsbesef afgezet tegen observaties van de onverstoorbare natuur: de melkweg, de maancyclus, de zee. In het gedicht ‘Snowmass village’ wordt van geboorte of dood het eerste toch als het grootste wonder opgevat. Die optimistische vaststelling wordt twee gedichten verder al afgezwakt in de openingsregels van ‘Poëzie’; ‘Een schilderij heeft een lijst nodig,/ zoals geluk doodsangst.’&lt;/p&gt;
&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Relatie leven/werk&lt;/h3&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De bundels &lt;em&gt;Enkelvoud&lt;/em&gt; (1991), &lt;em&gt;Schoolslag&lt;/em&gt; en &lt;em&gt;Vingerafdrukken&lt;/em&gt; bevatten gedichten en cycli die Kristien Hemmerechts in &lt;em&gt;Taal zonder mij&lt;/em&gt; schaamteloos autobiografisch vindt. &lt;em&gt;Enkelvoud&lt;/em&gt; begint met een cyclus over De Conincks dochter Laura en bevat herinneringen aan de dag van haar geboorte, de scheiding toen ze zes was, een verjaardagsfeestje op haar elfde, zijn bezorgdheid voor haar gezondheid en veiligheid, de intimiteit in de omgang van de vader met het dochtertje. In &lt;em&gt;Enkelvoud&lt;/em&gt; staat ook een kort gedicht over zijn zoon Tomas, die De Coninck als weduwnaar-vader een tijd alleen heeft opgevoed na het dodelijk ongeval van zijn moeder, An Somers. Hij klaagt erin over de afwezigheid van de moeder en foetert over de onhandelbaarheid van zijn zoon met deze vileine regels: ‘Zeggen, nadat hij/ zes uur voor de televisie heeft gelegen, dat hij uit moet kijken voor doorligwonden// kan ik alleen.’&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;Schoolslag&lt;/em&gt; bevat twee gedichten over An opgedragen aan Tomas. De titels zijn jaartallen: ‘1969’, het jaar waarin hij met haar trouwde, en ‘1971’, het jaar waarin ze verongelukte. ‘Parabel van de verloren vader’ uit Vingerafdrukken is De Conincks averechtse versie van de vreugde om de terugkeer van de verloren zoon, Tomas.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De cycli ‘Mechelen’ uit de bundel &lt;em&gt;Schoolslag&lt;/em&gt; en ‘Nu, dus’, die &lt;em&gt;Vingerafdrukken&lt;/em&gt; afsluit, zijn ronduit autobiografisch. In ‘Mechelen’ noemt hij zijn moeder een ‘moeilijke moeder’ en in ‘Nu, dus’ ‘een streng wijf’. In een brief aan de Nederlandse vertaalster Ria Loohuizen, wier moeder overleden was, schreef hij: ‘Ik heb geen biezonder hechte band met mijn ouders gehad, misschien had ik die met mijn vader &lt;u&gt;kunnen&lt;/u&gt; krijgen, met mijn moeder nooit. [...] Ze was een keiharde vrouw. Maar op het einde van haar leven noemden de mensen haar “madammeke De Coninck”. Die verkleinvorm, dat is wat ik haar heb aangedaan. Daar schrijf je dan gedichten over.’ In &lt;em&gt;Enkelvoud&lt;/em&gt; staat het gedicht ‘1983’ waarin hij zijn waardering uitspreekt over zijn moeder als liefhebbende grootmoeder van zijn zoon. Die had hij ook al uitgedrukt in het gedicht ‘Een agendablaadje met gezegden van je kleinzoon’ uit de cyclus ‘Glasscherven in de zon (in memoriam matris)’ uit de bundel &lt;em&gt;De hectaren van het geheugen&lt;/em&gt;. Maar in ‘1983’ uit hij ook zijn teleurstelling: had zij dezelfde gevoelens als voor haar kleinzoon maar voor mij, haar zoon, gehad.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In ‘Mechelen’ staan ook gedichten over de manier waarop hij de pedofilie van zijn vader heeft ervaren, hoe hij gestorven is en hoe zijn moeder daarop gereageerd heeft.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In zijn bespreking van &lt;em&gt;Vingerafdrukken&lt;/em&gt; concludeert Ad Zuiderent terecht: ‘Ook in &lt;em&gt;Vingerafdrukken&lt;/em&gt; speelt intimiteit een belangrijke rol. Zonder naasten, geliefden, kinderen, ouders had De Coninck niet kunnen dichten.’&lt;/p&gt;
&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Ontwikkeling / Thematiek&lt;/h3&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;em&gt;Enkelvoud&lt;/em&gt; bestaat uit drie cycli. De eerste cyclus, ‘Het meervoud van geluk’, bevat liefdespoëzie voor zijn dochter. De tweede cyclus, ‘Zonder’, gaat over het verlies, de pijn, de wanhoop wanneer de scheiding van zijn tweede vrouw, die hij niet had zien aankomen, een feit geworden is. Hij vergelijkt het verdriet om dat verlies met het verdriet van een kind dat zijn ballon ziet wegvliegen. In de laatste cyclus ‘Onderweg’ vindt hij sereniteit in landschappen (Bas-Oha, Carteret, Port-Cros, Taarlo) die hij zo elementair mogelijk tracht te verwoorden.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De reflectie over ‘hebben’ versus ‘zijn’ komt als thema vaak voor in zijn essays, maar ook in tal van zijn gedichten. In de bundel &lt;em&gt;Schoolslag&lt;/em&gt; eindigt het laatste van de vier liefdesgedichten voor Kristien Hemmerechts met de volgende woordenwisseling:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;‘Zit daar niet zo te hebben,’ zeg ik&lt;br/&gt;tegen jou met je dochter op schoot.&lt;br/&gt;Het is zondag. Het nu is sterke koffie.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Brood. Jonge kaas. Werkelijkheid&lt;br/&gt;is groot, wij klein. Je zegt:&lt;br/&gt;‘Zit daar niet zo te zijn.’&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In ‘De Plek’, de openingscyclus van &lt;em&gt;Schoolslag&lt;/em&gt;, worden zowat alle thema&#39;s aangeraakt die de poëzie van De Coninck beheersen. Er is het besef dat het leven hier en nu geleefd moet worden en dat de dood onvermijdelijk is. Het menselijk bestaan is een oefening in sterfelijkheid, ‘een rillend wachten op de laatste ril’. In contrast met die menselijke nietigheid staat de kracht van de natuur, vooral van de zee. De zee concretiseert de onsterfelijkheid die voor de mens onbereikbaar is en verbeeldt de oneindigheid. Geconfronteerd met de vele verschijningsvormen van de zee wordt de dichter zich nog scherper bewust van zijn eindigheid. De maakbaarheid van de mens is een illusie, de maakbaarheid van de zee een feit, volgens De Coninck in volgende regels uit de Nagelaten gedichten: ‘Zee gelooft in de/ maakbaarheid van zee, kan niet anders dan zich maken/ en maken om aan de oppervlakte te geraken.’&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman de Coninck is niet alleen een schrijver van gedichten maar ook over gedichten. Zijn columns en essays werden in vijf bundels gepubliceerd. In zijn poëziekronieken en -kritieken parafraseert hij vrijwel nooit inhouden, maar legt hij uit waarom hij gegrepen wordt door een gedicht of waarom het niet werkt. Hij wijst trends aan, legt verbanden, formuleert hypothesen over wat hij de essentie van poëzie vindt. Behalve criticus is hij meestal in de eerste plaats een supporter van de poëzie die hij onder de loep neemt. In andermans poëzie die hem aanspreekt probeert hij in de analyse ervan zo fijnzinnig mogelijk ook de emoties recht te doen. Volgens hem worden die door de vertegenwoordigers van de postmoderne poëtica, met de nadruk die ze leggen op begrippen, ideologie en structuren, ten onrechte verwaarloosd. Zijn krantenstukken en essays zijn verslagen van zijn leesavontuur en geen vertogen waarin hij zijn persoonlijke visie op de besproken bundels tot een absolute maatstaf verheft.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In al zijn prozabundels wordt het schrijven van poëzie verbonden met de ervaring dat leven geleidelijk sterven is en dat doodsverlangen niet noodzakelijk negatief is. In een essay in &lt;em&gt;Intimiteit onder de melkweg&lt;/em&gt; met de titel ‘Het hiernamaals nu’ schrijft De Coninck: ‘Bewust sterven, bij voorkeur ten minste gedurende het hele laatste decennium van je leven, is een van de weinige ervaringen die voldoet aan de volledigheidbehoefte van de mens, aan zijn afrondingsbehoefte.’&lt;/p&gt;
&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Stijl / Techniek&lt;/h3&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Altijd heeft De Coninck met graagte de lezer over zijn schouder laten meekijken naar de manier waarop zijn gedichten tot stand komen. Dat is ook het geval in de cyclus ‘O, de o! (Een stijlleer in zeven lessen)’. Die cyclus met poëticale gedichten begint met ‘Ars poëtica’, waarin hij nogmaals zijn streven uitlegt dat hij in &lt;em&gt;Intimiteit onder de melkweg&lt;/em&gt; als volgt geformuleerd heeft: ‘Er is maar één ding beter dan woorden hebben, en dat is: géén woorden hebben. Het moet gezegd dat dichters daarnaar streven door er zo weinig mogelijk te hebben.’&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman de Coninck had een patent op het gebruik van de vergelijking als stijlmiddel maar ook als hulpmiddel bij de verduidelijking van wat gemis, tijdelijkheid, werkelijkheid, betekenis eigenlijk is. In ‘O, de o!’ staan vijf gedichten met de overkoepelende titel ‘Zoals’. Het vierde uit de reeks opent als volgt:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik legde een halssnoer rond je hals&lt;br/&gt;zoals ‘zoals’ rond een zin.&lt;br/&gt;Hij veranderde daarvan, zoals je hals&lt;br/&gt;er langer van werd, hoger keek.&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In &lt;em&gt;Enkelvoud&lt;/em&gt; valt op dat De Coninck de realiteit talig zo manipuleert dat ze tegelijk voller en schraler wordt. Zijn gedichten veranderen de werkelijkheid niet, ze beogen de aanvaarding ervan. En dat doet hij door zo weinig mogelijk woorden toe te laten, zoals in deze regels uit ‘Het meervoud van geluk’:&lt;/p&gt;
&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zoals woorden. De dingen gebeuren.&lt;br/&gt;Zonder woorden zouden ze ook gebeuren.&lt;br/&gt;Maar dan zonder woorden.&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In de cycli ‘Zonder’ en ‘Onderweg’ gebruikt hij de herhaling om een Droste-effect te creëren en de lezer ervan te overtuigen dat de werkelijkheid is zoals ze is. Hij werkt ook graag en vaak toe naar een verrassende pointe of vraag en maakt gebruik van woordspelingen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ad Zuiderent heeft erop gewezen dat De Coninck in &lt;em&gt;Vingerafdrukken&lt;/em&gt; procedés gebruikt zoals conversatieneologismen (‘een wegje &lt;em&gt;canyont&lt;/em&gt; zich de diepte in’), vergelijkingen die zichzelf opheffen (‘Hoe hij dat doet, de avond, vallen?/ (Zoals motregen, maar dan zonder motregen?’), het spelen met bekende uitdrukkingen (‘natuur die vijf miljard puntjes tegelijk/ op haar i&#39;s zet’ - over sloten onder kroos). Hij erkent dat het procedés zijn die direct werken, maar met alle gevaren van meligheid.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Daartegenover staat de nooit aflatende poging van De Coninck om het onzegbare te veroveren. ‘Dat is haar terrein: als het gewoon zegbaar zou zijn, kan iedereen het. Poëzie moet iets van die onzegbaarheid veroveren. Ze kan dat door over een grotere taaltechniek en virtuositeit en raffinement te beschikken dan de gemiddelde mens, en over rijm en stafrijm en klank en behendigheid en verbaal vingerspitsengevoel’, schrijft hij in &lt;em&gt;De vliegende keeper&lt;/em&gt;.&lt;/p&gt;
&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Publieke belangstelling&lt;/h3&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Als dichter werd De Coninck bekender in Vlaanderen dan in Nederland. Dat Geert van Oorschot &lt;em&gt;Zo lang er sneeuw ligt&lt;/em&gt; wilde uitgeven, was voor hem belangrijker dan wat nadien de gezamenlijke critici van die bundel vonden, schrijft hij aan Van Oorschot. Zijn dichtbundels en essaybundels werden vanaf 1991 gepubliceerd door De Arbeiderspers.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In zijn Voorwoord van &lt;em&gt;De vliegende keeper&lt;/em&gt; (1995) geeft hij als een van de redenen waarom hij toch weer tot de bundeling van zijn stukjes is overgegaan dat ook Nederlanders dan kennis kunnen nemen van zijn stukken die eerder in &lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt; verschenen zijn. In Vlaanderen was zijn poëzie immens populair en al werd ze zoals gezegd de inzet van een debat tussen expressieve en postmoderne dichters, ook in de kritiek kon ze doorgaans op veel sympathie en erkenning rekenen. Van de afzonderlijke dichtbundels werden in totaal meer dan 55.000 exemplaren gedrukt, van de afzonderlijke essaybundels meer dan 16.000. Ook de verzamelde gedichten, het verzameld proza en de editie van zijn brieven bereikten in Vlaanderen een groot publiek.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Kaart van een Grieks eiland</title><link>https://hermandeconinck.com/kaart-van-een-grieks-eiland/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/kaart-van-een-grieks-eiland/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman, ik had je nog een kaart willen schrijven, &lt;br/&gt; zo’n lullige ansicht, voorzien van een grap &lt;br/&gt; over, nou ja, je weet wel waarover, &lt;br/&gt; &lt;br/&gt; maar ik hoorde dat je al dood was &lt;br/&gt; voor ik een grap had gevonden. &lt;br/&gt; &lt;br/&gt; Ik leef nog, ons gesprek is niet af, &lt;br/&gt; maar ik leef deze laatste dagen gebogen, over woorden &lt;br/&gt; die ik doorstreep, weer opschrijf - &lt;br/&gt; &lt;br/&gt; Waar hadden we het over, waar &lt;br/&gt; waren we gebleven, zonder de dood te verwachten &lt;br/&gt; schrijf je geen poëzie, daar waren we &lt;br/&gt; het hartroerend over eens, &lt;br/&gt; &lt;br/&gt; poëzie was geluk, het geluk om een paar woorden &lt;br/&gt; te vinden die even bij elkaar wilden horen &lt;br/&gt; voor de dood ons kwam halen, &lt;br/&gt; &lt;br/&gt; een grap, een zorgvuldig verzwegen grap &lt;br/&gt; om de dood, deze doorstrepen en weer opschrijven, &lt;br/&gt; zo was poëzie. &lt;br/&gt; &lt;br/&gt; Ik zal je dus nooit meer zien. &lt;br/&gt; &lt;br/&gt; Ik leef deze laatste dagen gebogen, voor dat alles, &lt;br/&gt; voor dat verlegen lichaam, dat weemoedige hoofd &lt;br/&gt; waarmee je sprak, voor dat alles &lt;br/&gt; levend wordt begraven, &lt;br/&gt; &lt;br/&gt; ik bedoel, ik leef gebogen over die kaart, &lt;br/&gt; je weet wel, zo&#39;n veel te blauwe zee, &lt;br/&gt; zo&#39;n veel te blauwe hemel: &lt;br/&gt; Happy days in Greece.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Leer het me Herman</title><link>https://hermandeconinck.com/leer-het-me-herman/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/leer-het-me-herman/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; Leer het me Herman, ik ben nog zo klein.&lt;br/&gt; Leer me daar vallen, en zonder te huilen,&lt;br/&gt; dwars door de stoep van een wildvreemde stad.&lt;br/&gt; &lt;br/&gt; Ook ik moet mijn gezicht vergeten.&lt;br/&gt; Ook ik moet met geen vorm en geen gewicht&lt;br/&gt; het diep in van een ander land.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>O, ik weet het niet</title><link>https://hermandeconinck.com/o-ik-weet-het-niet/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/o-ik-weet-het-niet/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;o, ik weet het niet,&lt;br/&gt;
maar besta, wees mooi.&lt;br/&gt;
zeg: kijk, een vogel &lt;br/&gt;
en leer me de vogel zien &lt;br/&gt;
zeg: het leven is een brood &lt;br/&gt;
om in te bijten en de appels zien rood &lt;br/&gt;
van plezier, en nog, en nog, zeg iets.&lt;br/&gt;
leer me huilen, en als ik huil &lt;br/&gt;
leer me zeggen: het is niets.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Sprookje</title><link>https://hermandeconinck.com/sprookje/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/sprookje/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Er was eens een man&lt;br/&gt;
die altijd rechtvaardig was.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Je truitjes en je witte en rode</title><link>https://hermandeconinck.com/je-truitjes-en-je-witte-en-rode/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/je-truitjes-en-je-witte-en-rode/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Je truitjes en je witte en rode&lt;br/&gt;
sjaals en je kousen en je slipjes&lt;br/&gt;
(met liefde gemaakt, zei de reclame)&lt;br/&gt;
en je brassières (er steekt poëzie in&lt;br/&gt;
die dingen, vooral als jij ze draagt)-&lt;br/&gt;
ze slingeren rond in dit gedicht&lt;br/&gt;
als op je kamer. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Kom er maar in, lezer, maak het je&lt;br/&gt;
gemakkelijk, struikel niet over de&lt;br/&gt;
zinsbouw en over de uitgeschopte schoenen, gaat u zitten. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;(Intussen zoenen wij even in deze&lt;br/&gt;
zin tussen haakjes, zo ziet de lezer&lt;br/&gt;
ons niet.) Hoe vindt u het,&lt;br/&gt;
dit is een raam om naar de werkelijkheid&lt;br/&gt;
te kijken, alles wat u daar ziet&lt;br/&gt;
bestaat. Is het niet allemaal&lt;br/&gt;
als in een gedicht?&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Een dag om je prettig te voelen, om</title><link>https://hermandeconinck.com/een-dag-om-je-prettig-te-voelen-om/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/een-dag-om-je-prettig-te-voelen-om/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Een dag om je prettig te voelen, om&lt;br/&gt;
de 1000 meter te lopen, Hemingway&lt;br/&gt;
te lezen en van je te houden &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De zon is een gulle welgedane man,&lt;br/&gt;
de directeur van de sunkistfabrieken&lt;br/&gt;
bij voorbeeld, hij kan alles gedaan krijgen. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;O.a. dat jij in de laatste strofe van dit&lt;br/&gt;
gedicht staat, in nog enkel een broekje&lt;br/&gt;
zo dun als het ogenblik voor je het uittrekt.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Met handen kun je alles: een sigaret</title><link>https://hermandeconinck.com/met-handen-kun-je-alles-een-sigaret/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/met-handen-kun-je-alles-een-sigaret/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Met handen kun je alles: een sigaret&lt;br/&gt;
opsteken, haren strelen,&lt;br/&gt;
een borst aanraken, een borst niet aanraken -&lt;br/&gt;
dit allemaal opschrijven.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Men moest maar eens ophouden,&lt;br/&gt;
tenminste in de vakantie,&lt;br/&gt;
met daar zo&#39;n waardeonderscheid tussen te maken.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Februari</title><link>https://hermandeconinck.com/februari/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/februari/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De berken staan grauwwit &lt;br/&gt;
als dunne aspergeachtige damesbenen &lt;br/&gt;
voor het eerst zonder nylons. &lt;br/&gt;
Het kreupelhout schuurt knisperig &lt;br/&gt;
als een huig-r langs onze kleren; &lt;br/&gt;
het kreupelhout waaraan als nevel &lt;br/&gt;
de sluiers van door en door luchtig geklede &lt;br/&gt;
voor te lompe liefde voortvluchtige, &lt;br/&gt;
altijd een beetje te licht lachende minnaressen &lt;br/&gt;
zijn blijven hangen. &lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
Het is niet meteen duidelijk of we mekaar &lt;br/&gt;
zo stevig vastpakken uit kou of uit liefde &lt;br/&gt;
maar misschien is dat hetzelfde. &lt;br/&gt;
Want koud is het hier &lt;br/&gt;
als in een soort kathedraal, het soort, &lt;br/&gt;
diepvriesreligie dat 2000 jaar lang Christus &lt;br/&gt;
koel heeft bewaard. En de zon schijnt &lt;br/&gt;
als het lichtje in een koelkast. &lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
En de mist &#39;s avonds lijkt op het soort vaagheid &lt;br/&gt;
dat ontstaat in het hoofd van een seniele god &lt;br/&gt;
die niets meer, laat staan een landschap, &lt;br/&gt;
kan onthouden. Kijk maar waar ie nou weer &lt;br/&gt;
Leuven anno 1975 heeft verloren gelegd.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Nog een geluk dat</title><link>https://hermandeconinck.com/nog-een-geluk-dat/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/nog-een-geluk-dat/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Nog een geluk dat&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
Zoals met de gek uit het grapje&lt;br/&gt;
die zich voortdurend met een hamer&lt;br/&gt;
op het hoofd sloeg, en naar de reden gevraagd, zei:&lt;br/&gt;
&#34;Omdat het zo prettig is, als ik ermee ophou&#34;-&lt;br/&gt;
zo is het een beetje met mij. Ik ben ermee opgehouden&lt;br/&gt;
je te verliezen. Ik ben je kwijt.&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
Misschien is dat geluk: een geluk bij een ongeluk.&lt;br/&gt;
Misschien is geluk: Nog een geluk dat.&lt;br/&gt;
Dat ik aan jou kan terugdenken, bv.,&lt;br/&gt;
in plaats van aan een ander.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>De spoorbaan ligt mijlen verder daarbuiten</title><link>https://hermandeconinck.com/de-spoorbaan-ligt-mijlen-verder-daarbuiten/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/de-spoorbaan-ligt-mijlen-verder-daarbuiten/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De spoorbaan ligt mijlen verder daarbuiten.&lt;br/&gt;
De kamer is vol vrolijk gepraat.&lt;br/&gt;
En toch hoor ik die ene trein die er slechts staat&lt;br/&gt;
minstens tien keer per dag fluiten.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De hele nacht komt er geen trein voorbij.&lt;br/&gt;
De hele nacht is stil van slapen en van kreunen.&lt;br/&gt;
En toch zie ik de rode gensters uit zijn schouw&lt;br/&gt;
en hoor ik zijn machines steunen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Mijn hart is vol van vrienden en van jou.&lt;br/&gt;
Beter gezelschap vind ik nooit meer in dit leven.&lt;br/&gt;
En toch is er geen trein die ik niet nemen zou,&lt;br/&gt;
waarheen is mij om het even.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Steepletop</title><link>https://hermandeconinck.com/steepletop/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/steepletop/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Hoor eens jij, basilicum, en jij&lt;br/&gt;
daar, Lemon Verbena, jullie allebei:&lt;br/&gt;
nu is het aan jullie om je wat te sterken&lt;br/&gt;
tegen de vorst. Ik zorgde voor snoeien.&lt;br/&gt;
Ik ben te moe om nog aan jullie te werken.&lt;br/&gt;
Ik zorgde voor spalken en sproeien.&lt;br/&gt;
Jullie beurt nu. Ik heb andere dingen aan m&#39;n hoofd.&lt;br/&gt;
En overigens mag ook ik wel eens groeien,&lt;br/&gt;
en een grote dichteres worden, zoals beloofd.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Voor mekaar</title><link>https://hermandeconinck.com/voor-mekaar/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/voor-mekaar/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Vroeger hield ik alleen van je ogen.&lt;br/&gt;
Nu ook van de kraaiepootjes ernaast.&lt;br/&gt;
Zoals er in een oud woord als meedogen&lt;br/&gt;
meer gaat dan in een nieuw. Vroeger was er alleen haast &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;om te hebben wat je had, elke keer weer.&lt;br/&gt;
Vroeger was er alleen maar nu. Nu is er ook toen.&lt;br/&gt;
Er is meer om van te houden.&lt;br/&gt;
Er zijn meer manieren om dat te doen. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zelfs niets doen is er daar één van.&lt;br/&gt;
Gewoon bij mekaar zitten met een boek.&lt;br/&gt;
Of niet bij mekaar, in &#39;t café om de hoek. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Of mekaar een paar dagen niet zien&lt;br/&gt;
en mekaar missen. Maar altijd mekaar,&lt;br/&gt;
nu toch al bijna zeven jaar.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Vijfjarenplan</title><link>https://hermandeconinck.com/vijfjarenplan/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/vijfjarenplan/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik hou van jou. Hou jij van wat niet kan.&lt;br/&gt;
Hou jij van je capaciteiten, ik van je gebreken.&lt;br/&gt;
Jij van je trots, en ik van hoe die zacht kan breken&lt;br/&gt;
in mijn armen. Jij van je moed. Ik van je zwakte&lt;br/&gt;
   nu en dan.&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
Hou jij van de toekomst. Ik van wat voorbij is gegaan.&lt;br/&gt;
Hou jij van de honderd levens die je wilde leven.&lt;br/&gt;
Ik hou van dat ene dat is overgebleven&lt;br/&gt;
en van hoe je daarom zo ver weg kunt zijn dicht&lt;br/&gt;
   tegen me aan.&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
Ik hou van wat is. Jij van wat zou.&lt;br/&gt;
Hou jij van mij. Ik hou van jou.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Wraak</title><link>https://hermandeconinck.com/wraak/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/wraak/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik sta geregistreerd. Geboorte, plaats, tijd.&lt;br/&gt;
Ik sta voor zowat één kilo papier:&lt;br/&gt;
geboorteakte militie, verhuizen van daar naar hier,&lt;br/&gt;
politieke sympathieën, vakbondsaangehorigheid.&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
Daarom ben ik op zoek naar een plek op de&lt;br/&gt;
   grens van drie naties.&lt;br/&gt;
Daar wil ik dan sterven.&lt;br/&gt;
Want ik wil met mijn dood op z&#39;n minst het&lt;br/&gt;
   plezier bederven&lt;br/&gt;
van een stuk of twintig administraties.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Sneeuwstorm</title><link>https://hermandeconinck.com/sneeuwstorm/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/sneeuwstorm/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In mijn streek zegt men &#39;ver&#39; in de zin van &lt;br/&gt;
&#39;bijna&#39;. Het is al &#39;ver&#39; winter. &lt;br/&gt;
En zo ver is het inderdaad. Sneeuw is eeuwig leven &lt;br/&gt;
op een wit blad zonder letters geschreven, &lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
niets is nog hier, alles is ginder. &lt;br/&gt;
Zoals dat boerderijtje, tien vadem &lt;br/&gt;
onder de sneeuw. Sneeuw doet het landschap &lt;br/&gt;
wat longen doen bij het inhouden van adem, &lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
wat ik doe door niet te zeggen &lt;br/&gt;
hoe ik me tastend op alle plaatsen &lt;br/&gt;
en duizend keer per minuut en amechtig &lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
en toch zoekend en bijna plechtig, &lt;br/&gt;
en lief en definitief, op jou wil neerleggen &lt;br/&gt;
als sneeuw, van de eerste vlok tot de laatste.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Zoals dit eiland van de meeuwen</title><link>https://hermandeconinck.com/zoals-dit-eiland-van-de-meeuwen/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/zoals-dit-eiland-van-de-meeuwen/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zoals dit eiland van de meeuwen&lt;br/&gt;
is en de meeuwen van hun krijsen&lt;br/&gt;
en hun krijsen van de wind&lt;br/&gt;
en de wind van niemand,&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
zo is dit eiland van de meeuwen&lt;br/&gt;
en de meeuwen van hun krijsen&lt;br/&gt;
en hun krijsen van de wind&lt;br/&gt;
en de wind van niemand. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;
&lt;img alt=&#34;Herman de Coninck&#34; height=&#34;275&#34; src=&#34;https://hermandeconinck.com/images/bron-hermandeconinck-be/deconinck.jpg&#34; width=&#34;433&#34;/&gt;
&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Gedicht van Herman de Coninck geplaatst bij de RST-camping in 
de duinen bij De Koog. &lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Heb mij nodig. Kun mij niet missen</title><link>https://hermandeconinck.com/heb-mij-nodig-kun-mij-niet-missen/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/heb-mij-nodig-kun-mij-niet-missen/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Heb mij nodig. Kun mij niet missen&lt;br/&gt;
Heb verdriet. Ik heb daar van alles tegen,&lt;br/&gt;
Levensbeschouwing, aforismen, groter verdriet:&lt;br/&gt;
Het is familie. Van geluk weet ik dat niet.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Er is geluk waarmee je alleen&lt;br/&gt;
moet zijn. Het te grote,&lt;br/&gt;
Zo heb ik, toen jij geboren was, een dag&lt;br/&gt;
door bossen gelopen. En toen pas besloten&lt;br/&gt;
dat jij er misschien mee te maken had,&lt;br/&gt;
en je moeder, die ik kende van vroeger.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Er is keihard geluk, waarvoor je moet&lt;br/&gt;
achterlaten en hebben en twintig zijn&lt;br/&gt;
zoals in het Frans: twintig jaar hebben.&lt;br/&gt;
Heb mij niet nodig. Kun mij missen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Pas later ben je ooit weer twaalf geweest.&lt;br/&gt;
Dan kun je ook rustig veertig worden.&lt;br/&gt;
Dan is geluk verdriet. Een naald die Schubert leest&lt;br/&gt;
Kun mij dan missen maar doe het niet.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>‘Slaap maar,’ zeg ik</title><link>https://hermandeconinck.com/slaap-maar-zeg-ik/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/slaap-maar-zeg-ik/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&#39;Slaap maar,&#39; zeg ik&lt;br/&gt;
tegen een dochter die allang slaapt&lt;br/&gt;
en daar wakker van wordt.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het onweert. Misschien wil ik wel&lt;br/&gt;
dat zij bang is, dan kan ik vader zijn.&lt;br/&gt;
Maar ik kan niets anders dan samen met haar&lt;br/&gt;
niets kunnen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zoals woorden. De dingen gebeuren.&lt;br/&gt;
Zonder woorden zouden ze ook gebeuren.&lt;br/&gt;
Maar dan zonder woorden.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Zonder begrip</title><link>https://hermandeconinck.com/zonder-begrip/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/zonder-begrip/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zonder begrip.&lt;br/&gt;
(Je kunt jezelf begrijpen,&lt;br/&gt;
je kunt een atoombom begrijpen.)&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zonder zin.&lt;br/&gt;
(Zou hij glimlachen?&lt;br/&gt;
Ja, hij zal maar eens glimlachen.&lt;br/&gt;
Hij glimlacht de kalk van zijn gezicht.)&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zonder herinnering.&lt;br/&gt;
Of met alleen zijn laatste herinnering?&lt;br/&gt;
Nee. Zonder.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Vingerafdrukken op het venster</title><link>https://hermandeconinck.com/vingerafdrukken-op-het-venster/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/vingerafdrukken-op-het-venster/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik denk dat poëzie iets is als vingerafdrukken&lt;br/&gt;
op het venster, waarachter een kind dat niet kan slapen&lt;br/&gt;
te wachten staat op de dag. Uit aarde komt nevel,&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
uit verdriet een soort ach. Wolken&lt;br/&gt;
zorgen voor vijfentwintig soorten licht.&lt;br/&gt;
Eigenlijk houden ze het tegen. Tegenlicht.&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
Het is nog te vroeg om nu te zijn. Maar de rivieren&lt;br/&gt;
vertrekken alvast. Ze hebben het geruis&lt;br/&gt;
uit de zilverfabriek van de zee gehoord.&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
Dochter naast me voor het raam. Van haar houden&lt;br/&gt;
is de gemakkelijkste manier om dit alles te onthouden.&lt;br/&gt;
Vogels vinden in de smidse van hun geluid&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
uit, uit, uit.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Pointillisme</title><link>https://hermandeconinck.com/pointillisme/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/pointillisme/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;&lt;em&gt;Voor Laura en Tom&lt;/em&gt;&lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;br/&gt;
Sloten onder kroos, pointillisme&lt;br/&gt;
van groen, stilliggend geril&lt;br/&gt;
van begin, natuur die vijf miljard puntjes tegelijk&lt;br/&gt;
op haar i&#39;s zet.&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
Ik op mijn buik langs zo&#39;n sloot.&lt;br/&gt;
Geef me mijn bril eens. Puntjes op de i inspecteren&lt;br/&gt;
is mijn beroep en vooral: daarbij op mijn buik liggen.&lt;br/&gt;
Hoeveel puntjes heb je nodig voor groen?&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
Hoeveel zandkorrels, zandkorzels, voor strand?&lt;br/&gt;
Hoeveel mensen voor mensheid?&lt;br/&gt;
Twee.&lt;br/&gt;
Iemand met sproeten, en iemand die ze telt.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Parabel van de verloren vader</title><link>https://hermandeconinck.com/parabel-van-de-verloren-vader/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/parabel-van-de-verloren-vader/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zoon wil wereld veranderen.&lt;br/&gt;
Vader eigenlijk liever zoon.&lt;br/&gt;
Maar hij kan alleen een zin veranderen&lt;br/&gt;
tot die niet meer anders wil.&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
Je zal maar jong zijn en meningen hebben&lt;br/&gt;
van anderen, en verder niks,&lt;br/&gt;
niet eens een dode vader.&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
&#39;Dat eigen leven, begin daar gvd. eens mee,&lt;br/&gt;
en kom over tien jaar eens terug met verdriet&lt;br/&gt;
in plaats van gelijk, bijvoorbeeld na een vrouw of twee.&lt;br/&gt;
Dat ik kan zeggen: je bent dezelfde gebleven.&#39;&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
Het bovenstaande is tien jaar geleden geschreven.&lt;br/&gt;
En aldus is tien jaar later geschied.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>De troost van een vergelijking</title><link>https://hermandeconinck.com/de-troost-van-een-vergelijking/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/de-troost-van-een-vergelijking/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;article-publication&#34;&gt;15 september 1999&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph article-introduction&#34;&gt;In deze achttiende Woensdageditie van de Meanderkrant  
tracht Meanderredacteur Sophie van Schouwen aan de hand 
van het werk van Herman de Coninck uit te leggen 
welk verband er bestaat tussen poëzie en vergelijkingen,  
tussen poëzie en troost, en hoe, als gevolg daarvan, een  
vergelijking troost kan bieden. Het resultaat hiervan is een  
interessant en lezenswaard artikel.  &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dit artikel gaat in hoofdzaak over de vergelijking in het werk  
van de in 1997 op 53-jarige leeftijd overleden Vlaamse dichter  
Herman de Coninck. 
Ik kwam mede tot de titel van dit artikel - een dichtregel van  
de hand van De Coninck zelf - omdat de &#39;troost van een  
vergelijking&#39; alles te maken heeft met de hoofdvraag van dit  
artikel: Hoe en waarom gebruikt Herman de Coninck vergelijkingen  
in zijn poëzie? Dit is mijn verwachting:&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Bij De Coninck is het gebruik van de vergelijking niet alleen  
een &#39;instrument van de dichter&#39;, maar dient dit stijlmiddel óók  
als hulpmiddel bij het omgaan met verdriet, zowel van de auteur  
als van de lezer.&lt;/p&gt;&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Poëzie en vergelijkingen&lt;/h2&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het lijkt mij handig, om te beginnen met in herinnering te  
brengen wat de begrippen &#34;metafoor&#34; en &#34;vergelijking&#34; inhouden.  
Om het kort te houden kan ik het zo zeggen: Het voornaamste  
kenmerk van een vergelijking is het woordje &#39;zoals&#39;, of een  
afgeleide daarvan. Een metafoor is in principe een sterk  
gereduceerde of, net hoe je het bekijkt, een sterk doorgevoerde  
vergelijking: Zowel het vergelijkingswoordje als het object 
zijn bij een metafoor verdwenen. De vergelijking is zover  
doorgevoerd dat het object vervangen is door het beeld. Het komt  
er op neer, dat een metafoor wel een vergelijking is, maar een  
vergelijking is niet altijd een metafoor. Voor het gemak zal  
ik in het verdere verloop van dit artikel voornamelijk de term  
&#34;vergelijking&#34; gebruiken; wanneer hetgeen waar ik het over heb  
specifiek een metafoor betreft, zal ik dat erbij vermelden.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dichterlijk taalgebruik vertoont een aantal kenmerken die  
we niet allemaal in elk gedicht aantreffen, maar die soms  
afzonderlijk en zeker in combinatie met elkaar een bepaalde  
taal-uiting tot poëzie maken. Voorbeelden voor die kenmerken  
zijn: De aanwezigheid van een metrum, van ritme, van een of  
andere vorm van rijm, maar ook: De aanwezigheid van een 
vergelijking. Deze kunnen we onderverdelen in aangekondigde en 
onaangekondigde vergelijkingen. De &#34;onaangekondigde&#34;, dus de 
vergelijkingen zonder een inleidend vergelijkingswoordje, zijn 
vanzelfsprekend de metaforen. Men zou kunnen stellen, dat taal  
die een beeld wil oproepen van wat onbekend of onbestemd is per  
definitie vergelijkende taal is, omdat ze het onbekende wil  
uitdrukken met behulp van iets dat wèl bekend is. Omdat deze  
laatste functie zowel als het beeldend karakter van de taal  
dàtgene typeert dat we &#34;poëzie&#34; noemen, kunnen we zeggen dat de  
vergelijking niet alleen een stijlmiddel van de poëzie is, maar  
daar bovenuit ook een dimensie van de poëzie. Om het kort te  
zeggen: Vergelijkingen zijn eigenlijk niet los te denken van  
poëzie.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Poëzie en vergelijkingen zijn dan misschien wel  
onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar als dat bij iemand  
wel heel duidelijk wordt, dan is dat wel bij Herman de Coninck.  
Neem nu het volgende gedicht van zijn hand:&lt;/p&gt;&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zoals dit eiland van de meeuwen&lt;br/&gt;
is en de meeuwen van hun krijsen&lt;br/&gt;
en hun krijsen van de wind&lt;br/&gt;
en de wind van niemand,&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;zo is dit eiland van de meeuwen&lt;br/&gt;
en de meeuwen van hun krijsen&lt;br/&gt;
en hun krijsen van de wind&lt;br/&gt;
en de wind van niemand. &lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wat moet Herman de Coninck zich geniaal hebben gevoeld na het  
schrijven van dit gedicht, denk ik dan. Ik stel me het zo voor:  
Hij, Herman de Coninck, achter zijn bureau, dit gedicht  
nalezend en tot de conclusie komend dat het klopt. Ikzelf heb  
dit gedicht zeker een aantal keren moeten doorlezen om tot die  
conclusie te komen. De logica in het gedicht komt op het  
eerste gezicht bijna *te* simpel over. Maar die simpele 
logica, die blijkt zeer zeker doordacht te zijn! En dan kom  
ik op het punt waarom ik dit gedicht heb aangehaald: Hieruit  
blijkt, dat de Coninck &#34;de vergelijking&#34; (de stijlfiguur)  
niet altijd ziet als een middel om het beeld te verhelderen of  
om een beeld te vormen, oftewel, De Coninck gebruikt deze  
stijlfiguur niet op de gebruikelijke manier! Met het  
bovenstaand vergelijkende gedicht wordt de lezer iets  
duidelijk gemaakt. De &#39;wetenschap van het missen&#39; wordt hier  
duidelijk gemaakt. Het missen van iets om mee te vergelijken.  
Want, wat De Coninck naar we mogen aannemen met dit gedicht  
zeggen wil, is, dat alles uiteindelijk weer op zichzelf  
neerkomt, en alleen maar met het eenzame zichzelf vergeleken  
kan worden. Zoals Rob Schouten het zegt in Vrij Nederland:  
&#34;Wereld, geluid, uiteindelijk is alles afkomstig van niemand  
en met niets anders te vergelijken dan met zichzelf&#34;. Volgens  
Hugo Brems is &#34;zoals&#34; tragisch, maar noodzakelijk, en komt de  
tragiek ervan ondubbelzinnig naar voren in het reeds genoemde  
gedicht. Hij zegt hier verder nog over:&lt;/p&gt;&lt;blockquote&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&#34;Dat is wat er overblijft, wanneer de taal zich gewonnen  
moet geven voor de onverzettelijke onverschilligheid van  
de werkelijkheid en &#39;zoals&#39; nog louter een tautologische  
herhaling inleidt en zo de eenzaamheid van de dingen  
bevestigt. Misschien is dat ook een troost: te weten dat  
er geen illusies meer zijn.&#34;&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik kan het hier -uiteraard, omdat ik zelf ook al iets in die  
trant heb gezegd- niets anders dan mee eens zijn. Op het  
aspect &#39;troost&#39; dat Hugo Brems noemt, zal ik in een ander  
gedeelte van dit artikel terugkomen.  
Hieraan wil ik nog een aantal dichtregels van De Coninck zelf  
toevoegen, dat duidt op nutteloosheid, de zinloosheid van de  
vergelijkingen. Maar tegelijk vraag ik me af, net als de  
recensent Gruwez, of deze regels gelatenheid of eerder een  
wil tot onthechting uitdrukken:&lt;/p&gt;&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&#34;Nee. Laat het allemaal maar weggegaan zijn&lt;br/&gt;
uit mij, beeldspraak, betekenis. Ik blijf wel&lt;br/&gt;
achter. Taal, een lege zaal.&lt;br/&gt;
En ik degene die het licht uit doet.&#34;&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Toch valt me hierbij op, dat De Coninck het - bewust of  
onbewust - weer niet laten kan: Taal een lege zaal. Het  
vergelijkingswoordje mag dan ontbreken, duidelijk lijkt me  
dat hij een taal zonder vergelijkingen ziet als een taal  
zonder inhoud. Als een lege zaal. En hij degene die het licht  
uitdoet. Zeker, hij zou het licht uit doen als hij inderdaad  
de beeldspraak en betekenissen uit zich - uit zijn poëzie -  
weg zou laten gaan. Maar dat doet hij niet, zelfs niet in dit  
gedicht, waarin hij dat qua tekstinhoud zou &#34;moeten&#34; doen!  
Misschien is dit gedicht daarom wel verborgen kritiek op  
mensen die zijn werk afkeuren, omdat het, kort gezegd,  
&#34;smijten met taal en woorden&#34; zou zijn. Ik denk dat Herman de 
Coninck in dit gedicht, door &#39;stiekem&#39; toch een vergelijking  
erin te plaatsen, de lezer laat zien: Ziet u wel, taal kan  
niet zonder vergelijkingen.... 
Ik heb eerder in dit artikel niet voor niets de woorden  
&#34;niet altijd&#34; geplaatst in de zin: &#34;Hieruit blijkt, dat de  
Coninck &#39;de vergelijking&#39;, de stijlfiguur dus, niet altijd  
ziet als een middel om het beeld te verhelderen of om een  
beeld te vormen, (...)&#34;. In veel andere gevallen namelijk,  
gebruikt hij de vergelijking wel op de gebruikelijke manier. 
Zoals in het volgende gedicht:&lt;/p&gt;&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wat een gebrek aan pathetiek&lt;br/&gt;
zoals hij zegt: &#34;Hallo.&lt;br/&gt;
Dus je houdt niet meer van mij.&#34;&lt;br/&gt;
En zij, een laatste sandwichhap weg-&lt;br/&gt;
werkend: &#34;Nee.&#34;&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En hij, hij praat dan maar verder tegen de telefoon tot ie  
klik zegt, alsof ie iets wegslikt. Neem ik hier de  
vergelijking in de laatste drie regels: Het &#34;klik&#34; zeggen 
van de telefoon, wordt vergeleken met het wegslikken van  
iets. En dat is, moge duidelijk zijn, niet alleen het  
wegslikken van de sandwich. Hier gaat het om het wegslikken  
van verdriet, en misschien kunnen we de telefoon in de  
eennalaatste regel zelfs wel zien als metafoor voor de 
hij-persoon in dit gedicht. Dan komt er ineens iets heel  
anders te staan: Hij praat maar tegen zichzelf, tot zij  
ophangt (&#34;klik zegt&#34;), waarbij de hij-figuur de klik ziet  
als het wegslikken van zijn verdriet. Het &#34;klik zeggen&#34;  
als vergelijking met het wegslikken van iets, is een  
duidelijk geval waarin De Coninck iets niet met zichzelf  
vergeleken heeft, maar waarin hij het beeld heeft willen  
verduidelijken: Het klik zeggen van de telefoon deed de  
hij-figuur verdriet, en &#34;wegslikken&#34; wordt overal het 
algemeen ook in verband gebracht met teleurstelling/verdriet.  
Twee metaforen wil ik hier nog de revue laten passeren.  
Ten eerste, hoe meesterlijk De Coninck de aanblik van sneeuw,  
rustend op takken van bomen, kan beschrijven met de metafoor  
(ondanks het woordje &#34;zoals&#34; in deze zin):&lt;/p&gt;&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het is zoals onderstrepen: bovenstrepen&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik geloof dat er op dat moment zowaar iets van jaloezie door  
me heen ging, zowel als bewondering voor de dichter. Het lijkt  
alsof alle mogelijke andere beschrijvingen van sneeuw rustend  
op takken ineens volslagen zinloos worden: Dit is de  
omschrijving. Misschien valt dit gevoel wat ik had wel mooi  
te verduidelijken aan de hand van een fragment uit een ander  
artikel: &lt;/p&gt;&lt;blockquote&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&#34;Dat atletische gemak van bijna alles in De Conincks  
gedichten, ook zijn rijmen en metaforen, heeft soms de  
neiging zich tegen de maker te keren. Met niets lijkt  
geworsteld te worden, (...). Het bezwaar lijkt haast dat  
je nergens bezwaar tegen kunt maken&#34;.&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Een andere metafoor, die ik zeker nog noemen wil, is de  
volgende uit het &#34;olifantengedicht&#34; uit het drieluik  
&#34;Tanzania, Serengeti-park&#34;, waarin achtereenvolgens een kudde  
giraffen, een kudde olifanten en een stel parende nijlpaarden  
poëtisch in beeld worden gebracht:&lt;/p&gt;&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De ontroering dat er in al die slobberbroeken&lt;br/&gt;
gewoond wordt.&lt;br/&gt;
Dat cement oogjes heeft om mee uit die &lt;br/&gt;
ontzaglijkheid te kijken&lt;br/&gt;
(...)&lt;br/&gt;
Hoe kan beton knuffelen? Door heel veel&lt;br/&gt;
aan elkaars teveel te snuffelen? En houden van?&lt;br/&gt;
Door gewoon bij elkaar te blijven staan? &lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Vertederend, maar tegelijk humoristisch in beeld gebracht:  
Olifanten worden hier achtereenvolgens met slobberbroeken,  
cement en beton vergeleken. Alle drie de metaforen zijn even  
treffend, als dat ze verschillend zijn. Maar hoe mooi gevonden!  
Vooral de tweede, &#34;dat cement oogjes heeft&#34;, is weer zo een  
geval waarbij je zou denken: Kan iemand dit beter zeggen,  
ontroerender, mooier, treffender, dan Herman de Coninck 
gedaan heeft? Overigens vergeet ik hier bijna nog een derde  
metafoor te noemen uit het gedicht: Ontzaglijkheid. De  
ontzaglijkheid staat natuurlijk voor de olifant. Zo blijkt  
maar weer: De Coninck kan niet zonder metaforen, zijn werk  
hangt bij wijze van spreken van metaforen aan elkaar, telkens  
ontdekt de lezer er weer meer. Overigens wil ik 
niet ongemerkt voorbij gaan aan wat de De Coninck schrijft  
over baby-olifantjes:&lt;/p&gt;&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;vier baby&#39;tjes met zich meebemint: hier moeten grotere &lt;br/&gt;
verkleinwoorden voor uitgevonden worden dan er bestaan.&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&#34;Grotere verkleinwoorden&#34;. Is dat niet prachtig? Het woord  
&#34;baby&#34; associeert men met &#34;klein&#34;, terwijl het woord  
&#34;olifant&#34; zoals bekend altijd met iets groots, iets enorms  
geassocieerd wordt. Dit heeft De Coninck maar wat goed  
doorzien, en heeft daarom de bovenstaande zinnen 
over dit &#34;probleem&#34; geschreven.&lt;/p&gt;&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Poëzie en troost&lt;/h2&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Kan poëzie troost geven aan auteur of lezer? 
Ik denk dat we er zonder meer vanuit kunnen gaan, dat poëzie  
troost kan bieden. In de eerste plaats aan de auteur; de  
uitdrukking &#34;iets van je af schrijven&#39; bestaat niet voor  
niets. Talloze gedichten gaan over verloren liefdes,  
onbereikbare liefdes, etcetera (waarvan overigens een zeer  
groot gedeelte wat mij betreft nauwelijks onder de noemer  
&#34;poëzie&#34; hoort te vallen: Misschien is &#34;zelfbeklag&#34; hier  
vaak beter op zijn plaats... ). Aan zelfbeklag heeft Herman  
de Coninck zèlf overigens ook een hekel; dat valt op te maken  
uit onderstaand citaat:&lt;/p&gt;&lt;blockquote&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&#34;Het relativeren van diepe gevoelens speelt een grote rol  
in mijn tweede bundel. Die gaat over het verlies van mijn  
vrouw. Daar gebruikte ik woordspelingen, als tegenwicht,  
om te vermijden dat het uitgleed naar zelfbeklag.&#34;&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Aan de lezer kan poëzie uiteraard ook troost bieden: Mensen  
herkennen eigen gevoelens in gedichten, of kunnen zelfs door  
middel van gedichten erachter komen wàt die gevoelens zijn  
doordat zij het ineens onder woorden gebracht zien. Het is  
ook niet voor niets dat men onder bepaalde omstandigheden,  
zoals begrafenissen, naar de poëzie grijpt. Ik denk dat een  
gedicht pijn kan verzachten doordat het een gevoel geeft van 
medeleven; er zijn kennelijk méér personen met hetzelfde gevoel. 
Tot zover over troost in verband met poëzie in het algemeen;  
relevanter voor dit artikel is de vraag of Herman de Coninck  
ook als doel het bieden van troost aan de lezer had. Deze  
vraag zal ik in het nu volgende gedeelte behandelen. &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Behoort het geven van troost ook tot wat De Coninck met  
zijn gedichten wilde bewerkstelligen? 
Als we het citaat mogen geloven boven een artikel uit  
HP/DE TIJD, is dit zeker wel belangrijk geweest voor Herman  
de Coninck:&lt;/p&gt;&lt;blockquote&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&#34;Als ik getroost ben door mijn gedichten, ga ik ervan uit  
dat de lezer ook getroost zal zijn&#34; &lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman de Coninck wil kennelijk graag dat de lezer net zoveel  
aan zijn gedichten heeft als hij zelf. Ik denk dat dit ook wel 
een realistische gedachte is, omdat De Coninck op een heel  
toegankelijke manier met poëzie omgaat en omdat hij, wat ik  
zelf erg belangrijk vind, moeilijke zaken vaak vanuit een ander  
perspectief benadert.. Als hìj verdriet heeft om het verlies  
van een geliefde, hoor je hem niet klagen. Nee, hij zegt het  
op een andere manier: &#34;Nog een geluk dat&#34;:&lt;/p&gt;&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Nog een geluk dat&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zoals met de gek uit het grapje&lt;br/&gt;
die zich voortdurend met een hamer&lt;br/&gt;
op het hoofd sloeg, en naar de reden gevraagd, zei:&lt;br/&gt;
&#34;Omdat het zo prettig is, als ik ermee ophou&#34;-&lt;br/&gt;
zo is het een beetje met mij. Ik ben ermee opgehouden&lt;br/&gt;
je te verliezen. Ik ben je kwijt.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Misschien is dat geluk: een geluk bij een ongeluk.&lt;br/&gt;
Misschien is geluk: Nog een geluk dat.&lt;br/&gt;
Dat ik aan jou kan terugdenken, bv.,&lt;br/&gt;
in plaats van aan een ander.&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dit is eigenlijk het gedicht waarom dit hele artikel begonnen  
is; al jaren was het mijn favoriete gedicht en dat is het nog  
steeds - maar nu samen met een heleboel anderen -, want hoe  
meer poëzie ik van Herman de Coninck lees, hoe groter mijn  
bewondering voor deze man en zijn omgang met taal wordt.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Maar nu terug naar het belang dat van het opschrijven van 
bovenstaand gedicht heeft voor dit artikel. Zoals ik al zei,  
De Coninck benadert verlies vanuit een ander standpunt dan  
gebruikelijk, zelfs met een vleug van humor en ironie erin.  
Dat is de troost die De Coninck zichzelf en de lezers te bieden  
heeft en dit gedicht is wel een van de beste voorbeelden die  
ik ervan geven kan. &#34;Wees blij&#34; zegt hij in feite tegen de  
Nederlandstalige bevolking die treurt om het verdriet van een 
geliefde -of dat nu een verlies is voortgekomen uit het  
stuklopen van een relatie of door een noodlottig ongeval-,  
wees blij dat je nog aan hem (of haar) kunt terugdenken, in  
plaats van aan een ander. Het woordje &#34;bv.&#34; niet te vergeten,  
natuurlijk, zo&#39;n afkorting die maar weer eens de semi-laconieke  
wijze waarop De Coninck met gevoelens omgaat benadrukt. De 
Coninck spot wat dit onderwerp betreft af en toe een beetje  
met zichzelf. Hij spot met zijn semi-laconieke houding. Zo  
las ik: Herman de Coninck. Uitvinder van mensen. Van zichzelf.  
Weglacher van verdriet. &#34;Zal ik mezelf eens uitvinden? Ik ben  
ik, aangenaam. Ik ben de zonderverdrietman.&#34;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Overigens is er in dit gedicht nog een grappige -voor zover  
je van grappig spreken kunt als het gaat om het verlies van  
je echtgenote- woordspeling te vinden. Namelijk, het  
dubbelzinnige gebruik van de uitdrukking &#34;een geluk bij een  
ongeluk&#34;. Behalve het geluk bij het ongeluk dat De Coninck nog  
aan hààr kan terugdenken in plaats van aan een ander, is het  
&#34;handig&#34; om te weten dat Herman de Coninck zijn vrouw bij een  
auto-ongeluk heeft verloren: Vandaar dus ook: het geluk bij  
een ongeluk.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&#34;Nog een geluk dat&#34; duidt op een pessimistisch optimisme  
dat je ook een optimistisch pessimisme zou mogen noemen. Die  
gedachte wordt in elk geval bevestigd door het feit dat De  
Coninck aan zijn eerste essaybundel de titel &#39;Over de troost  
van het pessimisme&#39; heeft meegegeven. De Coninck stelt eisen  
aan de inhoud van een gedicht: Hij vraagt om een moraliteit 
(bedoeld wordt een &#39;inhoud&#39;, een &#39;boodschap&#39; ) zoals niet in  
de laatste plaats het bieden van troost. Maar net zoals de  
moraliteit kan zijn dat er geen moraliteit is, kan de troost  
zijn, dat er geen troost is - tenminste, niet in de  
gebruikelijke zin van het woord. Mijn laatste (concluderende)  
paragraaf wil ik gebruiken om te laten zien, hoe in de 
gedachtenwereld van Herman de Coninck poëzie die de  
onmogelijkheid van troost schijnt aan te geven, toch nog op  
een bepaalde manier troost kan bieden.&lt;/p&gt;&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;De troost van de vergelijking&lt;/h2&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De troost van een vergelijking. Zoals Hugo Brems ook al  
opmerkte, raakt dit zinnetje de kern van De Conincks poëzie,  
en daarmee waarschijnlijk ook wel de kern van zijn leven.  
Deze zin staat ergens onopvallend tussen haakjes in een van  
de gedichten uit &#39;De hectaren van het geheugen&#39;:&lt;/p&gt;&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ach, de troost van een vergelijking,&lt;br/&gt;
het helpt bijna. Zodra ik nog maar &#39;zoals&#39;&lt;br/&gt;
hoor, wordt alles minder alleen.&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En dàt is dus precies de &#34;uitkomst&#34; van dit hele artikel.  
Het is het antwoord op het &#39;waarom&#39; van het gebruik van  
vergelijkingen door De Coninck -het &#34;hoe&#34; is eerder al aan  
de orde gekomen in de vele voorbeelden-. Het is de diepere  
reden voor zijn gebruik van vergelijkingen: De eenzaamheid  
wordt ermee verdreven. Problemen worden minder groot, doordat  
ze door de vergelijking ineens niet meer in hun eentje  
blijken te staan.  
Vergelijkingen gebruiken, het helpt.  
Het helpt niet alleen als stijlmiddel voor het verfraaien  
van het gedicht, het helpt (niet in de laatste plaats) óók  
met het bieden van troost. Natuurlijk aan de auteur zelf,  
maar wat mij betreft ook aan de lezer. En dit zal naar alle  
waarschijnlijkheid mede de intentie van Herman de Coninck  
geweest zijn. &lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;- Sophie van Schouwen -&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;svs@meander.italics.net&lt;/p&gt;&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt; 
BRONNEN&lt;/h2&gt;&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Primair:&lt;/h3&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&#34;De Gedichten&#34; - Herman de Coninck. Derde druk januari 1999&lt;/p&gt;&lt;h3 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Secundair:&lt;/h3&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;27-9-97 Vrij Nederland, door Rob Schouten 
17-10-&#39;97 Trouw (auteur onbekend) 
05-10-&#39;91 Vrij Nederland, door Rob Schouten 
05-09-&#39;86, NRC HANDELSBLAD, door Ewald Pironet&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&#39;94, HP/DE TIJD, door Rogi Wieg 
29-05-&#39;97, De Standaard, door Hugo Brems&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; 
Internetverwijzingen : 
- In de rubriek &#34;Over auteurs&#34; van de Meander-linkspagina, 
op http://meander.italics.net/links/ vindt men een rijke 
keuze aan links die handelen over de auteur Herman de Coninck, 
met een bloemlezing uit zijn werk.   
Abonneren op de Meanderkrant kan door een bericht aan 
majordomo@oudenaarden.nl met als inhoud: subscribe meander-l 
(let op: het laatste teken is de letter l). 
Opzeggen door een bericht aan hetzelfde adres met als inhoud: 
unsubscribe meander-l&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Samenstelling Woensdageditie: Hans Hamburger, Jeannine Janssens 
en Rob de Vos.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;VERDERE VERSPREIDING VAN HET IN DEZE MEANDERKRANT OPGENOMEN 
ARTIKEL EN GEDICHTEN IS ALLEEN TOEGESTAAN MET VOORAFGAANDE EN 
UITDRUKKELIJKE TOESTEMMING VAN DE AUTEUR.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Meander  
&lt;a href=&#34;http://meander.italics.net&#34;&gt;http://meander.italics.net&lt;/a&gt;  
info@meander.italics.net &lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Op zoek naar de verloren onschuld</title><link>https://hermandeconinck.com/op-zoek-naar-de-verloren-onschuld/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/op-zoek-naar-de-verloren-onschuld/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Wat voorafging&lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Toen in het voorjaar van 1982 Lex Grobben en Lut Teck zich 
danig zaten te vervelen met de officiële Vlaamse cultuur in de Amsterdamse 
Brakke Grond, besloten ze een tegencultureel grapje te verzinnen. De Brakke Hond 
zou de verkalking van het Vlaamse cultuurleven in het algemeen en van de Vlaamse 
literaire tijdschriften in het bijzonder een neus zetten. Lex Grobben en zijn 
kompanen Marc Vanderleenen en Philip Badenhorst gingen wilde grafiek in het blad 
plegen. Lut Teck, Frans Roggen, Karel Osstyn en Lieve de Boeck zochten naar 
literatuur van en voor jonge mensen. In september 1983 verscheen het eerste 
nummer van De Brakke Hond (DBH) met teksten van performancekunstenaar Fabiola di 
Atlanta, huisschrijver J.M.H. Berckmans en gelegenheidspoëten Lut Teck en Wim 
Neetens. Daarnaast waren ook Frans Roggen en Karel Osstyn present die beiden nog 
droomden van een carrière in de schone letteren (vooral Frans dan, Karel 
experimenteerde met kortverhalen). Grotesken van mijzelf en een vertaling van 
het duo Paul Claes en Mon Nys sloten de rij. Dit eerste nummer mocht er zijn en 
kreeg een vermelding met stip in Vrij Nederland. Dat DBH vijftien jaar later een 
officiële plaats in het tijdschriftenlandschap zou krijgen toebedeeld met zowaar 
één miljoen overheidssubsidie had niemand van deze stoutmoedigen kunnen 
bevroeden. Hoe is het zover kunnen komen? &lt;/p&gt;
&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;De dood van het Nieuw Vlaams Tijdschrift&lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het tijdstip om in het najaar van 1983 een nieuw, ongebonden 
blad te lanceren was uitermate gunstig omdat de klassieke, verzuilde 
tijdschriften in een crisis zaten. De dood van het NVT - om het gelijknamige en 
nog steeds lezenswaardige boekje van Georges Adé over de teloorgang van het 
Nieuw Vlaams Tijdschrift te citeren - staat model voor die crisis. Julien 
Weverbergh pleegt in 1983 een coup, volgens Adé, en doekt het literaire 
instrument van de socialistische zuil zonder blikken of blozen op. Hij maakte er 
vanaf 1984 een magazine van (Het Nieuw Wereldtijdschrift) dat op commerciële leest werd geschoeid en dat gerund werd door een journalist met feeling voor de 
literaire markt (Herman de Coninck). &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Achteraf bekeken was het manoeuvre van Weverbergh het 
logische gevolg van de aftocht van de politiek uit de pers in het algemeen en 
uit de wereld van het boek in het bijzonder. De SP doekte immers vanaf de jaren 
tachtig zijn financiële steun aan de pers systematisch op. Na het loslaten van 
de krant (De Volksgazet, De Morgen) en de literaire uitgeverij (Ontwikkeling), 
trok de partij zich waarschijnlijk maar al te graag terug uit het verlieslatende 
literaire blad. Die strategische terugtocht van de partij uit de literaire 
cultuur voltrok zich trouwens in alle ideologische geledingen. De ontzuiling van 
het maatschappelijke leven was al begonnen in de jaren zestig maar zou in het 
begin van de jaren tachtig pas echt zichtbaar worden in de wereld van de 
literaire tijdschriften. &lt;/p&gt;
&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Het failliet van de stille generatie versus wonderboy Herman de Coninck&lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Daar kwam nog bij dat niet alleen de traditionele zuilen maar 
ook de literatuur zelf het erg te verduren kregen met de toenemende 
commercialisering van de samenleving in de jaren tachtig. In Vlaanderen leken de 
schone letteren in de jaren zeventig op sterven na dood. Het heette toen dat er 
een stille generatie aan het werk was geweest die opnieuw gewoon wou vertellen. 
Die generatie was echter zo stil en deed zo gewoontjes dat ze al vlug werd 
weggeblazen in het mediageweld. Alleen het nieuw-realisme van dichters als 
Herman de Coninck en Luuk Gruwez sloeg aan bij een breder publiek. Allicht omdat 
De Coninck en in mindere mate Gruwez de taal schreven die ook gebruikt werd door 
de commerciële media. Journalist De Coninck debuteerde met poëzie die dreef op 
de trucjes van de betere copywriter. De humoristische woordspeling was zijn 
waarmerk, zoals dat ook in de geslaagde reclameslogan het geval was. En de 
lichtjes erotiserende setting van zijn gedichten leek als twee druppels water op 
de erotische suggestie van de reclame. Om maar te zeggen dat De Coninck na zijn 
jaren bij Humo wist waar de commerciële klepel hing. Het was zijn verdienste dat 
hij de Vlaamse poëzie door het reclameachtig bespelen van de taal een nieuwe 
injectie gaf. Dat Weverbergh op De Coninck wedde om een literair magazine te 
maken met een commerciële kans op slagen lag dus voor de hand. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Maar ondertussen maakten de Grote Drie in tijdschriftenland 
de pas op de plaats, als ze al niet in elkaar zakten. Dietsche Warande &amp;amp; 
Belfort, spreekbuis voor katholiek literair Vlaanderen, en De Vlaamse Gids, 
mondstuk van de liberale muze, gingen gewoon door met een formule die tot op de 
draad versleten was. Beide zouden hun doodsstrijd anticiperen door een radicale 
ingreep in de jaren negentig. Het is pas onlangs dat Dietsche Warande een nieuw 
elan heeft gekregen door de multidisciplinaire aanpak van Hugo Bousset, terwijl 
De Vlaamse Gids nog altijd op zoek is naar een nieuw gezicht. Te midden van deze 
ontreddering bij de verzuilde tijdschriften was het eigenzinnige Heibel in 1983 
aan zijn zwanenzang bezig. Alleen Yang bleek - buiten de Grote Drie op hun 
retour - een onafhankelijke stem te laten horen. In zekere zin was DBH het 
Antwerpse antwoord op het Gentse Yang. Wat Yang voor de poëzie had betekend, zou 
DBH weldra voor het proza zijn: een motor van vernieuwing. &lt;/p&gt;
&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Geen Vorm maar Vent of Vrouw&lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zo bekeken startte DBH dus onder een gelukkig gesternte. 
Literair geïnteresseerden zaten te wachten op een tijdschrift met lef en zonder 
ideologische bindingen. Het kransje germanisten dat DBH maakte, wou geen 
academisch vertier maar literatuur recht voor de raap. Het criterium om in DBH 
te mogen verschijnen was zo klaar als bronwater: het stuk in kwestie moest de 
redactie ontroeren. Met namen werd geen rekening gehouden. De redactie wenste 
vooral niet herinnerd te worden aan de canonieke teksten die aan de universiteit 
op het programma hadden gestaan en koos daarom vaak voor het lichte genre. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wie het feestboek voor vijf jaar DBH in 1988, Knap woud, 
vooral de bomen, erop naslaat, komt bij de smaakmakers van een nieuwe generatie 
Vlaamse schrijvers terecht. Van Kristien Hemmerechts tot Kamiel Vanhole, van 
J.M.H. Berckmans tot Herman Brusselmans: DBH was een springplank voor nieuwe 
vertellers die het anders aanpakten dan hun voorgangers. Persoonlijk heb ik een 
boontje voor een gekke verteller als Balen Vlas die echter nooit een boek heeft 
&#39;mogen&#39; publiceren bij een erkende uitgeverij. Zijn fragmentarische Geschiedenis 
van Amerika zou een mooi cultboek kunnen zijn. Ook andere talenten als Gie 
Bogaert, Johan Vandenbroucke, Rita Demeester en Kris Peeraer debuteerden in die 
jaren bij DBH. Het bleek zelfs mogelijk dat in hetzelfde nummer Herman de 
Coninck een essay pleegde en onmiddellijk daarna werd uitgekleed door Rudi 
Laermans die geen vrede nam met De Conincks pleidooi vóór moeite en tégen video 
en VSO. In dat fameuze nummer 15 uit de herfst van 1987 gaat DBH bij monde van 
Bart de Man voor het eerst ook zijn tegendraads, polemisch karakter cultiveren. 
Voortaan wordt in elk nummer een Nederlandse coryfee uitgekleed. Het moet maar 
eens gedaan zijn met hoogdravende, literaire huisvlijt zonder inhoud. Geen Vorm, 
maar Vent - of Vrouw - was het adagium van DBH in die dagen. &lt;/p&gt;
&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Vóór alles: het plezier&lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dient het gezegd dat le tout Flandre littéraire op het 
lustrumfeest in het Zuiderpershuis aanwezig was? Na vijf jaar hoorde DBH er al 
bij. Subsidies voor zogenaamde &#39;additionele honoraria&#39; konden niet uitblijven. 
Leo de Haes werd er ondertussen bijgehaald om de geldstromen in goede banen te 
leiden en om het blad een herkenbaar gezicht te geven via min of meer vaste 
rubrieken. Bart de Man is hiervan het meest bekende voorbeeld. Geleidelijk aan 
raakte de voorraad Hollandse blaaskaken uitgeput en werd het kanon van Bart de 
Man op Vlaamse windbuilen gericht. Na heroïsche discussies binnen de eigen 
redactie - Leo verzekerde ons dat we de takken aan het afzagen waren waarop we 
zaten - gingen Herman de Coninck &amp;amp; Co voor de (botte) bijl. Nee, het was niet 
verstandig om zoiets te doen. Maar mogen we voor één keer ook eens gewoonweg 
onze zin doen? DBH had een neus voor plezierige teksten. Maar iedereen die een 
beetje Roland Barthes kent, weet dat &#39;plezier&#39; een vlag is die vele ladingen 
dekt. Het zij zo. We hadden geen zin om voortdurend te wikken en te wegen of wat 
we deden wel politiek-literair correct was. Wij waren op zoek naar onze verloren 
onschuld en deden alsof literair Vlaanderen niet bestond. Het resultaat was 
navenant. Op het tienjarig feestje dat eveneens in het Zuiderpershuis werd 
gevierd, was le tout Flandre littéraire afwezig. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Maar daarom niet getreurd. Nadat DBH met zijn onpretentieus, 
direct proza tijdens het eerste lustrum vrij vlug de spontane alternatieveling 
was geworden binnen het literaire circuit, begon het zich tijdens het tweede 
lustrum te profileren als baldadige onverlaat die de Vlaamse literaire 
verhoudingen allesbehalve ernstig kon en wou nemen. In plaats van ons te 
installeren onder de paraplu van grote broer - teksten van jonge auteurs die Het 
Nieuw Wereldtijdschrift te minnetjes vond, werden sporadisch naar ons 
doorversast gedurende de eerste jaargangen - kozen we resoluut voor een eigen 
koers. En om dat te onderstrepen hielden we dus eerst een beeldenstormpje in de 
Vlaamse achtertuin. In zijn derde lustrum gaat DBH zich ook digitaal 
manifesteren. Onder impuls van Dirk Van Eylen - ooit prijswinnaar van de 
jaarlijkse verhalenwedstrijd met een prachtig verhaal dat zo uit Amerikaanse 
bloemlezingen leek te zijn weggelopen - kreeg DBH in 1995 een website bij de 
Digitale Metropool Antwerpen. Daarmee was DBH het eerste Nederlandstalige 
tijdschrift dat zijn editie helemaal èn gratis op het net plaatste. Dirk is 
mettertijd ook begonnen aan een archief dat heel wat andere teksten bevat en 
coördineert een nieuwsbrief (&#39;Letters&#39;) in verband met literatuur op Internet. 
Waar de papieren versie van DBH op genereuze overheidssteun mag rekenen, werd 
tot dusver geen geld uitgetrokken voor dit nochtans baanbrekende project. Dirk 
en de digitale Hond zouden nochtans mooie dingen kunnen doen voor de Vlaamse 
letteren op Internet... &lt;/p&gt;
&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Aan de nabestaanden&lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Na al die jaren kwam er geleidelijk aan de mot in de 
redactie. Frans Roggen had zichzelf in 1988 buitenspel gezet omdat hij het blad 
wou uitverkopen aan Weverbergh die Het Nieuw Wereldtijdschrift was kwijtgeraakt 
en wel een nieuw blaadje lustte. Leo de Haes kreeg na Weverberghs ontslag een 
eigen uitgeverij en hoefde dus niet meer zo direct een blad te maken. Karel 
Osstyn wou van de eindredactie af. Kortom, het werd tijd voor een verjonging van 
de redactie. Frank Adam, Johan Vandenbroucke, Christelle Méplon, Hendrik Van 
Poele (de nieuwe hoofdredacteur) en Peter Pauwels zullen voor nieuw vuurwerk 
moeten zorgen. Hopelijk willen ze het niet té verstandig, té gepland en té 
strategisch aanpakken. Er zijn tijdschriften genoeg die omwille van commerciële 
of academische motieven niet altijd kunnen brengen wat ze graag zouden willen.
&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Of de constellatie zo gunstig is als 15 jaar geleden, valt te 
bekijken. De literaire tijdschriften en magazines zijn er alleszins 
interessanter op geworden dan in de jaren tachtig. Ze ogen niet alleen beter 
maar brengen ook pittigere bijdragen omdat de meeste redacties actief op zoek 
gaan naar stukken. Het is daarentegen problematisch dat de meeste bladen steeds 
in de vijver vissen van dezelfde namen en dat er nauwelijks twintigers te 
bespeuren vallen. Wel is het zo dat nieuwe tijdschriften à la DBH het licht 
zagen. Vooral Sampel is een nieuwkomer die, zoals DBH, een gedurfde vormgeving 
koppelt aan dito stukken. Alleen is de inhoud van die teksten niet helemaal op 
het niveau van de vorm. Na 15 jaar is DBH ingehaald door de anderen maar of het 
daarom ook achterhaald is, zullen de volgende 15 uitwijzen. Afspraak in 2013.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;© &lt;a href=&#34;http://www.brakkehond.be/&#34;&gt;
http://www.brakkehond.be/&lt;/a&gt; &lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Begeesterd door taal</title><link>https://hermandeconinck.com/begeesterd-door-taal/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/begeesterd-door-taal/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;article-subtitle&#34;&gt;Interview met Nienke Rooijakkers&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph article-introduction&#34;&gt;&lt;em&gt;Op 22 mei 1997 overleed Herman de Coninck. In Taal zonder 
mij herleest zijn weduwe, Kristien Hemmerechts, zijn poëzie en gaat daarbij 
vooral op in het autobiografische karakter ervan. Via zijn gedichten, zijn 
correspondentie en haar eigen herinneringen vertelt ze over hem en hun 
gezamenlijk leven. Taal zonder mij is echter niet alleen een verhaal over 
afscheid en dood, maar ook over de mogelijkheden en onmogelijkheden van liefde 
en samenleven. Regisseuse Nienke Rooijakkers bewerkte het boek in samenspraak 
met Kristien Hemmerechts en dramaturge Eva Mesker tot een monoloog voor Tania 
Van der Sanden. De taal, zowel die van Hemmerechts, als van de Coninck, staat 
daarbij centraal. Beeldend kunstenares Carolien Scholtes zorgt voor een 
vormelijk tegengewicht. We hadden het met Nienke Rooijakkers over haar motieven 
om Taal… aan te pakken.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;interview-question&#34;&gt;&lt;strong&gt;Waar kwam de idee vandaan om precies dit boek te gaan bewerken?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;
N.R. – Toevallig zag ik bij Eva, de dramaturge, twee jaar geleden een boek 
liggen dat me aansprak; iemand leest teksten van iemand anders, verdiept zich in 
zijn taal en leert zo die ander beter kennen. Nu ben ik begeesterd door taal en 
ik ben dat boek onmiddellijk beginnen lezen. Ook Eva las het en we hadden al 
snel iets van ‘dit kan iets worden’. Dat was dus Taal zonder mij. Ondertussen 
had ik Sam Bogaerts (n.v.d.r.: toen nog bij Malpertuis) leren kennen en ik 
vertelde hem dat ik iets wou doen met dat boek. O.K., zei Sam, kom dat dan maar 
bij ons doen. Zo is ook Tania er bij gekomen. Ik vond haar al lang een heel 
goede actrice en dat kwam dus goed uit. Maar het hele uitgangspunt is taal en 
hoe je iemand leert kennen door taal.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;interview-question&#34;&gt;&lt;strong&gt;Het is een monoloog, je volgt trouw het boek?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;
N.R. - In het begin dachten we aan een man en een vrouw omdat die relatie zo 
fysiek aanwezig is in het boek, maar we kwamen er niet uit. We hebben er lang 
over nagedacht, tot Eva zei: “Dit klopt niet. Die man is dood, hij is er niet 
meer… die man moet d’r uit.” Dat was precies het grote drama: die man was dood 
en daar heeft die vrouw het in het boek over. Zij heeft alleen nog maar zijn 
gedichten, woorden en letters. Omdat ‘Herman’ echter zo sterk aanwezig is, 
hebben we samen met de vormgeefster, iets bedacht om dat ook in de voorstelling 
te krijgen en zo ontstaat er ook een wisselwerking tussen Tania en de teksten.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;interview-question&#34;&gt;&lt;strong&gt;Op de flap staat dat Kristien Herman pas goed leerde kennen door het 
schrijven van dit boek. Is het niet moeilijk om met zo’n intiem materiaal aan de 
slag te gaan?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;
N.R. – Misschien is ze Herman nog beter gaan zien door die gedichten te lezen en 
te herlezen… Maar voor mij gaat het niet in de eerste plaats over Kristien 
Hemmerechts en Herman de Coninck. Ik kende hen tot dan trouwens niet. Ik zag 
gewoon dat boek en vond het interessant omwille van dat taalaspect. Ik heb het 
boek gebruikt omdat het raakt, omdat het herkenning meebrengt,… het is ook 
universeler dan het verhaal van de schrijfster en de dichter. Het gaat over een 
vrouw die moet verwerken dat een man er niet meer is en hoe ze daar mee in het 
reine komt. Ik ben vooral in die personages gedoken. Die vrouw heet toevallig 
Kristien en schrijft boeken en die man heet Herman en is dichter en door te 
spelen met taal, haar taal en zijn gedichten, als losse eilandjes daartussen, 
ontstaat er een soort van dialoog. Die zit in de taal, in de textuur zelf. We 
zijn zorgvuldig met de teksten omgesprongen, enkel wat woordjes veranderd of 
herschikt om ze op toneel te kunnen brengen. Er zijn wel enkele dingen uit 
gevallen; je kan het hele boek niet op de scène brengen. Kristien heeft een wat 
uitgebreider, echter ‘portret’ geschreven, in het stuk gaat het over die 
relatie… Kristien heeft dat zo mooi verteld, zo zonder franje, over hoe dat was. 
Geen gemakkelijke relatie, trouwens. Ze heeft niets verbloemd en dat maakt het 
ook zo aangrijpend. Ze blijft heel respectvol en vertelt tegelijk zo secuur over 
die relatie.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;interview-question&#34;&gt;&lt;strong&gt;Kristien Hemmerechts volgt het productieproces mee op?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;
N.R. - Ze volgt het van op een afstand. Ze heeft enkele repetities bijgewoond, 
zodat ze niet op de première voor het eerst dat stuk ziet. Ik vind het zelf ook 
prettig dat ze komt kijken. Omdat ik dan kan laten zien dat ik met respect met 
het gegeven omga. In het begin heb ik haar gevraagd of zij de bewerking wou 
maken. Maar ze vond dat ik dat zelf moest doen. Dat werkt ook het beste; je 
maakt toch op een andere manier een dramatische boog dan in een boek waarin je 
veel meer in detail kan treden.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;interview-question&#34;&gt;&lt;strong&gt;En nu wordt ze hier allemaal opnieuw mee geconfronteerd?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;
N.R. – Ja, ze had het er soms lastig mee. Ze had een seintje gekregen van Sam 
(Bogaerts) en ze had hem gezegd: laat dat meisje maar eens een brief sturen. Ik 
heb die nog laten nalezen door m’n vader, of hij wel goed was. Want het is toch 
wel raar om zo’n persoonlijke brief dan nog wel naar een schrijfster te 
schrijven… En toen wou ze eens kennis maken en ik ben dan bij haar op bezoek 
geweest. We hadden een heel leuk gesprek. Ik had het ook over die man en die 
vrouw in het stuk, waarop zij: &#34;Nienke, als je maar één ding niet doet en dat is 
een voorstelling maken waarin je Herman laat reïncarneren.” Maar ze vond dat we 
het toch maar moesten doen. Dat is nu zo’n twee jaar geleden. En nu is het echt 
zo ver. Maar ik denk dat ze het soms best nog wel moeilijk vindt. Al heeft ze 
best wel alles onder controle, hoor. Als je merkt hoe ze alles netjes op een rij 
zet in dat boek… Maar die vrouw heeft natuurlijk ook gillend en jankend in haar 
bed gelegen. Af en toe lees je dat in ook haar columns, dat zij voor zichzelf 
gezegd heeft: &#34;Ik moet blijven werken, me niet laten gaan, want anders word ik 
gek…”.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;interview-question&#34;&gt;&lt;strong&gt;Die taalfascinatie van jou lag mee aan de basis van deze productie. Waar komt 
die toch vandaan?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;
N.R. - Het is mijn drijfveer om met toneel bezig te zijn. Maar de basis voor dit 
stuk is toch tweeledig. Tenslotte gaat het niet alleen over taal maar 
voornamelijk over de diepe angst en het verdriet en is taal een middel om dat te 
gaan verkennen. Kijk, als ik een tekst lees, hoor ik hem in mijn hoofd en dan 
denk ik vaak: interessant, daar kan ik aan werken. Ook bij repetities ben ik 
daar vaak mee bezig: wat verandert er als je iets zus of zo zegt. Het is 
proberen en zoeken tot je weet: dit is het! Taal is als klei voor een plastisch 
kunstenaar. En ik vind het leuk om aan teksten en taal te frunniken, te kneden 
en te boetseren. Zo vertaal ik ook graag uit het Engels, bijvoorbeeld. En dan 
zoeken tot het precies juist zit. Ik vind het ook heel erg leuk om te kijken wat 
er precies gebeurt als er iemand op toneel gaat staan. Het opbouwen van een 
productie gaat bij mij dan ook allemaal heel langzaam en ik vertrek daarbij 
altijd vanuit de taal. 
Dat is hier duidelijk aanwezig: Kristien die alle facetten van haar en hem zo 
secuur probeert te pakken in wat ze schrijft. Die taalfascinatie van mij en dit 
liggen, in alle bescheidenheid, ergens in elkaars verlengde. Daarom vind ik die 
gedichten ook zo mooi. Ook Herman de Coninck koos zijn woorden zo precies. Ze 
zijn schijnbaar heel eenvoudig, maar alles is zo ontzettend zorgvuldig 
afgewogen. Alle facetten zijn bekeken voor hij dat woordje daar op die plek in 
dat gedicht plaatste. De woorden spelen een grote rol in zijn gedichten, ze zijn 
helemaal niet waardevrij, het zijn echte minidiamantjes….&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;interview-question&#34;&gt;&lt;strong&gt;En nu maak jij als Nederlandse een productie over twee Vlaamse 
literatuurreuzen voor een Vlaams gezelschap?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;
N.R. - Het was helemaal niet mijn bedoeling om deze productie absoluut in 
Vlaanderen te gaan doen. Dat is toevallig zo gekomen. Achteraf gezien ben ik wel 
blij om dit in België te kunnen doen; het ‘klopt’ dat ik het hier doe. ’t Is wel 
raar voor mij dat ik hier een productie maak die zo los staat van mijzelf, 
terwijl het over een geschiedenis gaat die men hier herkent. Pas nu heeft men 
Herman de Coninck in Nederland beter leren kennen, precies dankzij dat boek van 
Kristien. ’t Is ook allemaal nog maar zo kort geleden. Met die herdenkingen van 
dat vijfjarig overlijden realiseerde ik me pas: &#34;O, dat leeft hier zo!&#34;&lt;/p&gt;&lt;ul&gt;
&lt;li&gt;&lt;em&gt;Geplaatst met toestemming van Pat Vanderhaeghe&lt;/em&gt;&lt;/li&gt;
&lt;/ul&gt;
</description></item><item><title>De gedichten</title><link>https://hermandeconinck.com/de-gedichten-recensie/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/de-gedichten-recensie/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;article-publication&#34;&gt;&lt;em&gt;Uitg. De Arbeiderspers Amsterdam, 1998; 694 blz., fl 75 
(in twee gebonden delen, stofomslag, cassette en met leeslint)&lt;/em&gt; 
door Rien van den Berg&lt;strong&gt;&lt;em&gt; 
&lt;/em&gt;&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p class=&#34;article-quote-title&#34;&gt;Walcheren&lt;/p&gt;&lt;p&gt;„Een echtpaar tegen de wind in&lt;br/&gt;in twee strandstoelen het lijkt wel&lt;br/&gt;of ze tegen 100 per uur&lt;br/&gt;vooruitgaan.&lt;/p&gt;&lt;p&gt;Zo is stilstand hier: uit alle macht.&lt;br/&gt;Duinen vestigen&lt;br/&gt;het wereldrecord standhouden:&lt;br/&gt;de nul meter in twee eeuwen.” &lt;span class=&#34;article-citation&#34;&gt;[II, 74]&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Past zo&#39;n gedicht in een statige, gebonden uitgave met leeslint en stofomslag, 
twee donkerrode delen in cassette? Toch wel, want het is van Herman de Coninck. 
En die verdiende een monument. Sinds vorige week heeft hij het. De gedichten is 
een prachtige uitgave geworden. Twee delen die perfect in de hand liggen en 
gewillig openvallen bij welk gedicht je ook wilt lezen. Gebruiksboeken, gemaakt 
om jarenlang intensief gebruik ongeschonden te doorstaan. De cassette is wat 
goedkoop, dunnetjes uitgevoerd, maar wat zou dat: gebruiksvoorwerpen stop je 
toch niet steeds terug in de verpakking.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman de Coninck was een unieke verschijning in de Nederlandstalige literatuur. 
Hij haalde met zijn tragikomische gedichten oplages waarvan de meeste van zijn 
collega&#39;s alleen maar konden dromen. Maar die collega&#39;s stelde hij dan weer 
tevreden met een van zijn stoute plannen.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Begin 1997 verscheen de bundel De 100 mooiste gedichten van 1996. Daar had nog 
nooit iemand aan gedacht. Wie zou zo&#39;n pretentieuze selectie dan moeten maken? 
Een college van critici? De voltallige jury&#39;s van alle Nederlandse 
literatuurprijzen? Welnee. Herman de Coninck. Een prachtige bundel was het 
resultaat. En dat de dichter Benno Barnard riant vertegenwoordigd was, nam 
iedereen voor lief. De Coninck erkende tussen de regels van zijn voorwoord door 
rondborstig dat ze nu eenmaal goede vrienden waren.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De bundel liep als de gedichten van De Coninck zelf. Toen hij, een maand na het 
verschijnen van de 100 beste overleed, besloot de uitgever dat het initiatief 
voortgezet diende te worden. Zo ging het ook met Nieuw Wereld Tijdschrift, het 
literaire blad waarvan hij sinds de oprichting redacteur was. Er werd gevreesd 
voor de toekomst van NWT na De Conincks verscheiden. Ongegrond: hij verzon 
ideeën, concepten die hem overleefden. NWT is onverminderd een van de leukste 
literaire bladen van Nederland.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dat gevoel voor proporties kenmerkt ook zijn poëzie. Wat groot oogt, bracht De 
Coninck terug tot een ontroerende miniatuur. Wat te klein lijkt voor een 
gedicht, groeide onder de pen van de dichter uit tot de essentie van de dingen.&lt;/p&gt;&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p&gt;„Hoeveel zandkorrels, zandkorzels, voor strand?&lt;br/&gt;Hoeveel mensen voor mensheid?&lt;/p&gt;&lt;p&gt;Twee.&lt;br/&gt;Iemand met sproeten, en iemand die ze telt.” &lt;span class=&#34;article-citation&#34;&gt;[I, 394]&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De dichter De Coninck zocht zijn leven lang naar een omschrijving van wat poëzie 
in wezen is. Waarschijnlijk vermoedde hij dat het iets heel groots was, net als 
het leven zelf. Maar steeds als hij in de buurt van die conclusie kwam, behoedde 
zijn gevoel voor poëzie hem ervoor om het op te schrijven.&lt;/p&gt;&lt;blockquote class=&#34;article-poem&#34;&gt;&lt;p&gt;„Het is een soort niets dat ik zoek. Wat je overhoudt&lt;br/&gt;als je uit de kom van je beide handen hebt willen drinken:&lt;br/&gt;je beide handen.”&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;&lt;strong&gt;bron: Nederlands Dagblad&lt;/strong&gt;&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Intimiteit onder de melkweg</title><link>https://hermandeconinck.com/intimiteit-onder-de-melkweg-recensie/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/intimiteit-onder-de-melkweg-recensie/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Er bestaan nogal wat onzinnige, elitaire opvattingen over 
poëzie, die zo hardnekkig zijn dat de dichtkunst zwaar gebukt gaat onder het 
vooroordeel van &#39;moeilijk&#39; en &#39;onbegrijpelijk&#39;. Een &#39;begrijpelijk&#39; dichter met 
hoge oplages, zoals Jean Pierre Rawie, is per definitie verdacht (zoals o.a. 
bleek uit het interview met hem in het onlangs verschenen en aan hem gewijde 
Bzzlletin-nummer december/januari 1993/94) en een deel van de gevestigde kritiek 
schroomt niet om aan die verdachtmakingen met veel verve bij te dragen: een 
veelgelezen dichter kan geen goede dichter zijn. Of hij moet Hugo Claus heten en 
een zekere staat van onaantastbare literaire heiligheid hebben bereikt. Bij dit 
soort vreemde en onterechte uitgangspunten is de dichtkunst allerminst gebaat. 
Blijkbaar weet de kritiek heel goed wat dichtkunst niet is, zou mogen of moeten 
zijn, maar tegelijk slaagt zij er niet in om de in haar ogen &#39;correcte&#39; poëzie 
meer toegankelijk voor een groot publiek te maken. Dat zou op z&#39;n minst 
aanleiding tot een zekere terughoudendheid moeten zijn. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dat en hoe het anders en vooral goed kan toont Herman de 
Coninck overtuigend aan in zijn nieuwe bundel verzamelde essays over poëzie 
&#39;Intimiteit onder de melkweg&#39;. Er is al vaker op gewezen dat het lijkt alsof 
dichters vooral door andere dichters besproken worden en dat gebruik niet per 
definitie een garantie is voor de kwaliteit van een bespreking, behept als de 
bespreker nou eenmaal is met de opvattingen die hij/zij in het eigen werk vormgeeft. In het geval van De Coninck is het een voordeel, omdat hij de door hem 
besproken dichters benadert van binnenuit, vanuit het weten op welke manieren 
een gedicht tot stand kan komen en welke elementen daar een rol in spelen. Hij 
heeft de verleiding weerstaan om zijn hoogst persoonlijke visies tot absolute en 
exclusieve maatstaf van zijn beschouwingen te maken. Dat maakt hem ook 
kwetsbaar, want ongetwijfeld zullen boosaardige recensenten de hier en daar over 
poëzie geponeerde stellingnames toepassen op zijn eigen werk, om tot de 
conclusie te komen dat De Coninck zichzelf niet houdt aan wat hij over anderen 
te berde brengt. Niks dan kwaadsprekerij. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman de Coninck beschikt over de gave om op een heldere en 
tegelijk diepgravende wijze over de dichtkunst te schrijven en dat maakt deze 
bundel zo aantrekkelijk voor zowel beginners als gevorderden. Sterker nog, de 
lezer die wel geïnteresseerd is in poëzie, maar er vanwege het &#39;moeilijke&#39; niet 
goed aan durft te beginnen, vindt in &#39;Intimiteit onder de melkweg&#39; een uitstekende 
gids, leidraad en inleiding in de Nederlandstalige poëtica. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De auteur maakt aannemelijk dat een gedicht mooi vinden en 
begrijpen weliswaar in elkaars verlengde kunnen liggen, maar niet 
noodzakelijkerwijs samen hoeven te gaan. Anders gezegd: ik kan ontroerd zijn 
door de schoonheid van een gedicht, ook zonder dat ik precies weet of weer kan 
geven waar het over gaat. Sterker nog: de rode draad die door de hele bundel 
loopt is De Conincks speurtocht naar de &#39;inhoud van poëzie&#39;. En om maar meteen 
de uitkomst te verklappen: hij vindt DE inhoud niet, hoogstens een inhoud, een 
mogelijke betekenis (of enkele betekenissen) die een gedicht naar zijn mening 
zou kunnen hebben. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Als lezer van andermans en -vrouws gedichten stelt de auteur 
zich zeer bescheiden op en is hij graag bereid zijn eigen lezing/interpretatie 
te ruilen voor een andere en (misschien) betere. Ook is hij niet te beroerd om 
zijn eigen ideeën over een dichter kritisch te toetsen en te corrigeren. Dat 
gebeurt o.a. in een mooie beschouwing over het werk van Willem van Toorn, waar 
hij een jaar of tien geleden nogal wat bedenkingen bij had gekregen en die hij 
nu met andere ogen leest. Die herlezing maakt een grondige revisie van zijn 
mening toen noodzakelijk en De Coninck doet dat dan ook in alle eerlijkheid en 
stevig onderbouwd. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Fraai is ook het essay over Schulte Nordholt als 
vertegenwoordiger van een groep dichters die nooit tot de besten zijn gerekend, 
ook al schreven en schrijven zij gedichten die in kwaliteit soms niet onderdoen 
voor het werk van hen die tot de &#39;dichterlijke canon&#39; worden gerekend. Het is 
een uiterst liefdevol &#39;pleidooi voor tweederangsdichters&#39; zoals de titel van dit 
stuk luidt. Een van de kwaliteiten van Herman de Coninck is de originele 
invalshoek van waaruit hij soms het werk van een dichter benadert en die een 
heel nieuw licht op de gedichten werpt. Daartoe behoort zeker het essay over het 
taalgebruik van Hugo Claus, de dichter die als een kok &#39;een prachtig gerecht 
maakt met truffels en paardestront&#39;. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Verder zijn stukken opgenomen over o.a. Rutger Kopland (die 
De Coninck in bescherming neemt tegen een criticus die Kopland een &#39;humanistisch 
verbondstoontje&#39; verweet), Eva Gerlach, Miriam van Hee, Anna Enquist, Toon 
Tellegen (de laatste drie in het kader van een groter thema: Poëzie en 
psychiatrie), Leonard Nolens, Gerrit Kouwenaar en de vaak als &#39;moeilijk&#39; maar 
door De Coninck een beetje toegankelijker gemaakte dichter Hans Faverey. In &#39;Het 
Diepe Zuiden&#39; gaat De Coninck uitvoerig in op de dichterlijke verhouding tussen 
Vlaanderen en Nederland. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Twee essays gaan over fotografie, het eerste over 
schrijversportretten, het tweede over een verzameling foto&#39;s die in het boek 
zijn opgenomen en, hoewel het laatste van de bundel, het titelstuk vormt. Dit 
laatste is niet zonder betekenis. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Misschien is gedichten lezen wel nauw verwant met foto&#39;s 
kijken (zo vermoedt De Coninck): er is een eerste blik, dat wat je op het eerste 
gezicht ziet, en er is het nauwkeuriger kijken en ontdekken dat er meer (op) 
staat dan je in eerste instantie waarnam. Tenslotte is er het &#39;onzichtbare&#39;: het 
verhaal achter de foto, vergelijkbaar met de interpretatie van het gedicht. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In &#39;Intimiteit onder de melkweg&#39; laat Herman de Coninck de 
lezer zien dat HET verhaal niet bestaat, maar dat het hem vrij staat zijn eigen 
verhaal te ontdekken en te zien, mits hij bereid is de voorlopigheid ervan te 
erkennen. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Poëzie leren lezen; een leerling kan zich geen betere 
&#39;cursus&#39; wensen dan dit voortreffelijke boek. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;HARRY FLEURKE&lt;strong&gt; &lt;br/&gt;
 &lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;&#39;Intimiteit onder de melkweg - Over poëzie&#39;&lt;br/&gt;
Herman de Coninck&lt;br/&gt;
Uitg. De Arbeiderspers - Amsterdam&lt;br/&gt;
ISBN 90 295 1230 x&lt;br/&gt;
f. 29,90 &lt;a href=&#34;http://www.nopapers.nl/copynop.html&#34;&gt;© 
St. NoPapers&lt;/a&gt;&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;bron: 
&lt;a href=&#34;http://www.nopapers.nl/km/lit/rec/2/boek0222.html&#34;&gt;
http://www.nopapers.nl/km/lit/rec/2/boek0222.html&lt;/a&gt;&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Vlaamse dichter met zichzelf opgescheept</title><link>https://hermandeconinck.com/vlaamse-dichter-met-zichzelf-opgescheept/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/vlaamse-dichter-met-zichzelf-opgescheept/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph article-introduction&#34;&gt;&lt;strong&gt;De gedichten van de Vlaming Herman de Coninck getuigen van 
een zoektocht naar zichzelf en naar zijn relatie met de dingen om hem heen. Mei 
vorig jaar overleed De Coninck plotseling, onderweg naar de opening van een 
literair congres in Lissabon. Omdat met zijn overlijden zijn oeuvre voltooid 
was, zag uitgeverij De Arbeiderspers reden een uitgave van zijn verzamelde 
gedichten op de markt te brengen.&lt;/strong&gt; &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman was in de meest volstrekte betekenis van het woord een 
schrijver, iemand die er papier bij nodig had. Conflicten kaartte hij aan of 
praatte hij uit via brieven, want mondeling lukte hem dat nauwelijks. Hij sprak 
met lange hiaten tussen zinnen, liet regelmatig stiltes vallen. Maar meestal 
waren het zijn voeten die hem verraadden. Hij schurkte de ene schoenpunt over de 
andere als een schutterige puber. Dit is zo ongeveer het profiel van de soms 
bijna communicatiegestoord lijkende Vlaamse dichter Herman de Coninck 
(1944-1997), volgens zijn weduwe Kristien Hemmerechts in haar onlangs verschenen 
boek “Taal zonder mij”. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In zijn verzamelde gedichten zijn alle verzen van De Coninck 
opgenomen die tijdens zijn leven zijn gepubliceerd of door hem voor publicatie 
waren bestemd, aangevuld met een beperkte selectie uit zijn nagelaten werk. Het 
eerste deel (van de twee) bevat gedichten die in reguliere dichtbundels bij een 
commerciële uitgeverij zijn verschenen. Het tweede deel bevat de verspreid 
gepubliceerde gedichten (in diverse tijdschriften), de verspreide vertalingen en 
een nawoord met tekstverantwoording. Beide delen bevatten een register op titels 
en eerste regels. De uitgave is verzorgd door Hugo Brems. &lt;/p&gt;
&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Humor&lt;/h2&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; 
De Coninck was dichter, essayist en journalist. Bij De Arbeiderspers publiceerde 
hij drie dichtbundels (“Enkelvoud”, “Schoolslag” en “Vingerafdrukken”), drie 
essaybundels (“De flaptekstlezer”, “Intimiteit onder de melkweg” en “De 
vliegende keeper”), een reisverhalenbundel (“De cowboybroek van Maria 
Magdalena”) en twee bloemlezingen. Volgens de flaptekst van de uitgave hebben de 
gedichten van De Coninck vele duizenden lezers aangetrokken en gecharmeerd door 
hun virtuositeit, hun gevoeligheid en weemoed, en door hun humor. Ze lijken 
makkelijk en vanzelfsprekend, maar de kern ervan is het besef dat wij alleen 
staan in een zwijgende wereld, tussen “bergen van onverschilligheid”. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Aan humor ontbreekt het inderdaad niet. De Coninck schreef 
aan de directeur-generaal van de firma Waterman: „Ik doe&#39;t wel eens met een Bic. 
Kater van./ Mij concentreren zoals alleen een pater kan,/ lukt mij slechts met 
een Waterman./ O, inspiratie, klater dan!“ Bij critici stond hij ook te boek als 
dichter van gevatte woordspelingen en vondsten als: „Ik hield van jou om de 
manier waarop ik je/ in alle staten bracht,/ in België, Frankrijk, Nederland, 
Joegoslavië.” &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Er valt meer te zeggen. Bladerend door de bundel kom ik een 
groot aantal poëticale gedichten tegen. De Coninck heeft kennelijk willen 
uitleggen wat dichten voor hem betekende. Als zoveel van zijn collega&#39;s worstelt 
hij met de relatie tussen taal en werkelijkheid. Voor De Coninck lijkt de 
werkelijkheid pas te bestaan wanneer ze op papier staat, getuige onder meer het 
volgende gedicht uit “Vingerafdrukken”: „Zoals een grootvader van zijn kleinzoon 
houdt,/ zo legt beeldspraak ergens een arm omheen./ Een beeld moet een paar 
maten te groot zijn,/ als een winterjas. Een beeld brengt werkelijkheid/ mee 
naar huis zoals die grootvader zijn kleinzoon/ wanneer zijn eerste meisje hem in 
de steek heeft gelaten.“ &lt;/p&gt;
&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Microkosmos&lt;/h2&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; 
De taal geeft volgens De Coninck betekenis aan de werkelijkheid: „Zoals Witte 
Veder zijn oor op de aarde kon leggen/ en mededelen dat een bende bandieten in 
aantocht was,/ zo luister ik aan taal om te weten welke betekenis/ het straks 
weer in mijn gedicht voor het zeggen/ zal hebben. Taal? Het maal tien, maal toen 
dat een woord/ kan geven, ja aan wat.” (“Vingerafdrukken”) &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Met een papieren werkelijkheid viel echter ook voor De 
Coninck niet te leven. Veel gedichten getuigen van een zoektocht naar zichzelf 
en naar zijn relatie met de dingen om hem heen, als we zijn gedichten ten minste 
min of meer autobiografisch mogen opvatten. En volgens zijn weduwe in “Taal 
zonder mij” mag dat. De Coninck leek met zichzelf opgescheept te zitten: „En 
naast het vuur zwijgt een man/ die op zoek ging naar zichzelf/ en hem helaas 
heeft gevonden.” (“Enkelvoud“) &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De Coninck zoekt het nergens om het overal te ontmoeten. En 
”overal” moet hier worden gezocht: „Geef mij Nescio en Tsjechov, oude boeken./ 
Geef mij na mijn zoveelste kale reis/ iemand die mij twee haren uittrekt/ en 
glimlachend zegt: je wordt grijs./ Geef mij alles en zeg: het is niets.“ (“Met 
een klank van hobo”) Hij lijkt in zijn gedichten ondanks zijn existentiële 
twijfels haast aandoenlijk gelukkig te zijn met kleine dingen. Het weinige lijkt 
voor hem veel te zijn: „Het mooiste is de jonge ginko, allemaal handjes die bij 
de rijke dageraad/ om een dauwdruppel bedelen en hem tot &#39;s avonds/ in hun 
palmpje houden.” (“Vingerafdrukken”) &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dergelijke gedichten, waarin de hele wereld in de microkosmos 
besloten ligt, gedichten waarin het geluk van het alledaagse doorklinkt, geven 
naar mijn idee de lezer inhoudelijk meer mee dan die waarin allerlei 
existentiële vragen aan de orde komen. De Coninck is in deze gedichten niet bij 
machte boven zichzelf uit te komen, zij het dat hij dit op een virtuoze manier 
weet weer te geven. Als altijd bij het lezen van moderne werken, doet zich de 
vraag voor of esthetische en morele waardering losgekoppeld kunnen worden, dan 
wel twee kanten van een en dezelfde zaak zijn. Wie het weet, mag het zeggen. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Recensie door Tera Voorwinden-Hofman - 3 
maart 1999, (c)
&lt;a href=&#34;http://oud.refdag.nl/boek/boekku/990303boekli02.html&#34;&gt;
http://oud.refdag.nl/boek/boekku/990303boekli02.html&lt;/a&gt; &lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Een aangename postumiteit van Herman de Coninck</title><link>https://hermandeconinck.com/een-aangename-postumiteit-van-herman-de-coninck/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/een-aangename-postumiteit-van-herman-de-coninck/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;article-subtitle&#34;&gt;Brieven 1965-1997&lt;br/&gt;
 &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph article-introduction&#34;&gt;Herman de Coninck, bij leven vooraanstaand Vlaams 
dichter en bevlogen hoofdredacteur van het Nieuw Wereldtijdschrift, beheerste 
nog een derde metier: de kunst van het brieven schrijven. Hij was een even 
fervent als kundig beoefenaar van het genre en besteedde zorg en tijd aan elke 
brief. Zelfs de voorgedrukte &#39;weigerbriefjes&#39; die hij uit hoofde van zijn 
functie aan sommige inzenders van ongevraagde bijdragen voor het NWT moest 
sturen, voorzag hij van een persoonlijke aantekening als om het leed van de 
afwijzing te verzachten.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&#39;Ik schrijf 500 brieven per jaar,&#39; schreef De Coninck begin 
1996 aan een van zijn vele correspondenten. En hij overdreef nauwelijks: na 
zijn overlijden liet hij circa 15.000 brieven na, omdat hij alle binnenkomende 
post bewaarde en al zijn eigen brieven voor verzending kopieerde. Zo ontstond 
een unieke collectie brieven, kattebelletjes en kladjes die zowel in 
literair-historisch als persoonlijk opzicht prachtig materiaal bevat.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het was De Conincks wens dat er na zijn dood een strenge selectie uit zijn 
correspondentie gemaakt zou worden met het doel die te publiceren. Daaraan is 
met Een aangename postumiteit gehoor gegeven. Deze brieveneditie, die de periode 
1965-1997 beslaat, is meer dan een waardevol literair tijdsdocument geworden, 
met brieven aan al dan niet bevriende dichters, schrijvers en uitgevers uit 
binnen- en buitenland. Een aangename postumiteit is vooral ook een intrigerend 
egodocument waarin Herman de Coninck ons in ruim 450 brieven deelgenoot maakt 
van zijn liefdes, onzekerheden, ergernissen, vreugden en verdriet. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;
&lt;a href=&#34;http://www.kkunst.com/kk/20041026156.php&#34;&gt;© Kkunst - 
Harry De Bock&lt;/a&gt;&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Herman de Coninck: interview 1977</title><link>https://hermandeconinck.com/herman-de-coninck-interview-1977/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/herman-de-coninck-interview-1977/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;&lt;em&gt;Herman, zes jaar na ‘De lenige liefde’ 
breng je een tweede dichtbundel ‘Zo lang er sneeuw ligt’. 
Deze werd bekroond met de Dirk Martensprijs. Ik heb de indruk dat het 
uitgangspunt voor je gedichten persoonlijke emoties of herinneringen daaraan 
zijn. Het schrijven van poëzie zou dan neerkomen op het relativeren van deze 
emoties, o.m. door ze in contact te brengen met een andere, meer objectieve 
werkelijkheidslaag, en verder ook door humor en ironie&lt;/em&gt;.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;- Ik heb nogal een hekel aan de term ‘emoties’. Daar heeft de 
lezer namelijk niks mee te maken. Ik wil wel emoties opwekken, anders zou ik 
wellicht nooit dat directe en soms wel aangrijpend bedoelde toontje gebruikt 
hebben. Maar dat toontje is inderdaad zo bedoeld, dat wil zeggen: daar zit 
gezonde berekening achter, een bij voorkeur positief te interpreteren 
effectzoekerij. Als je niet naar je effecten zoekt, rateer je ze meestal, geloof 
ik. Daarom ook schrijf je zelden goeie gedichten met de neus op levensgrote 
emoties gedrukt, want dan ga je ervan uit dat die emoties ook voor de lezer 
groot zijn, terwijl je ze eigenlijk al schrijvend groot moet maken. En daar is 
afstandname toe nodig. De emotioneel ogende gedichten uit ‘Zo lang er sneeuw 
ligt’ zijn dan ook een paar jaar na de ‘emoties’ geschreven. De lezer heeft 
immers niks aan mijn emoties, ik wil hem alleen plezier doen beleven aan de 
zijne. Dat komt neer op maakwerk. En dat maakwerk is des te beter geslaagd in de 
mate dat de lezer er geen maakwerk meer in herkent. Wat overkomt als ver 
gezocht, is meestal niet ver genoeg gezocht, geloof ik.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Je zou schrijven met orgelspelen kunnen vergelijken, je weet, 
als je deze toets uittrekt, dat je dan dit of dat klankeffect krijgt. Op die 
manier moet je ook je taalapparaat beheersen. Anders krijg je wat je in 
puberteitspoëzie zo vaak meemaakte: de op zijn minst als vertolking van het 
wereldleed bedoelde verzen veroorzaken alleen maar gelach: omdat je de verkeerde 
toets hebt uitgetrokken, omdat je je instrument niet kent. Ik heb trouwens nogal 
de indruk dat een aantal dichters bij ons, een vroegere 
Marcel van Maele bijvoorbeeld, gewoon met hun kont op het hele 
toetsenbord tegelijk ging zitten. En een ander aantal dichters produceert dan 
weer een zo hoge, schril individuele toon, een soort hondenfluitje lijkt het 
wel, dat niemand&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
  &lt;br/&gt;
anders het echt hoort. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Mijn ik is geen allerindividueelste ik, hoop ik.
Rutger Kopland schrijft in een van zijn bundels: ‘het 
werd weer stil als toen ik niemand was’. Dat soort ik bedoel ik, het ik als 
eigenaar van een soort gemene deler van emoties, met de herkenbaarheid vandien. 
En ook daar is dan weer afstandname toe nodig. En als je daar dan toch 
voortdurend mee bezig bent, met die afstandname - hoe begaan je ook bent met de 
dingen waarover je het hebt, poëzie is de grootst mogelijke afstandname bij de 
grootst mogelijke betrokkenheid, zei Simon Vestdijk - 
dan krijgen humor en ironie in één moeite door ook hun kans. Die behoren 
trouwens tot de effectzoekerij.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;Opvallend is ook de badinerende toon die je gebruikt&lt;/em&gt;.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- Ook dat behoort tot de effectzoekerij, maar ik hou van dat 
soort effect. Ik hou van badineren, een vorm van flaneren is dat, een hele dag 
levensbeschouwelijk étalage-kijken en misschien wel naar huis gaan zonder iets 
gekocht te hebben. Ik hou van boutades, van halve of driekwart-waarheden, die je 
bij een tiende Stella zegt, ik hou van ideologisch winkelen, me elke dag 
afvragen wat ik me nou als ideologie zou laten aanpassen - en dat moet dan iets 
zijn tussen anarchisme, trotskisme, linkervleugel-BSP-socialisme en gewoon 
maatschappelijk pessimisme in, maar het liefst van al heb ik de vier pakken 
tegelijkertijd in mijn kleerkast hangen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Natuurlijk heeft het ook met onzekerheid te maken. Misschien 
is de humor uit de eerste vraag wel voor een stuk emotionele onzekerheid: ik 
stel graag de absoluutheid van gevoelens in vraag, aan dat zoontje waar je zo 
zielsveel van houdt, kun je ook wel eens levensgroot de pest hebben, en achter 
een begrafenisstoet aanlopend denk je wel eens: héhé, straks lekkere boterkoeken 
- zoals ik in een recent gedicht schreef.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Anderzijds twijfel ik niet alleen graag aan grote gevoelens, 
maar ook aan grote waarheden. Bij ons op de redactie (Humo) zit er b.v. een 
nogal stevige marxist, die tegelijkertijd beweert dat de toespraak van Seattle 
uit 1855 tot de president in Washington (Seattle was een Indianenopperhoofd) op 
z&#39;n minst een even belangrijk document is als het Communistisch Manifest. Daar 
hou ik van. Ik doe haast wekelijks interviews, en dat bevalt me best. Ik ben 
vragensteller van beroep, geen antwoordgever.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;Lionel Deflo heeft je bij het samenstellen van 
zijn bloemlezing ingelijfd bij de neo-realisten. Wat was je reactie op deze 
inlijving bij een groep waarin toch weinig talent zit en hoe sta je tegenover de 
andere dichters uit deze groep?&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;- Het gekke is dat haast niemand van die neo-realisten gezegd 
wil hebben dat hij neo-realist is. Mij stoort het niet, als ik dan toch in een 
stroming moet opdraven, liever bij de neo-realisten dan bij de 
neo-experimentelen. Ik heb niks tegen stromingen, ik kan zwemmen, haha. En ik 
heb niks tegen een huis-tuin-en keukenpoëzie zoals de nieuw-realisten die soms 
wel schrijven, als je tenminste in die keuken ook Vrij Nederland leest of The 
Observer of zo.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Maar ik heb altijd wel het meeste plezier gehad in het werk 
van mensen die nergens thuishoorden, Pierre Kemp,
Leo Vroman, Hans Lodeizen,
Kopland, Fritz ten Harmsen van der 
Beek, de laatste Buddingh&#39;, 
Wilfred Smit. Judith Herzberg. Afgezien van 
Fritzi ten Harmsen zijn dat allemaal mensen die zo pakkend en helder en zo 
akkuraat mogelijk zeggen wat ze te zeggen hebben, en die dat ruim voldoende 
vinden. Een stroming hoeft dat niet te wezen, je hebt dat soort dichters altijd 
wel in en naast en voor en na alle stromingen gehad. De dit - is al - meer - dan 
- genoeg - voor - een - stroming - Stroming, zou je kunnen zeggen. Daar wil ik 
wel graag toe behoren.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik ben absoluut voorstander van verstaanbaarheid. Dat wil niet 
zeggen: van de absolute simpliciteit. In de perfect verstaanbare poëzie van 
Kopland zit meer ingewikkeldheid dan in de onbegrijpelijke poëzie van
van Maele. Verstaanbaar schrijven behoort gewoon tot 
de opdracht, vind ik. Iedereen kan de beste dichter ter wereld worden in een 
taal die hij zelf uitvindt, en levenslang voor eigenlijk niemand schrijven dus. 
Maar het gaat er nu juist om dat je zo inventief mogelijk tewerk gaat in een 
taal die niet van jou alleen is. Anders zet je jezelf als dichter buitenspel.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Daar komt bij dat ik het nodeloos ingewikkeld-zijn altijd 
dubieuze redenen vind hebben, kijk maar naar het politieke jargon, het 
Wetstraat-taalgebruik, de taal van een Willy Claes, de 
geheimtaal van dokters: in al die gevallen, ook in onverstaanbare poëzie, heeft 
taal dezelfde functie als de witte jas bij een dokter: je houdt er ondeskundigen 
en ongewenste pottenkijkers&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
  &lt;br/&gt;
mee op afstand. Ik vind het de grote verdienste van het nieuw-realisme dat ze 
die taalkundige buitenspelval opnieuw heeft opengesteld, dat ze tot een aantal 
mensen gezegd hebben: hela, hela zo kunnen wij ook scoren, maar dat doelpunt is 
niet geldig. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het nieuw-realisme heeft nogal wat post-experimentele 
taalin-flaties gesaneerd. En bij ons was dat meer nodig dan in Nederland, vind 
ik. De woordovertolligheid is typisch Vlaams, het liever tien woorden gebruiken 
dan één, dat is een soort over-kompensatie van taalachterstand en 
woordonzekerheid.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;Maar je had toch wel een verschijnsel als
Lucebert in Nederland&lt;/em&gt;.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- Ja, maar ik heb de indruk dat die nog tamelijk logisch met 
taal bezig was, met de dikke Van Dale erbij. Ik had niet de indruk dat hij er 
met tien petten tegelijk naar gooide, zoals een Van Maele 
of een Max Kazan. De voorliefde voor exactheid, het 
woord als de kortste afstand tussen betekende en betekenis, die hebben wij niet. 
Daartoe hebben wij bij ons ook niet voldoende taalgevoel, geloof ik, om te 
weten: dat éné woord is exact en al de rest zit er net iets naast. Dus gebruiken 
we maar liever vijf woorden, om zéker te spelen. De Vlaamse literatuur heeft wat 
te betekenen gehad zolang ze ongegeneerd Vlaams durfde te zijn. Nu schrijft men 
een soort Mark-Galle-taal, een tweede taal die onvoldoende gekend is en die 
trouwens bij elke serieuze uitgever door een Nederlander gerewrited wordt.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;De experimentele dichter probeerde het onuitsprekelijke 
te verwoorden. Nu heeft de neo-realistische dichter veel minder ambitie. Hij wil 
eerder het alledaagse verwoorden, wat op een verarming neerkomt&lt;/em&gt;.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;- Tja, je mag wel proberen het onuitsprekelijke te verwoorden, 
op voorwaarde dat het lukt. In het voetbal worden de goede intenties evenmin 
gehonoreerd, je moet scoren of er wordt niet langer over gepraat. In die zin ben 
ik niet zozeer voor resultaatsvoetbal - want dat is lelijk - maar wel voor 
resultaatspoëzie. Veel te veel experimentele poëzie blijft voor mij zonder 
resultaat.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;Betekent het neo-realisme desondanks geen verarming van 
de poëzie? De woordenschat wordt met opzet beperkt gehouden, alle zogenoemd 
elitaire woorden worden niet meer gebruikt&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
  &lt;br/&gt;
&lt;em&gt;omdat ze de onmiddellijke verstaanbaarheid in de weg staan. De experimentelen 
hebben gestreden om een hele reeks woorden, die vroeger als a-poëtisch werden 
gebrandmerkt, te doen aanvaarden. De neo-realisten verwerpen een deel van deze 
verworvenheden opnieuw.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- Je bedoelt dat Achterberg nogal 
wat scheikunde in zijn titels te pas bracht, dat Lucebert 
zijn lief wel eens ‘mijn kneedbaar smeltpunt’ noemde, en Hans 
Andreus sprak van ‘mijn eiland sicilië’. Ik denk dat het daar al lang 
niet meer om gaat, hoor. Ik zie in het neo-experimentele dichten, netzogoed als 
in de vroegere traditionele poëzie waartegen precies gereageerd werd, een nieuwe 
retoriek ontstaan. In de traditioneel rijmende poëzie werd de retoriek in de 
hand gewerkt door het rijm, je kan niet rijmen op herfst, dus kies je voor 
najaar. Je kan niet rijmen op avond, dus is het altijd nacht. Bij de 
neo-experimentelen wordt een gelijkaardige woordkeus-vereniging opgelegd door 
het stafrijm in plaats van door het eindrijm, maar het komt op hetzelfde neer. 
Kijk, ik neem hier een bundel van Van Maele uit, even 
bladeren, pagina 8, 9, 10, neem pagina 12, daar heb je het al: ‘Maar dàt is de 
hoop: het zachter geweld, het wijder warmer wilder weten.’ Even verderblaren, 
pagina 20 - je moet er echt niet lang naar zoeken: ‘verbluffend verblijf. 
vuurkreet, vallende valk: vloekend vindt de dichter het zoekend woord.’&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dat is, onder invloed van de alliteratie een tot alleen nog 
maar aristocratische woorden beperkte taal. Terwijl ik, na net zo 
gauw-willekeurig in mijn eigen bundeltje bladeren, de termen leuven anno 1975, 
één april, madurodam, amsterdam, proletariaat, johan cruijf, clown august en 
tante bertha vind - en dan zit ik nog maar op pagina 13. Ik geloof dat het 
minste wat je daarbij kan constateren, is dat het met opzet beperkt houden van 
de woordenschat meer bij de neo-experimentelen gebeurt dan bij de neo-realisten. 
Okee, ik ben helemaal geen voorstander van de absolute tevredenheidspoëzie die 
er hier wel eens geschreven wordt, en ik heb het evenmin erg begrepen op de 
‘lees maar, er staat alleen wat er staat’ -poëzie. Verstaanbaarheid kan ook wel 
eens betekenen: lees maar eens vijf keer, want er staat wel wat er staat, maar 
nog veel meer. Het understatement is een middel daartoe, verzwijgen kan een vorm 
van&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
  &lt;br/&gt;
beter zeggen zijn. Terwijl nogal wat experimentele poëzie op mij het effect 
heeft van lees maar, er staat niet eens wat er staat. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ingewikkeldheid is gemakkelijk, paradoxaal genoeg ook zelfs 
voor de lezer. Bij hermetische poëzie heb je bij wijze van spreken achter elke 
zin een uitroepteken staan, let op, dit moet wel iets bijzonders wezen, want we 
begrijpen er niks van! In een verstaanbare tekst heb je die uitroeptekens niet, 
maar daarom juist ben ik ervan overtuigd dat vele lezers nogal eens over de 
subtiliteiten heen lezen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En om nog eens op die alledaagsheid terug te komen:
Buddingh&#39; schreef destijds boven zijn bundel ‘Deze 
kant boven’ het motto van Hugo von Hofmannsthal: 
‘Die Tiefe muss man verstecken. Wo? An der Oberfläche.’&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dat geeft mooi het criterium aan voor deze poëzie: de 
alledaagsheid is een middel om andere dingen te zeggen, een manier om ook te 
zeggen wat je niet létterlijk zegt. Het verkleiningseffect, de afschuw voor 
grote woorden, de voorliefde voor verkleinwoorden, geen grootspraak, maar 
kleinspraak, zoals Hanny Michaelis ergens zegt, het 
gedetailleerd, bijna minuskuul weergeven van dingetjes, emotietjes, de precisie: 
dat kan allemaal een middel zijn om door het onder de loep nemen van iets 
minuskuuls, ineens veel meer te gaan zien. Als je goed een ster wil bekijken, 
zei Vestdijk al, moet je er vlak naast kijken. Maar 
het spreekt vanzelf dat, vanals er onder de ‘Oberfläche’ niks meer ‘versteckt’ 
zit, dat er van deze poëzie dan ook niks over blijft.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;Je was destijds ook redactielid van ‘Ruimten’. Kun je wat 
vertellen over het streven van dat blad, dat toch wel anders moest gericht zijn 
dan de andere tijdschriften van de neo-realisten, Kreatief, Yang en Revolver?&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;- Ruimten was wel het eerste van al die bladen. We zijn ermee 
opgehouden omdat we eigenlijk een communicatievere poëzie nastreefden, terwijl 
er nooit meer dan 200 abonnees waren. Niemand had die colporteursbekwaamheid om 
ook met ‘Ruimten’ te gaan leuren, en een streven naar communicatieve poëzie, met 
niet meer dan 200 lezers werd op de duur al te contradictorisch, uiteraard. Wat 
ik van ‘Ruimten’ vooral geleerd heb, behalve het feit dat 
Ludo Abicht er als eerste in het Nederlands&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
  &lt;br/&gt;
taalgebied Neruda in vertaald heeft, is de maatstaf 
die Luk Wenseleers aanlegde voor poëzie. Alweer die 
begrijpelijkheid: als ik het niet begrijp, zei Luk, dan is het ook niet goed, 
want ik heb er tenslotte voor gestudeerd. Voor de rest plaatste hij graag 
opmerkingen in de marge van de tekst, in de trant van ‘eens goed vrijen, &#39;t zal 
dan wel over gaan.’ Met andere woorden: het besef dat nogal wat literatuur 
overbodig wordt, achteraf een Ersatz blijkt, als je het leven zèlf au sérieux 
gaat nemen. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Achteraf is daar nog de invloed van de joernalistiek overheen 
gegaan, de absolute verplichting om de dingen begrijpelijk te zeggen, want je 
hebt een oplage in stand te houden. Een goed weekblad maken is moeilijker dan 
‘Akademische Tijdingen’ maken. Ik schat de strikte literatuur dan ook niet zo 
vreselijk hoog. Om te beginnen is het een oud medium en kan ik me voorstellen 
dat jongeren zich eerder aangetrokken voelen tot teevee, film, pop. Dat de 
meesten zich hier nog altijd van de literatuur als van een boodschappenwagentje 
bedienen, is vaak minder te wijten aan het feit dat ze gekozen hebben voor de 
strikte eigenzinnigheid van de literatuur als medium, dan aan het feit dat ze 
gewoon ten achter zijn, en die andere, zich veel meer tot boodschappelijkheid 
lenende media, nog niet eens ontdekt hebben.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Verder heb ik ook wat het vakmanschap betreft soms meer 
waardering voor goeie joernalistiek dan voor literatuur. HP heeft ooit een serie 
verhalen ‘Schrijvers op stap’ gehad, waarin ze Jan Wolkers 
een trektocht lieten verslaan en Bob den Uyl een 
voetbalmatch - ik noem zomaar wat.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Daaruit bleek hoofdzakelijk dat de echte joernalisten dat 
beter konden. Ik vul al een paar jaar, in de eindejaarspop-poll van Humo, als 
beste schrijver de naam Martin van Amerongen in, van 
Vrij Nederland. Bij wijze van boutade, jawel, maar het begint me met de jaren 
ook meer te liggen, Kant noemde het karakteristieke 
van de esthetische ervaring een ‘interesseloos welbehagen’. Ik voel me de 
laatste tijd vaak beter bij een geïnteresseerd welbehagen of bij een overtuigend 
aan gepraat onbehagen. Misschien maak ik daarbij inderdaad alleen een 
uitzondering voor poëzie: daarin hebben woorden een zeer exclusieve aandacht 
voor elkaar, daarin leven woorden in commune, zou je kunnen zeggen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;Wanneer men je poëzie vergelijkt met die van de meeste andere 
neo-realisten, valt het op dat jij met de taal gaat werken, terwijl de anderen 
gewoon de alledaagse taal gebruiken in haar utilitaire betekenis&lt;/em&gt;.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- Er gebeurt in een tekst toch pas iets vanals je inderdaad 
gaat werken met de taal? Werken is veel gezegd, spelen is juister. Dat gebeurt 
in betere gedichten altijd, het hoeven daarom geen woordspelingen te zijn. Maar 
je doet iets met je materiaal, een mededeling en état brut is geen poëzie, dus 
je moet er wat mee doen, ze vijf keer ondersteboven keren om een originele 
invalshoek te vinden: dat is ook al spelen. Of je kan een mededeling met iets 
verhelderends vergelijken: een beeld doet een mededeling zichzelf in een spiegel 
bekijken, dat is evenzeer spelen. Alles is spelen, en daar plezier aan beleven, 
het geven van dieptepassen met de taal, of de lezer op het verkeerde been zetten 
door hem net een schijnbeweging voor te zijn. De woordspeling is daar maar één 
voorbeeld van, maar één middel toe, net zoals beeldspraak zo&#39;n middel is, de 
alliteratie, de klank, en al die middelen kunnen goed of slecht gebruikt worden, 
maar zijn nooit in se slecht.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In Nederland heeft men nogal wat modieuze bezwaren tegen de 
woordspeling. Kees Fens schrijft b.v. dat het gebruik 
van woordspelingen een laag-bijdegronds middel is geworden, sinds ook de reklame 
er zich van bedient. Maar de reklame bedient zich ook van substantieven en van 
adjectieven. Ik bedoel: het zijn allemaal middelen. Je kan wel zeggen: die en 
die woordspelingen zijn slecht, zijn ver gezocht (nogmaals, dat betekent dan dat 
ze niet ver genoeg gezocht zijn). Maar je kan moeilijk volhouden dat ze 
principieel niet deugen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;Je gaat vaak figuurlijke zinswendingen gebruiken in hun 
letterlijke betekenis, waardoor ook een soort humor ontstaat. Bestaat het gevaar 
niet dat je daardoor vervalt in een techniekje, dat - eens het 
verrassingselement uitgewerkt - krachteloos wordt?&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;- Je bedoelt dingen als in ‘Hotel Eden’, een zwemgedicht, en 
die pik daarin die ineens ‘als een paal boven water’ staat? Godja, da&#39;s ook een 
soort woordspeling, natuurlijk. Eigenlijk is wat er in een woordspeling gebeurt 
precies hetzelfde als wat er in een beeld gebeurt. Je voegt twee betekenissen 
bij elkaar,&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
  &lt;br/&gt;
je laat ze op elkaar inwerken en voegt daardoor betekenis en inhoud toe. Als ik 
zeg ‘deze tuin van heden’, heb je daar twee betekenissen in, deze tuin van Eden, 
en van heden. Dat is toch net hetzelfde als wat in beeldspraak gebeurt, alleen 
zou die in dit geval langdradiger zijn: deze tuin van heden, dit ene 
uitgestrekte nu-moment, als een tuin zo groot, lijkt wel op een tuin van Eden - 
of zoiets. In dit geval kies ik voor de woordspeling, omdat ze een stuk bondiger 
is. Natuurlijk zullen er wel eens slechte woordspelingen in zitten, zoals je 
slechte beelden hebt. Een slechte woordspeling zou dan een gratuite woordspeling 
zijn, waar eigenlijk niks in gebeurt, waar je alleen een soort aha-effect krijgt 
van ik - heb - het - wel - gezien - hoor. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Overigens zijn al die middelen, woordspelingen, beelden, 
klankeffecten, allemaal estetizerend, maar dat moet dan maar. Ik zie voor de 
poëzie niet zoveel andere mogelijkheden. Ik lees poëzie nog altijd voor het hoe. 
Ook een Neruda of een Nicolas 
Guillen, de inhoud is dan meegenomen, maar het hoe komt eerst. En als ik 
andere effecten wil bereiken, wat-effecten, of 100-Watt-effecten, als ik 
agressievere of inhoudelijker dingen kwijtwil, gebruik ik daar andere vormen 
voor. Poëzie is nu eenmaal beperkt.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;Je ziet het engagement niet in de poëzie zitten&lt;/em&gt;.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- Dat is een kwestie van effectiviteit. Ik zou daar 
joernalistiek voor gebruiken. Het idee dat je met een oplage van 500 exemplaren 
iets zou kunnen veranderen, komt neer op een overschatten van de poëzie en een 
onderschatten van de politiek.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;Op het omslag van je eerste bundel heb je laten 
afdrukken: ‘Gevoelens dienen niet alleen om beschaamd over te zijn, maar ook om 
ze te hebben. Je kan erin wonen.’ Daarmee verwijs je dus ook naar de inhoud van 
de gedichten, waarin persoonlijke gevoelens mogen verondersteld worden&lt;/em&gt;.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;- Ik weet niet of ik daarmee naar de inhoud verwijs: vanals je 
in die gevoelens gaat wonen, ga je die woning inrichten, vormgeven, zoals de 
titel van Hans Lodeizens dichtbundel ‘Het 
innerlijk behang’ bedoelt. Ik zie misschien in alles teveel de vorm, maar 
hoe dichter je er met je neus opzit, hoe meer de dingen, die aanvankelijk 
inhoudelijk leken, tot de vorm blijken te behoren. Ten opzichte van de 
oorspronkelijke ongevormde gevoelens, die je inhoud zou kunnen noemen, is b.v. 
ironie al&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
  &lt;br/&gt;
een vorm. Ook melancholie kan een vorm zijn die je aan pijnlijker gevoelens 
geeft, een vorm waarin ze tot rust komen. Dat soort dingen bedoelde ik in dit 
citaat, een poging om op je gemak te leren zijn in je emoties, terwijl je hele 
opvoeding je het tegenovergestelde heeft trachten aan te praten. Gevoelens 
dienen niet perse om mee naar de psychiater te lopen, je kan er ook in relaxen 
‘als in een zetel’ - een beeld dat nogal eens opduikt. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;Je schrijft inderdaad op verschillende taalniveaus, net 
zoals Roland Jooris trouwens. Je probeert de 
werkelijkheid in je gedicht te betrekken en ook de taalwerkelijkheid in de 
realiteit daarbuiten. Ik denk hier inderdaad aan het vers ‘in het woord zetel 
rust ik uit als in een zetel’&lt;/em&gt;.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- In zo&#39;n vergelijking zit een dosis romantiek: het verlangen 
om in een gedicht een gevoel van eigenlijk maar 20 seconden, langer te laten 
duren dan het duurt. Om op het engagement terug te komen: je zou kunnen zeggen 
dat het in poëzie om diepergaande vormen van protest gaat dan in joernalistiek 
of zo, om hopelozer protest ook, b.v. om protest tegen het voorbijgaan van de 
dingen, tegen vergankelijkheid. Door vakkundig en esthetisch en zo goed mogelijk 
met woorden te spelen, wil je eigenlijk vooral iets stevig doortimmerds maken, 
iets wat langer meegaat dan de voorbijgaande aanleiding ertoe. Omdat de emotie 
zelf zo voorbijgaand is, richt ik er een blijvend bedoeld grafmonumentje voor 
op.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het is opvallend hoeveel poëzie er geschreven wordt uit gemis, 
ja, maar tegelijkertijd ook uit verzet tegen dat gemis. 
Achterberg schrijft een heel dundrukmissaal bij mekaar om een dode vrouw 
telkens weer voor de duur van een gedicht tot uiteindelijk niet veel meer dan 
een steriel diepvriesleven op te wekken, Pierre Kemp 
schrijft drie dundrukdelen om er een jeugd in te continueren die hij 
waarschijnlijk niet eens gehad heeft, Roland Holst om 
er een onbestaanbaar ‘eiland achter de tijd’ mee in kaart te brengen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Poëzie is nooit gelijk aan de werkelijkheid, poëzie verfraait, 
schminkt bij, uit protest tegen het lelijke, of verlelijkt, uit protest tegen de 
schone schijn. Poëzie geeft op z&#39;n minst aan de werkelijkheid een hogere 
concentratiegraad. Zelfs als je een gedicht over de verveling schrijft, mag dat 
geen vervelend gedicht&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
  &lt;br/&gt;
worden. Natuurlijk is dat een vorm van bedrog. Poëzie is een zo eerlijk mogelijk 
bedrog, en dat bedrog wordt nog subtieler door, zoals ik af en toe doe, de 
indruk te wekken dat je niet bedriegt, dat je inderdaad de werkelijkheid zoals 
die is, binnenhaalt. Zoiets als de leugenaar die beweert dat hij helemaal niet 
liegt - met een knipoogje erbij. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;Je schrijft dus eigenlijk poëzie om een indruk, een 
ervaring vast te leggen, te bestendigen&lt;/em&gt;.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;- Ja, zoals je fotootjes in een album plakt, een poëzie-album. 
Je hebt iets om achteraf op terug te kijken, het is niet helemaal niks geweest, 
want het blijft naslaanbaar. Dat klinkt alsof mijn grootste drijfveer - althans 
tot het schrijven van poëzie - melancholie is, en dat zou wel eens kunnen. Ik 
heb ooit gezegd: ‘als Nixon over meer melancholie had beschikt, had dat een paar 
100.000 doden gescheeld.’&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;Toch lijkt me niet de melancholie, maar wel het 
autobiografisch aandoen van je poëzie de reden waarom in Nederland een criticus 
als Anton Korteweg er huiverig tegenover staat&lt;/em&gt;.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- Ik geloof niet dat ik autobiografisch schrijf, ik geloof dat 
je het ‘ik’ in mijn gedichten gemakkelijk door een ‘hij’ kunt vervangen, alleen 
wordt de toon dan minder direct. Maar het is wel opvallend hoe uit de 
Noord-Nederlandse poëzie het ik wordt geweerd, op een moment dat er als nooit 
tevoren een echte boom van autobiografieën is. Misschien is de poëzie als genre 
snobistisch, wil ze het opzettelijk niet hebben van wat op het moment populair 
is. Maar het is wel onverstandig. Je zou het kunnen vergelijken met wat de BSP 
altijd gedaan heeft: ze heeft de Vlaamse Beweging laten schieten, en later ook 
het gauchisme van zich afgestoten. Met het gevolg dat er een aantal mogelijke 
kandidaat-BSP-ers nu in een andere partij zitten, in het eerste geval, of 
politiek dakloos zijn in het tweede geval.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Op dezelfde manier laat de poëzie kansen liggen. Op het 
ogenblik dat de hele popmuziek bewijst dat romantiek een blijkbaar toch 
essentieel element is van deze tijd, steekt in Nederland ‘De Nieuwe Stijl’ en 
zijn nasleep op, zowat de meest onromantische stroming die er ooit geweest is. 
En op het moment dat er een ongeziene belangstelling bestaat voor de 
autobiografie, wordt het ik uit de poëzie verjaagd. Ook hier gaan er mensen&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
  &lt;br/&gt;
overlopen naar een andere partij, in casu een andere discipline, de pop, of de 
hele dagboekentrend, en worden er een aantal mensen poëtisch dakloos - mensen 
die wel gevoel hebben voor poëzie, alleen niet voor deze poëzie. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dat geldt hoofdzakelijk voor Nederland, omdat alles daar 
trendmatiger gaat. Zoals je van de lentecollectie van Dior kunt spreken, kan je 
het ook over de lenteaanbieding van De Bezige Bij hebben, elk jaar een nieuwe 
trend. En die trends lopen dan inderdaad wel enkele jaren op Vlaanderen vooruit.
Roland Jooris heeft ooit eens een mooie verklaring 
gegeven voor dat Vlaams achterlopen: Nederlanders vinden zomaar literaire 
stromingen uit, in het luchtledige, nieuw is nieuw, hebben is hebben. Vlamingen 
daarentegen zouden bij elke van elders aangewaaide stroming eerst een tijdje 
uitkijken wat ze ermee kunnen aanvangen, voor ze ermee beginnen. In Nederland 
heeft een nieuwe stijl afgedaan voor men er goed mee begonnen is, bij ons is 
daar enig traag pijpje-zabberen mee gemoeid en bedenkelijk nadenken, na-denken 
inderdaad, en het dan maar eens op z&#39;n Vlaams proberen, altijd wel met meer 
gestuntel, maar ook met meer gemoedelijkheid. De Nieuwe Stijl in Nederland, wat 
daar dan het nieuw-realisme moest voorstellen, verhoudt zich dan ook tot ons 
nieuw-realisme zoals een eetpilletje staat tegenover een eetpartij in een 
driesterrenrestaurant. En daar zijn wij hier nog altijd mee bezig, omdat het zo 
goed smaakt, wellicht, terwijl Nederland alweer in een structuralistische 
stroming zit, een door Merlijn en vooral door Raster blijkbaar uitsluitend voor 
doctorandi en beroepslezers bestemd cultiveren van ingewikkeldheden, 
verwijzingen, door elkaar gehaspelde tijdslagen, referentiekaders. Je zou met 
enige overdrijving zelfs kunnen stellen dat dit structuralisme, net zoals De 
Nieuwe Stijl destijds, nooit een stroming geworden is, voor worden heeft ze 
nooit de tijd gekregen, ze is er zomaar ineens geweest, da&#39;s al. De trend van 
het moment in Nederland, dat is Gerrit Kouwenaar als 
dichter van Europees niveau, is Hans Faverey, is een 
criticus als Rein Bloem met alle meligheid van zijn 
naam. Wij zitten ons hier nog af te vragen wat we met de vorige trend kunnen 
aanvangen, terwijl zij altijd wel in een volgende trend zitten, zonder die 
vraag.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;Ik heb de indruk dat je, meer dan met Vlaamse 
neo-realisten&lt;/em&gt;,&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
  &lt;br/&gt;
&lt;em&gt;verwant bent met enkele inderdaad melancholische Nederlandse dichters. 
Aanvankelijk was er invloed van Hans Lodeizen, en de 
laatste tijd sta je nogal dicht bij Rutger Kopland&lt;/em&gt;.
&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;- Wat Lodeizen betreft, er is wellicht verwantschap tussen ‘de 
buigzaamheid van het verdriet’ wat de titel is van verschillende van zijn 
gedichten, en ‘de lenige liefde’: er is misschien wel 
wat emotionele acrobatiek gemoeid met gedichtenschrijven, en veel van mijn eigen 
dingen willen een beetje de sfeer hebben van een heel droef, sierlijk menuet, 
maar dan wel gedanst door een turnclub. Zoiets.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Van Kopland vind ik dat hij mij altijd een mooi antwoord 
verschaft voor wie begrijpelijkheid in de poëzie te min acht. Hermetische 
dichters zijn vaak onbegrijpelijk op het eerste gezicht, en maar al te 
begrijpelijk op het tweede. De taal is een soort koningsmantel die ze om zich 
heen draperen en waarmee ze mensen op afstand houden, maar eigenlijk is dat vaak 
een nieuwe - kleren - van - de - keizer -effect. Bij Kopland is het andersom, 
hij is ontzettend begrijpelijk op het eerste gezicht, en wordt pas ingewikkelder 
op het tweede, derde, vierde gezicht. De onuitsprekelijkheid van allerlei is 
eigenlijk een van zijn hoofdthema&#39;s, maar hij spreekt dat heel helder uit. Bij 
anderen moet je soms drie keer lezen voor je het begrijpt, bij Kopland moet je 
drie keer lezen voor je begrijpt dat je het niet helemaal begrijpt.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En Vlaanderen, nou, ik zie na ‘De zwarte 
muze’ en ‘Van Horen Zeggen’ van
Claus inderdaad niet meteen nog een werkelijk grote 
dichtbundel. Nic van Bruggen is goed, maar die heeft 
iets van een porseleinen theeservies waaruit je precieus drinkt met de pink even 
subtiel opzij uitstekend, vandaar ook de naam ‘pink poets’, geloof ik. En dat 
eeuwige allitereren doet me altijd denken aan het zinnetje ‘de kat krabt de 
krollen van de trap’, waarmee mijn vader me vroeger de rollende r leerde 
uitspreken.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;Je gebruikt ook nog wel metaforen, wat nochtans een 
typisch ingrediënt van de experimentele poëzie was. Zo schrijf je b.v. ‘Het 
landschap komt op ons toe met weiden op zijn handen’, en ook een beeld als 
‘wolken zijn doeken voor het bloeden van de zon’. Dit zijn eigenlijk 
overblijfselen van de vroegere poëzie&lt;/em&gt;.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- Ja, ik denk dat ik altijd tamelijk eclectisch geweest ben. Ik heb van elke 
stroming de dingen trachten te behouden, die ik goed vond. Later is men die 
beelden gaan wegsnijden, maar voor mij hoefde dat niet, ik vind gedichten zonder 
één beeld even eenzijdig als gedichten met alleen maar beelden. Een beeld is 
toch maar een middel als een ander, en daar per se helemaal willen van afzien is 
al even gek als b.v. poëzie willen schrijven zonder werkwoorden - ik zeg maar 
wat.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wat mij soms wel hinderde bij de experimentelen, was dat ze 
zoveel beelden op elkaar stapelden, dat je het vorige beeld moest vergeten om 
het volgende te kunnen smaken. Paul Snoek zei eens dat 
beelden de sporten van de ladder zijn waarmee je een gedicht bestijgt. Maar bij 
de tweede sport moet je de eerste vergeten, terwijl ik tracht om in de kontekst 
van één gedicht alle beelden te laten naar elkaar verwijzen. Net zoals de 
woorden onderling moeten ook de beelden in een gedicht bij elkaar passen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;Er spreekt ook een zekere ars poetica uit je poëzie, 
reeds op het einde van de eerste bundel las je een cyclus in die ‘ars poetica’ 
heet, en het laatste gedicht draagt als titel ‘aan Buddingh’. Blijkt hier niet 
opnieuw je verwantschap met Nederlandse dichters - ondanks hun 
trendgevoeligheid?&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;- Ja, maar uitgerekend in dat gedicht distantieer ik me 
eigenlijk van Buddingh&#39;. Van de Buddingh&#39; uit de tijd 
van ‘Deze kant boven’, niet van de latere van ‘Wil 
het bezoek afscheid nemen’, en zeker niet van de allerlaatste Buddingh&#39; ‘Het 
houdt op met zachtjes regenen’. Ik zei ongeveer dat die vlotte praattoon 
van poëzieschrijven met opgerolde hemdsmouwen wel okee was, ‘zoals Limburgse 
boeren gezond zijn voor de moraal’, maar dat ik meer hou van woorden die 
plotseling bij mekaar gaan horen en zeggen: ‘nou hoeft er geen meer bij’. Ik hou 
van de onderlinge intimiteit van woorden binnen het gedicht. En als ik in die 
tijd naar De Nieuwe Stijl verwees, was dat met de bedoeling om aan die 
Nederlandse ascese wat minder zuinige gevoeligheid toe te voegen. Ik heb die 
ascese altijd typisch Hollands gevonden, het krenterig omspringen met gevoelens 
net zoals met bankbiljetten.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;Je noemt het gedicht ook ergens een speelveld. Verwijst 
dit niet direct naar het spelelement dat voor jou in de poëzie moet aanwezig 
zijn?&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- Ja, dat was een vergelijking van poëzie met voetbal, en ik vind die 
vergelijking voor de hand liggend. In voetbal zoek je met elf maal twee, met 22 
spelers naar verrassende combinaties en in poëzie doe je met 26 lettertekens 
hetzelfde. Zoeken naar openingen, naar iets flitsends of verrassends. Een goeie 
pointe is dan zoveel als een doelpunt. Ik tracht bewegingspoëzie te schrijven, 
zoals bewegingsvoetbal. Daar zou je dan een defensief wetenschappelijk of 
ideologisch taalgebruik kunnen tegenover stellen als een soort ‘cattenaccio’, 
een risicoloos, oervervelend voetbal.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;De titel van je tweede bundel komt uit het gedicht 
‘winter’, met de versregel ‘zo lang er sneeuw is, is er hoop’. Schrijf je hier 
op een ironische wijze je somberheid af?&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;- Ik vond dat niet zo ironisch, hoor. Om te beginnen heeft 
sneeuw voor mij, vanuit mijn katholieke opvoeding wellicht en vanuit 
volksspreuken als ‘Jezuke schudt zijn beddeke uit’ altijd een beetje de 
gevoelswaarde gehad van een uit de hemel vallend erbarmen. En voor de rest 
vertelt het gedicht gewoon een visuele ervaring van toen ik tijdens mijn 
legerdienst tien jaar terug een paar nachten in de sneeuw moest op wacht staan. 
Als er sneeuw ligt, en er is wat maanlicht, is het inderdaad nooit helemaal 
donker: de sneeuw weerkaatst alles, het lijkt wel een soort indirecte 
verlichting van de aarde. Ik vond dat een geschikt beeld om mijn pessimistisch 
optimisme uit te drukken: erg klaar wordt het nooit, maar helemaal donker 
evenmin.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;Je hebt een cyclus genoemd ‘Een dag als geen ander’. 
Bedoel je daarmee dat ook het alledaagse nog verrassend kan zijn? Het alledaagse 
is voor jou dus niet eentonig?&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- Dat is het af en toe wel, maar je hoeft daarom nog geen 
eentonige gedichten te gaan schrijven. De titel van die cyclus was een reactie 
op een boekje van Weverbergh uit die tijd: ‘Een 
dag als een ander’. Ik vond het toen niet meteen de taak van de poëzie om 
dat te beschrijven. Poëzie moet misschien inderdaad ‘een dag als een ander’ 
kunnen beschrijven, maar dan toch altijd alsof het de eerste dag was.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;In die bundel komt ook de reeds vaak geciteerde zin ‘Ik 
wil de taal dinamiteren tot een gebeurtenis waar veel volk komt naar kijken’. 
Heb je daarmee bedoeld dat poëzie een produkt&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
  &lt;br/&gt;
&lt;em&gt;kan zijn dat een ruime interesse kan wekken?&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;- Zou moeten kunnen wekken, ja. Alleen had ik nooit mogen 
spreken van ‘dinamiteren’, Georges Adé heeft ooit 
opgemerkt dat het buskruit dan wel nat geweest moet zijn. Ik bedoelde veeleer 
iets vuurwerk-achtigs, het was me om het feestelijke en het veel volk te doen, 
niet om de knal.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De taal dinamiteren, dat is trouwens wat de experimentelen 
gedaan hebben, ik heb daar altijd van beweerd dat ze oorspronkelijk de hele 
maatschappij wilden opblazen, maar dat ze zich gemakshalve beperkt hebben tot 
het opblazen van de grammatica. Die hele maatschappij, daar wil ik nog wel eens 
aan beginnen, maar de grammatica, nee, er bestaan ook binnen deze grammatica al 
voldoende communicatiestoornissen. Om het nog maar eens met sport te 
vergelijken: een dichter die de taal wil opblazen, is te vergelijken met een 
100-meter-horden-loper die zegt: laten we die horden nou maar eens wegnemen, dan 
lopen we een seconde sneller. Maar dan wordt hij ook een gewone 
tweederangs-honderd-meter-loper. En dat goeie poëzie inderdaad ruimere interesse 
kan wekken, daar geloof ik in, ja. Kijk maar naar de miljoenenoplagen van Bob 
Dylan. Geen enkele van mijn kennissen is echt ongevoelig voor poëzie, alleen 
hebben ze meestal, terecht, niet het geduld om die vijftig bundels te lezen, die 
nodig zijn om er die ene goeie uit over te houden.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Poëzie en kunst in het algemeen zijn wel degelijk belangrijk, 
hoewel ik ze hier constant heb zitten relativeren. Kunst is niet zo belangrijk 
als kunstenaars wel vinden, maar dan weer wel een stuk belangrijker dan politici 
haar vinden. Wat dat betreft vind ik het heel typisch wat een 
Mandel ooit zou geantwoord hebben op de vraag of kunstenaars ook iets 
voor de revolutie konden betekenen. Jazeker, zei Mandel, als ze een schilderij 
verkopen en de opbrengst daarvan in de partijkas storten. Voor marxisten zal 
kunst dan wel de maatschappelijke bovenbouw zijn van een economische onderbouw, 
maar individueel, voor mezelf, ervaar ik het wel eens als de onderbouw, waarvan 
mijn politieke overtuiging dan de bovenbouw is.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik steek meer op van het fascisme via een film als Cabaret of 
Novecento, dan via een jaargang Rood of Amada. Bovendien is het de taak van o.a. 
de literatuur om de utopieën levend te&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
  &lt;br/&gt;
houden, het heimwee naar hoe het wellicht toch nooit zal worden, naar de 
verbeelding aan de macht. Ik zie nogal wat in de wederzijdse beïnvloeding van 
literatuur en politiek. Geef de politiek meer verbeelding en de literatuur meer 
werkelijkheidszin. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Alleen moet je daar dan wel bij constateren dat b.v. twintig 
jaar televisie hier voor een enorme culturele aliënatie gezorgd heeft, waar je 
haast niet meer tegenop kan. De eenzame dichter contra de multinationals van de 
internationale, inhoudsloze teeveeontspanning: hij heeft geen schijn van kans. 
Het komt er in feite op neer dat je de mensen twintig jaar lang programma&#39;s 
voorschotelt waar ze geen enkele behoefte aan hebben, maar op de duur kreëer je 
die behoefte. Daarom ook dat ik geen enkel heil zie in een verzuiling van de 
teevee.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;Als we nu even naar je poëzie terugkeren, dan stel ik 
vast dat het esthetische element voor jou wel belang heeft&lt;/em&gt;.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- Met mate toch maar, hoor. Wat in een gedicht staat, moet zo 
goed mogelijk verwoord zijn: als dat esthetisch is, ben ik het ook. Maar als je 
dat gaat overdrijven, kom je in een geesteshouding terecht waarin je je 
emotietjes, sensatietjes, ervarinkjes zodanig gaat verfijnen in functie van een 
gedicht, dus in functie van iets anders dan wat ze zelf zijn, dat je op de duur 
te verfijnd gaat worden om het leven zelf te appreciëren. Het leven wordt dan 
herleid tot een zuivere aanleiding, heeft an sich geen enkele waarde meer, is 
alleen voorwendsel om er kunst van te maken: van dàt soort estheticisme moet ik 
niet zoveel hebben, het poète maudit-estheticisme lijkt me nogal verderfelijk. 
Zelfs de totaal ongeëngageerde kunst, die dus in eerste instantie aanspraak 
maakt op dat ‘esthetisch’ etiket, is nog altijd alleen maar een hulpmiddel, tot 
iets alomvattenders, tot levenskunst b.v.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Vanals het dat niet meer is, lijkt het me te dérailleren.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;Je bent eigenlijk begonnen met cursiefjes, gebundeld in ‘Lachen 
tot je zwart ziet’. Verwijst die titel naar een voorliefde tot zwarte 
humor?&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;- Dat was de bedoeling, ja, dat was de tijd van de vrolijke, 
blije kleinkunst, de vogeltjes alhier en de meimaand aldaar, plus drie akkoorden 
op de gitaar. Ik wou toen wat tegenstribbelen tegen al de KSA-achtige 
opgeruimdheid. Een van de beste&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
  &lt;br/&gt;
stukjes ging over Allerzielen, bijvoorbeeld, en ik herinner me ook nog wel een 
stukje over Kerstmis, onder het motto ‘Kerstmis is voorbij; er is weer vrede’. 
Maar die dingen zijn geschreven in de jaren 1964-65-66, en pas gepubliceerd 
einde 68: de hele meirevolte had intussen plaatsgevonden, zonder dat daar in die 
kursiefjes enige verwijzing naar was. Vandaar dat het studentikoze van die 
cursiefjes helemaal niks meer te maken had met de studentikoziteit van toen ze 
verschenen. Afgezien van het feit dat studentikoziteit altijd wel wat 
onvolwassens heeft (in dit geval was de zwarte humor erg groen), was die niet zo 
positieve studentikoziteit zelfs ook niet meer up to date. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Maar het heeft wel invloed gehad op mijn gedichten, 
meerbepaald het ophouden met ‘cursiefjes’ heeft invloed gehad op die gedichten: 
voordien stopte ik alles in twee vakjes, wat humoristische bijklanken had was 
cursief, wat alleen maar ernstig was, was poëzie. Door die cursiefjes op te 
geven, zijn serieuzigheid en humor meer op elkaar gaan inwerken, in elkaars 
voordeel, geloof ik. Vestdijk heeft eens, naar 
aanleiding van De Heilige Gedichten van Paul Snoek, 
een essaytje daarover geschreven: humor en ernst werden voordien altijd 
afzonderlijk gekompartimenteerd. Als een man als P.C. Hooft, 
in de renaissancetijd al, eens een luchtiger blijspel schreef,
Warenar, deed hij dat anoniem, wou hij daar liever 
niet zijn naam zien onder staan, dat was minderwaardig. Ook nadien bleef dat zo, 
dichters konden dan wel eens lichtzinniger momenten meemaken, maar dan nog 
hielden ze de genres keurig gescheiden, humor werd opgespaard voor aparte dunne 
boekjes. En zelfs als per uitzondering humor en ernst wel eens in een en 
dezelfde bundel werden aangetroffen, was dat toch in aparte gedichten, nooit 
door mekaar. Op die manier krijg je natuurlijk beide genres in hun extreme 
verschijningsvorm: de serieuzigheid was meteen ook doodserieus, relativisme was 
iets wat in de literatuur nooit aan bod kwam, en anderzijds was de humor 
allerlichtst, de laatste vijf eeuwen humor hebben, blijkens een paar destijds 
door Michel van der Plas in de beginfase van de 
Prismareeks samengestelde bloemlezingen, uitsluitend kolder opgeleverd, een 
soort humor die niet verder dan de onzin kwam, die nooit de kans kreeg zich met 
serieuzere&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
  &lt;br/&gt;
onderwerpen te meten. Ik ben voor het tragi-komische. Voor lachen op 
begrafenissen en zo, les funérailles d&#39;antan. En voor het huilen met een clown.
&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;Je bent geen veelschrijver. Er verliepen zes jaar tussen 
je twee bundels. Hoe groeit zo&#39;n gedicht bij jou?&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- In ‘couches’, zoals je een huis schildert. Soms met een half 
of een heel jaar tussen de beide verflagen. Ik begin gewoonlijk met losse 
regels, strofes, fragmenten of met volledige gedichten, waar ik dan zoveel in 
schrap dat er inderdaad slechts fragmenten van overblijven. Die tracht ik dan 
onder mijn hoede zo goed mogelijk te laten samenleven tot de dag dat twee of 
drie van die fragmenten, via een inmiddels bijgeschreven link bijvoorbeeld, 
ineens definitief bij elkaar schijnen te passen. Ongeveer zoals een dame haar 
dochters koppelt.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Maar van de zes jaar tussen die twee bundels, heb ik drie jaar 
helemaal niks meer geschreven. Aanvankelijk omdat ik ontdekte dat ik mezelf aan 
het herhalen was: je kan nog beter een ander plagiëren, daar leer je tenminste 
nog wat bij, dan jezelf. En vervolgens omdat ik er minder de behoefte toe had, 
wellicht: De Lenige Liefde was toch nog wel voor een 
groot stuk plaatsvervangende poëzie, gedichten in plaats van de werkelijkheid, 
niet over de werkelijkheid.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Gedichten voor en na een vrijage - nooit tijdens. Je zou dus 
kunnen stellen dat ik in die drie jaar de werkelijkheid zelf gaan beoefenen ben, 
als een op dat moment heel nieuw genre voor mij. Ik heb toen o.a. een zoon 
gepubliceerd, heb ik wel eens gezegd.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph interview-question&#34;&gt;- &lt;em&gt;In je interviews komt een zekere agressiviteit tot uiting 
die men niet weervindt in je poëzie. Daar ben je eerder een zeer gevoelige en 
aardige, lieve jongen. Kwam die agressiviteit misschien vooral van
Piet Piryns met wie je samenwerkte?&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;- Dat zal wel, ja. Tenminste, de ironische belazerij is van 
hem, zo iemand als Eddy Wally die je erin laat lopen 
zonder dat ie zelf wat in de gaten heeft: meestal zat ik toen op het toilet te 
lachen. Maar agressiviteit is dat niet meteen, en agressief waren wij eigenlijk 
ook niet zo erg. Dat image zat er wel aan vast omdat, vooral in andere 
interviews van voor een jaar of vijf, toen ‘Woe is woe in de nedderlens’ 
verscheen, er nooit enige confrontatie was tussen interviewer en geïnterviewde: 
een&lt;br/&gt;
&lt;br/&gt;
  &lt;br/&gt;
geïnterviewde kon gewoon kwijt wat hij kwijt wou, zonder daarin tegengesproken 
te worden. Lastige vragen werden niet gesteld. Wij hebben het image van 
agressieve jongens meegekregen, omdat de rest van de toen ten onzent gemaakte 
interviews helemaal knieënknikkend van gezagsgetrouwheid waren: dat image lag 
niet zozeer aan ons, als aan de rest, geloof ik. Wat wij wel deden was dingen 
vragen die gewoonlijk niet gevraagd werden, met Jules De 
Corte praten over zijn blind zijn, bijvoorbeeld. En dan ontdek je dat de 
antwoorden openhartiger worden, in de mate dat je ook in je vragen niet teveel 
ongepaste schroom aan de dag legt. &lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Voor de rest ben ik zelf inderdaad nogal onagressief, als ik 
beroepshalve lastige vragen moet stellen, moet ik me daartoe oppeppen, moet ik 
constant vechten tegen het gevoel van ach, we zijn toch allemaal maar mensen 
onder mekaar en niemand is volmaakt maar dat is een typische CVP-ideologie hé, 
al wat verkeerd loopt, is te wijten aan het menselijk tekort, nooit aan 
structurele tekorten. Ik vind dat je dat menselijk tekort wel mag hebben, hoor, 
maar liever thuis dan, als je er niemand anders mee voor de voeten loopt.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Vanals je naar buiten komt, mag je ervan uitgaan dat 
tekortschieten niet langer de bedoeling is: Eddy Merckx 
krijgt zijn miljoenen per jaar niet om in elke belangrijke wedstrijd tekort te 
schieten, een minister wordt niet gekozen en in de regering gekonkeld en betaald 
om tekort te schieten, en zelfs als je publiceert, als je met b.v. gedichten 
naar buiten treedt, is dat niet om poëtisch tekort te schieten. Ze mogen er wèl 
over handelen, maar ze mogen zèlf niet tekortschieten.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;a href=&#34;http://www.dbnl.org&#34;&gt;&lt;strong&gt;© www.dbnl.org&lt;/strong&gt;&lt;/a&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Een gedicht moet vonken</title><link>https://hermandeconinck.com/een-gedicht-moet-vonken/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/een-gedicht-moet-vonken/</guid><pubDate>Thu, 22 Oct 2026 00:00:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph article-introduction&#34;&gt;&lt;em&gt;&lt;strong&gt;Begin november is het in Antwerpen weer Boekenbeurs. 
Dat is een echt boekenfeest. Je kan er duizenden boeken vinden. Tussen al die 
boeken staan ook enkele dunne boekjes met gedichten. Eén van de bekendste 
dichters uit Vlaanderen is Herman de Coninck. Hij heeft veel succes. Veel mensen 
lezen zijn gedichten graag. Wablieft ging met hem praten.&lt;/strong&gt;&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;interview-question&#34;&gt;&lt;strong&gt;Wablieft: Waarom schrijf je gedichten?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;strong&gt;Herman De Coninck:&lt;/strong&gt; Ja, waarom schrijf ik niet gewoon verhalen, een 
dagboek of brieven? Dat kan als ik gewoon iets mee te delen heb. Met gedichten 
doe ik toch iets anders. Maar wat? In gedichten probeer ik iets kunstig te doen 
met woorden, met de taal. Ik moet heel bondig zijn. Ik zet de woorden niet in 
gewone zinnen. De klank is ook belangrijk. Het moet goed klinken. De woorden 
staan er op zo’n manier dat er soms iets gaat vonken. Dat er iets overspringt op 
de lezer. Ik wil meer dan gewoon iets vertellen of beschrijven. Een gedicht moet 
ontroering of een ander gevoel oproepen. Daarvoor gebruik ik de taal anders dan 
in een krant of om te spreken. Ik schrijf ook stukken voor de krant. Daarin 
vertel ik ook dingen. Maar daar staat nooit een zin in die ik in een gedicht kan 
gebruiken.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;interview-question&#34;&gt;&lt;strong&gt;Schrijft een dichter dan niet vaak over zijn gevoelens?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;
Als je gewoon je eigen gevoelens opschrijft, dan lukt het vaak niet. Je moet 
zelf niet ontroerd zijn, als je schrijft. De lezer moet ontroerd worden, als hij 
leest. Dat begrijpen tieners bijvoorbeeld niet. Die schrijven vaak gedichten 
omdat ze hun gevoelens willen tonen. Maar dat worden daarom geen goede 
gedichten. In een liefdesgedicht moet je niet schrijven:  Ik hou van jou. 
Daarmee is wel duidelijk waarover het gaat. Maar dat is geen gedicht. Dat is al 
miljoenen keren gezegd. Hoe zeg je het dan wel in een gedicht? Dat is gepieker. 
Ik zeg altijd:  Het beste liefdesgedicht schrijf je zonder verliefd te zijn.  Ik 
heb &#39;s nachts vaak droeve gedichten geschreven. Maar &#39;s morgens schoot ik er bij 
in de lach. Dus dat werkt niet. Om een gedicht goed te maken moet je er aan 
prutsen en peuteren. Het lijkt misschien vreemd dat je afstand moet nemen van je 
gevoel. Toch is het zo.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;interview-question&#34;&gt;&lt;strong&gt;Wanneer is een gedicht een gedicht?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;
Ik vind een gedicht een gedicht, als ik het goed vind. Maar dat zegt natuurlijk 
niet veel. Een gedicht moet iets geheimzinnigs hebben. Een verhaal of een roman 
vertelt een geschiedenis. Je leest het boek uit en het is afgelopen. Een gedicht 
niet, daar moet een geheim, een raadsel inzitten. Het mag niet in één keer 
uitgewerkt zijn. Het moet wonderlijk blijven. Je leest het een eerste keer door, 
maar dan moet je het nog eens lezen. En nog eens.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;interview-question&#34;&gt;&lt;strong&gt;Moet een gedicht rijmen?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;
Neen. Niet alle gedichten zijn rijmpjes. Een gedicht mag rijmen. Maar het moet 
niet. Als je wil rijmen krijg je rustige gedichten. Omdat je dan rijmwoorden 
moet 
zoeken. Je legt dan al voor een stuk vast hoe een gedicht wordt, vanaf de eerste 
zin. Een rijm is een middel om af te ronden, en het klinkt ook goed. En klank 
speelt een belangrijke rol.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;interview-question&#34;&gt;&lt;strong&gt;Wanneer is een gedicht af?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;
Als ik het goed vind. Ik pruts daar aan. Gister-avond heb ik iets zitten 
proberen, maar dat is niet helemaal gelukt. Ik werk altijd &#39;s nachts. Ik ga rond 
4 uur slapen. Maar gisteren zat ik te luisteren naar vioolmuziek van Beet-hoven. 
Intussen was het 5 uur geworden. En ik kreeg zin om daar iets over te schrijven. 
Over de manier waarop de violen en de contra-bas op elkaar inspelen. Maar het is 
mij niet gelukt. Zo werd het wel 6 uur. Daarom was ik ook nog niet goed wakker 
toen je 
aanbelde. Maar af en toe schrijf ik zo wel een regel die ik later kan gebruiken. 
Dan kijk ik er een maand later nog eens naar. En misschien schrijf ik er dan een 
regel of een strofe bij. En na een half jaar kan ik er weer mee bezig zijn. Op 
die manier groeit een gedicht. Ik heb gedichten geschreven over het landschap in 
de herfst van de Ardennen. Ik ging daarvoor in een boshut zitten. Daar begon ik 
eigenlijk weerberichten te schrijven, indrukken van de natuur. Een maand later 
las ik die dingen opnieuw. Toen merkte ik dat er ook dingen instonden over een 
voorbije liefde. Nog eens een maand later, dacht ik:  Herfst, dat kan ook gaan 
over iemand die ouder wordt.  Zo zie je dat woorden soms meer betekenen dan wat 
ze beschrijven. Ik heb lang rondgelopen met de vraag: wat is hebben, wat is 
zijn? Wat kan je hebben? Een huis? Ja. Een vrouw? Neen. Kun je kinderen hebben? 
Neen, die heb je niet. Kinderen zijn vrij. En dat houdt mij dan bezig. En daar 
zoek ik dan een uitdrukking voor, ik zoek er beelden bij,... Maar het is niet 
altijd even duidelijk.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;interview-question&#34;&gt;&lt;strong&gt;Je schrijft soms gedichten bij een kunstwerk of een foto.&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;
Ja, met een foto lukt dat wel goed. Een gedicht is een beetje zoals een foto. 
Een gedicht en een foto zijn een stukje, een deel... ze vertellen niet alles. Ze 
geven één beeld uit het geheel. Ze zetten de tijd even stil. Je kan iets 
vertellen over een liefde die voorbij is, door te schrijven over de peuk van een 
sigaret met daarop nog wat lippenstift. Dat is een beeld. Dan moet je het hele 
verhaal en alle gevoelens niet vertellen. Ik probeer altijd dingen te zeggen 
zoals nog niemand het gezegd heeft. Er is niets zo moeilijk als liefdesgedichten 
maken. Dat gebeurt al eeuwen, al van bij de oude Grieken.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;interview-question&#34;&gt;&lt;strong&gt;Weet je wie je gedichten leest?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;
Ik denk dat veel lezers stiekem zelf gedichten schrijven. Er zijn mensen die 
mijn gedichten lezen omdat ze mij kennen. Mijn buurvrouw bijvoorbeeld. Maar er 
is geen groot publiek voor dichters. Een klein deel koopt bundels. Dan is er een 
grotere groep die wel gedichten leest. Maar zij kopen liever verzamelingen 
gedichten van verschillende dichters. Er zijn ook mensen die een eigen 
verzameling maken. Zij schrijven gedichten over in een schrift. Toch verschijnen 
er elk jaar ongeveer 100 nieuwe bundels met gedichten. En in het Nederlands 
worden veel meer gedichten gelezen dan in het Frans. Bij ons worden bundels op 
750 stuks gedrukt. In 
Frankrijk bijvoorbeeld worden er maar 400 of 500 gedrukt. Dat is toch 
eigenaardig. Maar veel gedichten schrikken af. Omdat ze te moeilijk zijn. Daarom 
zeggen veel mensen:  Gedichten, dat is niets voor mij.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;interview-question&#34;&gt;&lt;strong&gt;Moet je gedichten leren lezen?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;
Ja, je moet wennen aan de taal. En je moet het geheim willen ontdekken. Je moet 
ook niet onmiddellijk met de moeilijkste gedichten beginnen.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;interview-question&#34;&gt;&lt;strong&gt;Zijn gedichten ook geschreven om voor te lezen?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;
In de eerste plaats om te lezen. Want je moet ze kunnen herlezen. Maar ik lees 
mijn gedichten soms ook wel voor. Ik hoor zelf ook graag dichters hun gedichten 
voorlezen. Dan hoor ik welke klemtonen ze leggen, hoe ze hun gedicht willen 
laten klinken. Maar ik heb ze dan liefst op voorhand al eens gelezen.&lt;/p&gt;&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;© Wablieft magazine&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>In Memoriam</title><link>https://hermandeconinck.com/in-memoriam/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/in-memoriam/</guid><pubDate>Mon, 23 May 2022 00:15:45 &#43;0200</pubDate><description>&lt;blockquote class=&#34;wp-block-quote is-layout-flow wp-block-quote-is-layout-flow&#34;&gt;&lt;p&gt;‘Voor mij zul je vooral de collega-hemelbestormer blijven uit de pioniersjaren van Humo’&lt;/p&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;has-drop-cap wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman, je raadt nooit wat Guy me nu weer heeft gelapt. Wil ik aan een Corneel beginnen, moet ik toch wel een In Memoriam schrijven zeker. Ja, je lacht, maar de clou moet nog komen: het is het jouwe. Zullen we dan maar beginnen met je lach? Want zo ben ik me jou altijd blijven herinneren: graag en voluit lachend, onberekenend en aanstekelijk lachend tot er tranen in je ogen stonden. Je was bij mijn weten ook de enige Humo-redacteur die moppen vertelde. Het was gewoon sterker dan jezelf. De Moppen van Herman De Coninck. Ken je die nog met die stront en die hoed, iets van een kakkewiet die was weggevlogen of zoiets? En die van Pudding en Gisteren, de oermop?&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;We hebben lange jaren in elkaars onmiddellijke nabijheid gezeten in de Livornostraat, eerst tegenover elkaar, later naast elkaar, ik in de inham naast de schouw, jij ervoor. Ik hoefde me maar een kwartslag naar rechts te draaien om je van je werk af te houden. Soms zei je Sst! en timmerde je gedreven door op die kleine nijdige lichtgewicht-tikmachine waarmee je systematisch alle o-tjes uit het papier mepte. Dan wist ik dat het deadline geblazen was. Want je kon lummelen als de beste, maar niemand kon zoals jij nog een goed tweebladzijdenstuk uit de machine rammen als de nood het hoogst was, dat wil zeggen als een uur voor de deadline weer eens bleek dat er nog een gat moest worden dichtgereden van hier tot in Marcinelle.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En hoe vaak heb ik je veelbesproken interviews niet op wonderbare wijze tot stand zien komen, rechtstreeks van het bandje uitgetikt, verknipt en verlijmd met schaar en scotch tape tot er geen twee vellen nog dezelfde lengte hadden, vervolgens nog eens bewerkt met verwijzende pijlen en met je quasi onleesbaar gekrabbel in hoekjes en kantjes, tot grote wanhoop van de secretaresse die geacht werd er haar jongen in terug te vinden. De legendarische interviews van De Coninck en Piryns, ik heb de bundel uit 1972 nog eens bovengehaald, ‘Woe is woe in de Nedderlens’. Weet je dat de helft van jullie geïnterviewden inmiddels overleden is? Louis-Paul Boon, Simon Carmiggelt, Jules de Corte, Joris Ivens, Karel Jonckheere, Louis Major, Piet Theys… En nu dus ook de helft van hun interviewers.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik kwam net uit het bad toen ik het nieuws hoorde. Achteraan het radiojournaal geplakt, ‘een pas binnengelopen bericht dat wij onze luisteraars toch nog willen meegeven. Wij vernemen het overlijden van de Vlaamse dichter en essayist…’ Ik stopte met me af te drogen. Ik verwachtte een naam uit een oudere generatie. En dan volgde ‘Herman de Coninck’. Wat viel de bliksem kortbij, Herman. Er verliep geen tel tussen de bliksem en het gedonder. Hij viel op het bureau naast mij. Anderen hebben je inmiddels op radio en tv herdacht als de grote, veelgelezen dichter, ‘transparant maar niet oppervlakkig’. De spreekbuis van een generatie die lichtvoetig debuteerde in de jaren 60, zoals jij, en waarvan je in je laatste bundels zo virtuoos de ontnuchtering, de melancholie en de loutering hebt verwoord.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Maar voor mij zul je vooral de collega-hemelbestormer blijven uit de pioniersjaren van Humo, en als ik vandaag aan je terugdenk hoor ik Bob Dylans Dream: ‘With haunted hearts through the heat and cold We never thought we could ever get old We thought we could sit forever in fun But our chances really was a million to one. As easy it was to tell black from white It was all that easy to tell wrong from right And our choices were few and the thought never hit That the one road we traveled would ever shatter and split.’&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zo dat schiet aardig op, want we sluiten vroeger af vandaag. We gaan toch voetballen Herman! Mag ik die voetbalschoenen nog eens gebruiken die je me vorige keer hebt geleend? Doet de Piet mee?&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;DINSDAG 27 MEI 1997 – HUMO&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>La petite histoire van het NWT</title><link>https://hermandeconinck.com/la-petite-histoire-van-het-nwt/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/la-petite-histoire-van-het-nwt/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 20:28:20 &#43;0200</pubDate><description>&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34; id=&#34;journalistjevanzijnziel&#34;&gt;Journalistje van zijn ziel&lt;/h2&gt;
&lt;blockquote class=&#34;wp-block-quote is-layout-flow wp-block-quote-is-layout-flow&#34;&gt;&lt;p&gt;&lt;strong&gt;“We waren verdwaald in ons eigen jongensboek.”&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p&gt;&lt;/p&gt;&lt;cite&gt;&lt;em&gt;Piet Piryns beschrijft hoe Herman de Coninck lid werd van de rebellenclub van het weekblad Humo. Hij herlas de brieven die Herman schreef als hoofdredacteur van het Nieuw Wereldtijdschrift. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Het verhaal van ‘de Vlaamse Vanity Fair’.&lt;/em&gt;&lt;/cite&gt;&lt;/blockquote&gt;
&lt;p class=&#34;has-drop-cap wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;“Aan zijn rechte rug merk je al dat hij blind is. Aan zijn woorden merk je ‘t ook: ze zijn van een haast roerloze klaarte en een bezinning die je eraan herinneren dat grote visionairen als Homeros ook steevast als blinden werden voorgesteld. Zo van: wat ze naar buitenuit niet zien, zien ze binnenin. Rustige, gregoriaanse gedachten over andermans ijdele onrust, bijvoorbeeld. Filosofietjes over een zachtaardig socialisme met erg veel groene gedachten erin. Een bekeerde bergredenaar. Een melancho-liedjeszanger.”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;span id=&#34;more-134&#34;&gt;&lt;/span&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zo begon het interview dat Herman de Coninck en ik voor het weekblad Humo maakten met Jules de Corte. Een aantal van die interviews is gebundeld in een boekje dat een titel meekreeg die alleen door Guy Mortier kan zijn verzonnen. Woe is woe in de Nedderlens? Ach ja, de jaren zestig. Jongens waren we. Dertig jaar later probeer ik, terugbladerend, te ontdekken welke stukken door Herman geschreven zijn. Soms twijfel ik. Maar rustige, gregoriaanse gedachten over andermans ijdele onrust – dat is Herman, dat kan niet missen.&lt;br/&gt;We hadden elkaar leren kennen in de Mechelse kroeg Hertenaas, waar we de wereld verbeterden en veel te veel dronken om vrouwen te imponeren – toén al. Ik was twintig, werkte voor Humo en praatte over Bakoenin en Kropotkin, die ik niet gelezen had. Herman, vier jaar ouder, had een baan als leraar Nederlands en praatte liever over Jan van Nijlen en Richard Minne, die hij wél gelezen had. Allebei waren we supporters van Rik van Looy.&lt;br/&gt;Toen Herman mij zijn eerste boekje cadeau deed (een verzameling cursiefjes – dat woord bestond toen nog), vroeg ik hem om bij Humo te solliciteren. Hij aarzelde. Herman aarzelde altijd. Hij noemde zichzelf graag, naar het woord van Annie M. G. Schmidt, een achteraffer. Een jaar later kreeg hij op de school waar hij les gaf last met de inspectie. Hij las gedichten voor in plaats van zich aan het leerplan te houden. En hij kwam wel erg vaak te laat, want hij was, laten we zeggen, niet echt een ochtendmens.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman bij Humo dus. We maakten samen interviews. ‘Het heerlijkste aan interviewen’, schreef Guy Mortier in zijn voorwoord bij Woe is woe, ‘is dat je zelf je vijanden kunt kiezen. Zeldzamer dan de gevlekte fuut zijn immers die onthechte zielen die je na lezing van het interview dat je hen afgenomen hebt niet ongeremd gaan haten.’ Maar Herman en ik hielden er een levenslange vriendschap aan over. We werden een duo, dat tamelijk onafscheidelijk zou blijven. Kwik en Flupke.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik bleef vijf jaar bij Humo, Herman dertien. Misschien had ook hij eerder moeten opstappen, vond hij achteraf. In ieder geval hebben de jaren die hij op de kwajongensredactie van Humo doorbracht zijn vroege poëzie evenzeer beïnvloed als het Verzamelde Werk van zijn geliefkoosde nachttafeldichters (Kopland, Vasalis, Herzberg). Voor een jubileumnummer van Humo schreef Herman in 1987 een gelegenheidsgedicht, dat hij later, enigszins herwerkt, in de bundel Enkelvoud heeft opgenomen. Ik citeer het gedicht hier in de oorspronkelijke versie.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;A view from the bridge.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Enkele dingen zal ik altijd blijven: &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;zoon. Moeder dood. Met zelf een zoon, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;moeder dood. Mijn eigen vader. Die schrijven &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;moet, journalistje van zijn ziel: zoo’n&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;wit blad. Eerst voor iedereen, hoe het zou, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;later alleen voor zichzelf, hoe het was geworden. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;(Nostalgie is een lelijk woord voor trouw.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Verleden en heden gebeuren in de verkeerde volgorde.)&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Ik ben van Humo dus, van wat toen kon. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Dromen, protest en humor, die hetzelfde waren: &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;onvermogen om saai te zijn. Ik ben on.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Ik ben van taal die in regelrechte zinnen wou bewaren. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;En van het kanaal dat in mijn kinderjaren &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;de kortste afstand vormde tussen hier en horizon.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Toen hij dat gedicht schreef, was Herman al vier jaar uit de journalistiek gestapt. Nog net voor zijn veertigste, zoals hij zich altijd had voorgenomen. Bij zijn afscheid werd hij in Humo geïnterviewd door Walter van den Broeck – eindelijk waren de rollen omgedraaid.&lt;br/&gt;“Wat ik aan Humo zal overhouden is de voorkeur voor het non-specialisme, voor het amateurisme, het dilettantisme dus, de lief-hebberij. De dingen doen die je graag doet: omdat je ze graag doet, doe je ze ook beter. En voorts heb ik hier ook het primaat van de begrijpelijkheid leren kennen. Moeilijkdoenerij is het gemakkelijkste wat er bestaat. En omgekeerd is op een bevattelijke manier iets ingewikkelds uitleggen het moeilijkste wat er is. De werking van een eenvoudig huishoudapparaat bijvoorbeeld. Begin er maar eens aan. De eerste lezers van mijn gedichten zijn dan ook nooit critici, maar mijn vrouw en een paar vrienden. Als die iets niet begrijpen is mijn eerste reactie: dat ligt aan mij.” In een brief aan een vriend schrijft Herman over “een groeiende afkeer van wat nieuws heet, maar in feite on-nieuws is, de pen als garde, het opkloppen van niks. Dat heeft me na al die jaren teruggedreven naar mijn jeugdliefde, de literatuur. Man is gelukkig te B. is geen krantenkop. Nieuws is altijd spectaculair, is altijd de jacht op die ene scoop. Nieuws moet wel proberen feiten hard te maken, literatuur moet ze zacht maken, twijfelachtig, interpreteerbaar, onzeker. Ik ben geleidelijk meer van dat laatste gaan houden, denk ik. Nieuws wordt genoteerd, literatuur wordt bemediteerd. Van het ene néémt men kennis, van het andere krijgt men kennis, als een cadeau.”&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De kans om zich geheel aan de literatuur te gaan wijden kreeg Herman in 1983. Tijdens een diner met Hugo Claus en de voormalige hofmaarschalk van koning Boudewijn, Herman Liebaers, ontvouwde Julien Weverbergh een even eenvoudig als geniaal plan. Weverbergh, toen nog directeur van Manteau en uitgever van het eerbiedwaardige, maar noodlijdende Nieuw Vlaams Tijdschrift, zou Kwik &amp;amp; Flupke vragen om het blad om te bouwen tot de Vlaamse Vanity Fair. Liebaers, die zitting had in de met het NVT gelieerde Stichting Arkprijs van het Vrije Woord, ging akkoord – op voorwaarde dat het duo onder de hoge bescherming zou staan van Hugo Claus.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;We stortten ons in een megalomaan project, waarvoor Herman en ik enigszins lacherig de werktitel Nieuw Wereldtijdschrift bedachten. Herman trad in dienst van de uitgeverij Manteau. In een brief aan zijn vriend Gert Jan Hemmink, die bibliofiele uitgaafjes maakte van Hermans poëzie, vertelde hij in 1995 het verhaal zo:&lt;br/&gt;“Het allereerste nummer van het Nieuw Wereldtijdschrift is het best geplande nummer dat we ooit hebben gemaakt. We hadden een klein half jaar om alles op poten te zetten. Het moest van meet af aan niet zozeer een blad worden met een polemisch literair programma dan wel een magazine met een geschikte formule. Een blad dat in plaats van de 227 lezers die het Nieuw Vlaams Tijdschrift nog had, tienduizend lezers bereikte. Ons literair programma was dat het goed moest zijn, nee, beter. En dat we dat dan ook een beetje agressiever aan de man zouden brengen, ik kwam tenslotte uit een weekblad met een oplage van meer dan tweehonderdduizend exemplaren. Oorspronkelijk was het zelfs de bedoeling dat Claus in de redactie zou zitten. Ik herinner me aftastende gesprekken met hem en Piet Piryns, in Claus’ lievelingsrestaurant Chez Armand, en van die gesprekken herinner ik me vooral de oesters die erbij geslurpt werden, en het gezamenlijke supporterisme van Piet en Hugo voor de Buffalo’s, de Gantoise, later A.A. Gent. Dat laatste lijkt een anti-alcoholclub, die naam hebben we toen zeker niet in de mond genomen. En verder herinner ik me toch ook wel enkele ideeën die voor een literair tijdschrift verregaand wuft waren. Bijvoorbeeld dat er een rubriek erotica in moest, misschien kon Herwig Leus daarvoor zorgen, die had een collectie Félicien Ropsen. En een moderubriek moest er ook in, konden we dat niet aan Eric de Kuyper vragen? En een rubriek die Claus art brut noemde, waarin hij zijn voorkeur, zeg maar zijn wansmaak, wilde botvieren voor rare, naïeve hooguit ongewild-literaire teksten. En een sportrubriek door Jan Wauters. Ik herinner me dat ik uren heb doorgebracht in de kelders van Claus’ toenmalige huis in Gent, vlakbij het abattoir, waar hij honderden vreselijk gedurfd vormgegeven avantgardetijdschriften in vijf talen bewaarde. (Wat zijn wij eigenlijk een braaf blad geworden, vergeleken bij die woeste plannen.) Het redacteurschap van Claus kwam kort voor het eerste nummer ten einde toen ik ooit eens op zijn antwoordapparaat het woord redactievergadering insprak. Nee, bij nader inzien schrok hij daar toch voor terug – maar we mochten altijd een beroep op hem blijven doen om bij een portie oesters van gedachten te wisselen. Dat moest al heel gauw. Voor het eerste nummer hadden we een voorpublicatie gepland uit Jeroen Brouwers’ roman Winterlicht. Maar een week voor de inleveringstermijn liet Brouwers het afweten . Hij werd overvallen door interviewers naar aanleiding van zijn zelfmoordboek. In die omstandigheden kon hij niet schrijven.&lt;br/&gt;Help! Wie kan in één week een zo indrukwekkend verhaal schrijven dat dat eerste nummer een onuitwisbare indruk nalaat? En bij voorkeur meteen voor een paar duizend abonnees zorgt? Ik denk dat het de slechte mens Julien Weverbergh was, die toen zei: “Eén adres, Claus. Geef hem veertigduizend frank in ‘t zwart.” (Achteraf bleek het wit te moeten, maar goed.) Hij zou het proberen.&lt;br/&gt;Ik vergeet nooit die maandag, uiterste deadline, waarop Claus me in het Centraal Station van Antwerpen zijn manuscript overhandigde. Het verhaal speelde in het Gentse slachthuis, om de hoek van waar hij toen woonde, we waren er een paar weken voordien nog samen langs gelopen. Het ging over een stier die Gantoise-supporter was, en voortdurend Buffalo! Buffalo! riep. ‘Als het niks is, gooi het dan maar weg’, zei Claus, ‘dan schrijf ik morgen wel een nieuw verhaal.”&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het opdoeken van het Nieuw Vlaams Tijdschrift zorgde voor enige heibel. Hoofdredacteur Paul de Wispelaere riep een redactievergadering bijeen, waarin hij meedeelde dat de uitgever niet langer bereid was de exploitatie te verzekeren. Een aantal redacteuren sprak over een complot, en begon een eigen blad: Diogenes. De Wispelaere stapte over naar het Nieuw Wereldtijdschrift. Na veel gesoebat werden we het erover eens dat het NWT in zijn colofon de vermelding voorheen Nieuw Vlaams Tijdschrift zou opnemen. Herman werd benoemd tot hoofdredacteur, en ondertekende zijn brieven niet ongeestig met: Herman de Coninck (voorheen August Vermeylen).&lt;br/&gt;Er moest een redactiestatuut komen. Bevriende juristen formuleerden, in snorkerige zinnen, de doelstellingen van het Nieuw Wereldtijdschrift: “Het maken van een algemeen-cultureel blad in de ruime zin, met het accent op literatuur, zich richtend tot een publiek van linkse, niet partijgebonden, progressieve signatuur. In dezen wordt de geest van de Stichting Arkprijs van het Vrije Woord gerespecteerd en wil het blad de opvolger zijn van het Nieuw Vlaams Tijdschrift.”&lt;br/&gt;Links.&lt;br/&gt;Progressief.&lt;br/&gt;Ja, allicht.&lt;br/&gt;Dat waren de woorden waar je toen niet over nadacht. Maar een literair blad dat aanspraak wilde maken op subsidie van de Vlaamse overheid moest een eigen nestgeur hebben. Dietsche Warande en Belfort was van oudsher het blad van de katholieken, De Vlaamse Gids kon rekenen op de steun van de liberalen, Diogenes hoorde bij de Volksunie en het Nieuw Wereldtijdschrift werd gezalfd door de socialisten.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman zag de dingen nogal groots. Hij had uitgerekend dat Humo meer dan tweehonderdduizend exemplaren verkocht en vijf redacteuren had. Dus, leerde een eenvoudige staartdeling, zouden veertigduizend lezers van Humo hem volgen naar het Nieuw Wereldtijdschrift. Nouja, misschien was hij te optimistisch. Maar dan toch minstens tienduizend! In een brief aan Fekko Snater, de topman van Elsevier – de toenmalige moedermaatschappij van Manteau – mopperde hij: “Ik wilde graag een pleidooitje houden voor wat meer megalomanie bij de lancering van het NWT in Nederland. Ik hoor namelijk dat het blad niet via de kiosken zal worden verspreid. Dat lijkt me een vergissing. Jullie hebben gepolst hoe Maatstaf het doet, en De Revisor, en andere, strikt literaire bladen. Die verkopen inderdaad niet buiten de boekhandel. Maar dit is een ander soort blad, dat zegt de dummy toch al meteen? Dit blad heeft meer weg van Avenue en Playboy: het eerste combineert mode en literatuur, het tweede bloot en literatuur, wij goeie journalistiek en literatuur, maar alle drie zijn ze even chique uitgegeven. Het NWT wil niet alleen een literair geïnteresseerd publiek aanspreken. Ik begrijp het niet. Waarom beginnen jullie aan een race met de remmen dicht?”&lt;br/&gt;Het Nieuw Wereldtijdschrift mocht geen literair blad worden als alle andere, had Herman zich voorgenomen. Hij wilde meer doen dan alleen maar de brievenbus leeghalen. En dus ging hij zelf schrijvers achter hun vodden zitten – ik citeer een paar brieven uit die periode die voorafging aan het eerste nummer van het NWT.&lt;br/&gt;Aan Renate Rubinstein: “Ik heb de neiging om het NWT te maken voor mezelf en mijn vrouw en nog een paar buurvrouwen en vrienden: als zij het goed vinden, volgen die andere zevenduizend lezers ook wel. En ikzelf en mijn vrouw en mijn buurvrouwen enzovoort zouden buitengewoon verguld zijn als u aan het NWT wilde meewerken. (…) Wat ik eigenlijk een beetje hoop is dat u, na de jongste Hollandse twisten, die ik van hieruit alleen een mussengevecht met nijlpaardargumenten kan vinden, uit pure walging de voorkeur zou geven aan een Vlaams blad. Dat lijkt me een mooie manier om Holland te bestraffen om zijn Hollandsheid.”&lt;br/&gt;Aan Simon Carmiggelt: “Mijn rechterwijsvinger heeft ooit eens de toets mogen indrukken van de bandopnemer waarin u ten gerieve van Humo twee uur lang behartenswaardigheden vertelde. Sindsdien spring ik een beetje zorgvuldig met die wijsvinger om: later moeten de vingerkootjes op z’n minst drie relikwieën opleveren.&lt;br/&gt;Desondanks gebruik ik hem nu weer, samen met mijn linker, om deze brief te tikken. Dat lijkt me een berekend risico. Ik wilde u namelijk iets vragen.”&lt;br/&gt;Aan Oscar de Wit: “Met minder dan een hoofd vol plannen begin ik er niet aan. Verhalen? Leer al die Hollanders en Vlamingen maar eens schrijven door zorgvuldige vertalingen te publiceren van hoe het elders beter is. Ik bedoel Milan Kundera, Raymond Carver, Géza Csath (moet je eens lezen, een hele opiumverdwaasde sadomasochistische Hongaarse Allen Poe van omstreeks de eeuwwende), een onuitgegeven prachtige schets van Malcolm Lowry met begeleidend essay. (…) Ik hoop een beetje dat al die buitenlanders het effect hebben van buitenlandse spelers in een voetbalploeg: dat ze het niveau omhoog krikken. Dat op den duur een verhaal als Ik en mijn navel niet meer kan. Maar welke Nederlandse of Vlaamse schrijver geeft het goede voorbeeld?”&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman kon buitengewoon enthousiasmerende brieven schrijven. Het hielp ook wel dat hij dat meestal ‘s nachts deed, met een fles Jack Daniels binnen handbereik. Soms waren de gevolgen hilarisch. “Beste Cees Nooteboom. Te zien aan wat op mijn bureau is blijven liggen, moet jij een rare brief gekregen hebben. Hier ligt namelijk nog het slot van een brief aan jou, samen met het begin van een brief aan Ivo Michiels. Ik veronderstel dus dat in de enveloppe aan jou beide ontbrekende helften bij elkaar zitten. Om de verwarring niet nog groter te maken, kan ik je maar beter opbellen als ik nog eens in Amsterdam kom. Dan drinken we er een glas op.”&lt;br/&gt;Op 16 maart 1984 werd, in aanwezigheid van een aantal politieke en literaire coryfeeën, het eerste nummer van het Nieuw Wereldtijdschrift met veel fanfare voorgesteld in het Brusselse etablissement De ultieme Hallucinatie. De oplage bedroeg vijftienduizend exemplaren. Er waren interviews met Herman verschenen in vrijwel alle dag- en weekbladen, en de redacteuren van Diogenes en het NWT hadden elkaar tamelijk onvriendelijk bejegend in een rechtstreekse uitzending van het televisieprogramma Ijsbreker – aan free publicity had het niet ontbroken. Het werd een gedenkwaardige avond, ook al omdat Julien Weverbergh verzuimd had de obers te melden dat er vanaf middernacht voor eigen rekening zou worden gedronken. Tegen sluitingstijd maakte Fekko Snater, die in de nevelen van de alcohol het goudschip al zag binnenvaren, een rondedansje met Herman. Luttele uren later begaven we ons met bonkende slapen naar Amsterdam, waar in boekhandel Athenaeum een nieuw feestje werd gebouwd.&lt;br/&gt;Er zouden in 1984 zes nummers verschijnen, vanaf 1985 – zo was het plan – zou het NWT een maandblad worden. Als ik nu de eerste jaargang opnieuw bekijk, valt op hoe journalistiek het blad toen werd gemaakt. Op de cover stonden niet alleen foto’s van beroemde schrijvers als Hugo Claus, Jeroen Brouwers en Umberto Eco, maar ook Jacques Brel, The Rolling Stones en – in zuivere Humo-stijl -zelfs Grote Guust. (Grote Guust was de gorilla van de Antwerpse Zoo, waarover Midas Dekkers een reportage had gemaakt.) Voor het eerste nummer maakten Herman en ik samen een interview met minister van Cultuur Karel Poma (‘Meneer de minister, waarom staan er twee sansieveria’s voor het raam van het Vlaams Cultureel Centrum in Amsterdam?’) en schreven we een kwaaiig stuk over Kamagurka, waar we later nog spijt van zouden krijgen. (‘Het eerste album van tante Kama had in zijn slechtste bladzijden iets van het niveau van pudding en gisteren. Haar laatste album is, ook in zijn betere bladzijden, alleen maar stront.”)&lt;br/&gt;Paul Koeck baggerde door de Rupelstreek, Gerard Alsteens (GAL) maakte foto’s van oldtimers op Cuba, Lieve Joris trok naar de chocoladefabriek van Cite D’Or. Er waren reisreportages, televisie-, sport- en filmcolumns. En Herman had zelfs een eigen roddelrubriek: Achterklap.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Hermans buurvrouwen abonneerden zich. Maar de verwachting dat Humo-lezers zich in groten getale zouden bekeren tot het Nieuw Wereldtijdschrift werd niet bewaarheid. Aan het einde van de eerste jaargang bleef de verkochte oplage steken op zo’n vierduizend exemplaren – heel behoorlijk voor een literair tijdschrift, maar te weinig om het glossy magazine te maken dat ons voor ogen stond. Er moest bezuinigd worden. Dunner papier, geen full color en geen dure port folio’s. En van een maandblad kon al helemaal geen sprake meer zijn.&lt;br/&gt;Vanaf de tweede jaargang (met intussen ook Benno Barnard in de redactie) werd het NWT wat het eigenlijk nooit had willen zijn: een zuiver literair blad. Een eenmansblad bovendien: Herman was de enige redacteur die nog betaald kreeg. De redactie was niet veel meer dan een vriendenclubje, dat zes keer per jaar genoeglijk dineerde (gegrilde lotte voor Herman) en een flesje Muscadet kraakte. Als Herman aarzelde over de publicatie van gedichten vroeg hij Benno nog wel eens om een second opinion. Over verhalend proza overlegde hij met Paul, en mij belde hij als er moeilijkheden waren.&lt;br/&gt;Die kwamen er einde 1985. Weverbergh kreeg van de Elsevier-directie in Amsterdam de opdracht het NWT te dumpen. Herman en ik gingen praten met de Weekbladpers, uitgever van het weekblad Vrij Nederland waar ik toen redacteur was, en moedermaatschappij van de literaire uitgeverijen De Arbeiderspers, Querido en Nijgh &amp;amp; Van Ditmar. Herman kon halftijds aan de slag als fondsredacteur bij Nijgh &amp;amp; Van Ditmar in Den Haag, en hij bleef halftijds hoofdredacteur van het Nieuw Wereldtijdschrift, dat werd ondergebracht bij een slapende vennootschap van de Weekbladpers met de toepasselijke naam Semper Avanti. We huurden voor zesduizend frank per maand een kantoortje in Antwerpen, in de buurt waar Herman, Benno en ik toen woonden. Voorwaarts!&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het Nieuw Wereldtijdschrift had definitief zijn bedding gevonden. Dankzij de eclectische maar buitengewoon eigenzinnige smaak van Herman kreeg het blad een gezicht. Herman kocht de beste essays uit Granta en The New York Review of Books. Het was daarbij soms – maar niet altijd – een voordeel dat hij het koersverschil tussen de Amerikaanse dollar en het Engelse pond niet kende. En Herman haalde de brievenbus leeg. Uit de honderden inzendingen op zijn bureau (‘als al die gemankeerde dichters zich maar eens abonneerden’, foeterde Herman) selecteerde hij feilloos dat ene meesterstukje.&lt;br/&gt;Brieven konden maanden blijven slingeren, maar Herman beantwoordde ze altijd. Hij had een groot epistolair talent, en dat speelde hem nog wel eens parten. Herman mocht dan in de omgang de beminnelijkheid zelve zijn, ‘s nachts aan zijn schrijftafel kon hij behoorlijk balorig worden. Een paar voorbeelden.&lt;br/&gt;“Ik moet wel enige wrevel overwinnen als ik een brief krijg van X, letterkundige. Wie noemt zich dezer dagen nog zo? Komt de postbode daarvan onder de indruk? U suggereert dat een ‘letterkundige’ iets meer is dan een gewoon mens, wat u het recht geeft te schrijven dat voor de dood zelfs een dichter moet zwichten.” Of: “Uw gedichten komen niet voor publicatie in het NWT in aanmerking. Desondanks zijn ze niet totaal waardeloos. Als u twintig bent zou ik zeggen: gaat u ermee door. Als u vijftig bent zou ik zeggen: houdt u er maar mee op. Nee, dit is iets te streng. Ga zo door, en u vindt vast nog wel een tijdschrift dat vroeg of laat iets van u publiceert. Alleen niet het onze, vrees ik.” Of: “Uw inzending komt niet in aanmerking voor publicatie in het NWT. En ook niet voor publicatie elders, denk ik. Het zijn allemaal wel waardevolle gedachten, maar die moet u voor u houden. Zodra u vindt dat ook anderen daarnaar moeten luisteren, wordt het gepreek.”&lt;br/&gt;En altijd: “Met hartelijke groet.”&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Tegelijk bleef hij dromen van de Vlaamse Vanity Fair. En dan schreef hij, in zijn aandoenlijke Engels, een brief aan schrijvers die hij bewonderde.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;To&lt;br/&gt;John Berger&lt;br/&gt;Joseph Brodsky&lt;br/&gt;Noam Chomsky&lt;br/&gt;H.M. Enzensberger&lt;br/&gt;Eduardo Galeano&lt;br/&gt;David Grossman&lt;br/&gt;Milan Kundera&lt;br/&gt;Amos Oz&lt;br/&gt;Ryszard Kapuscinsky&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;“Dear, I hope you remember The New World Magazine. To be sure you do so, I’ll send you separately our last issue. We are Dutch (and Flemish) and international. We are as good as Granta (no false modesty), and like Granta we try to let literature be meaningful, not an ivory tower-business. In this era it’s quite impossible to judge about the world without literature.&lt;br/&gt;(…) I have a proposal. I’d like to have an international advisory staff with you in it. There are two reasons for my asking for this. The first is that such a staff with international authority will help us sell in Holland. The Flemish are not impressed by big names, the Dutch are. And it’s mainly the Dutch market we still have to conquer. The second reason is: it’s easy for me to compose a good issue with stories and poems. The most difficult is to find non-academical essays that are politically significant – and extremely well written.”&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman had veel over voor zijn blaadje, zoals hij het noemde, en hij kon daarbij ontwapenend naïef zijn. Het is niet duidelijk of een van de aangeschrevenen ooit geantwoord heeft – in het NWT-archief is daar in ieder geval geen spoor van terug te vinden.&lt;br/&gt;Als er weer eens sombere mededelingen waren over rode cijfers, verzon Herman een list. Dan schreef hij bijvoorbeeld een brief aan de directeur-generaal van de firma Waterman.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;“Zeer geachte heer,&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Hier volgt een oneerbaar voorstel.&lt;br/&gt;Ik ben hoofdredacteur van het aantrekkelijkste, meest internationaal gerichte, breedste literair-cultureel tijdschrift. Ik stuur u hierbij een uittreksel uit het onderzoek naar het profiel van onze lezers. Die vormen een beperkt maar vulpen-vriendelijk publiek.&lt;br/&gt;Mijn oneerbaar voorstel is het volgende. Ik zou graag hebben dat u een beetje royaal adverteerde in het Nieuw Wereldtijdschrift. Tja, dat zou elk tijdschrift wel graag hebben. Maar ik heb een speciaal voorstel, waarmee ik mezelf een beetje oneerbaar maak: op de linker-advertentiepagina drukt u een fraaibelichte Waterman af, zoals u dat zo mooi kunt – en op de rechterpagina schrijf ik dan (ik ben een nogal populair dichter) een handgeschreven ode aan Waterman, met mijn naam en handtekening eronder.&lt;br/&gt;Dat zou ongeveer als volgt kunnen gaan.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik doe ‘t wel eens met Bic. Kater van.&lt;br/&gt;Mij concentreren zoals alleen een pater kan,&lt;br/&gt;lukt mij slechts met mijn Waterman.&lt;br/&gt;O, inspiratie, klater dan!&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zoiets. Ik richt mij tot u omdat ik inderdaad met een Waterman schrijf – maar ik ben natuurlijk niet te beroerd, als u nee zou zeggen, om de concurrentie te benaderen. Hoewel, ik ken niet meteen een rijmwoord op Parker. Daar hebt u even geluk.”&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Hij méénde het, want een paar jaar later schreef hij een gelijkaardige brief naar de directie van Pilot – mét een toepasselijk acrostichon. Hij kon ook oprecht verdrietig zijn als een abonnee afhaakte. Die berispte hij dan per kerende post.&lt;br/&gt;“Geachte ex-abonnee, ik wil een beroep doen op uw plichtsgevoel. (…) Een anekdote. Toen het NWT pas was ontstaan, gingen wij de boer op om het blad te promoten, nadien gelegenheid tot debat. Tijdens zo’n nadien-debat zei een student uit de zaal dat het toch jammer was dat het Nieuw Vlaams Tijdschrift, waarvan wij de functie pretendeerden over te nemen, verdwenen was. Was u op dat blad geabonneerd? vroeg Paul de Wispelaere. Nee, zei de student.&lt;br/&gt;Dan bent u er de oorzaak van dat het verdwenen is, zei Paul.&lt;br/&gt;(…) Kortom, ik vind dat u zich op het NWT moet blijven abonneren, zoals ikzelf jaarlijks geld overmaak aan Amnesty International of Artsen zonder Grenzen. Voor het goede doel. Voor de betere literatuur.” Er waren ex-abonnees die daar een kwaad geweten aan overhielden. Anderen werden vreselijk boos.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zijn éénmansblaadje. De laatste jaren voelde Herman zich een beetje verwaarloosd door zijn mederedacteuren. Dat was, althans wat mij betreft, niet helemaal ten onrechte. Maar we hadden allemaal andere dingen aan ons hoofd.&lt;br/&gt;Af en toe stuurde hij ons nog een herderlijk schrijven. Het laatste dateert van 20 mei 1997.&lt;br/&gt;“Wat doen we met de inspiratie van ons blad? De wereld gaat naar de verdommenis. Vroeger had het kapitalisme nog een vijand, sinds de val van de muur wordt het niks meer in de weg gelegd. De maatschappij waar wij in ’68 tegen protesteerden, was een stuk beter dan de huidige. Vandaag protesteert niemand nog. Moeten wij daar niet eens een nummer aan wijden? En zo ja, wie kan daar iets zinnigs over zeggen? Ik nodig alle redacteuren bij dezen uit om in buitenlandse tijdschriften op zoek te gaan naar discussiestukken, en naar eigentijdse binnenlandse mensen die genoeg schrijfvaardigheid hebben om het een beetje te overzien. (…) Ik bedoel, denkend aan de profilering van het NWT, dat wij nooit het blad van literaire strekking zus of zo zijn geweest, ook niet wilden zijn, maar dat wij wel een betrokken literatuur wilden. Welja, wie weet dat nog? We moeten ons uiterste best blijven doen om de literatuur erbij te blijven betrekken, bij deze onbegrijpelijke wereld: laat dat maar de doelstelling van het NWT wezen. Ik schrijf dit mede omdat ik binnen één maand tijd twee keer een etentje heb meegemaakt waarbij de werelduitlegger van dienst nogal kwalijk verwees naar ‘die schrijvers’, meer Kristien dan mij viserend (ik ben maar een arme dichter), ‘die het temidden van de grootste werkloosheid over seks bleven hebben, of over jeugdherinneringen, terwijl er geen toekomst meer is.’ Kennelijk verwacht men van schrijvers een oplossing, terwijl de politici er al lang geen meer hebben en onze bestschrijvende filosofe, Patricia de Martelaere, gespecialiseerd is in zelfmoord en verlangen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;“Graag snel redactievergadering, begin juni. Hartelijke groet, en tot spoedig etens.”&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De postbode bracht die brief op 22 mei, rond elf uur ‘s ochtends. Drie uur later hoorde ik uit Lissabon dat Herman dood was. Achteraf lijkt die brief een testament. Achteraf zijn we allemaal achteraffers.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;NWT, Jrg. 14 (1997) nr. 5/6, p. 24-29&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;div class=&#34;entry-tags&#34;&gt;&lt;a href=&#34;https://hermandeconinck.com/tag/piet-piryns/&#34; rel=&#34;tag&#34;&gt;Piet Piryns&lt;/a&gt;&lt;/div&gt;
</description></item><item><title>Tot ziens in Portugal</title><link>https://hermandeconinck.com/tot-ziens-in-portugal/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/tot-ziens-in-portugal/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 20:24:21 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;has-drop-cap wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik heb hem niet goed, niet van nabij, gekend. Ik maakte geen deel uit van de cercle waarvan hij, Herman de Coninck, het middelpunt vormde. Hij was de vorst van literair Antwerpen en ik woon daar niet: noch in Antwerpen, noch in enige literaire cercle.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Maar ik kende hem van ‘gelegenheden’, een toevallige ontmoeting, een nacht doorzakken in de kroeg. Soms telefoneerden we, soms schreven we elkaar een brief. Hij was altijd beminnelijk, vrolijk, geestig. Onder zijn brieven bevinden zich juwelen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De laatste keer dat we elkaar ontmoetten viel op donderdag 17 april 1997. In een benauwd, want te veel personen bevattend vertrek van Theater Zuidpool, Lange Noordstraat, Antwerpen. Na afloop van de première van de aangrijpende solo-uitvoering door Tom van Bauwel van De schipbreukeling van Benno Barnard, mede zo aangrijpend vanwege de muziek van Henny Vrienten.&lt;/p&gt;
&lt;span id=&#34;more-132&#34;&gt;&lt;/span&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;“De titel,” aldus de programma-brochure, “is een metafoor voor wie we zijn: schipbreukelingen aangespoeld in een toevallige stad.”&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman was in een allerkeurigst pak gestoken, zijn schoenen glansden zoals zijn brillenglazen en haarloze schedeldak. Hij zag eruit als de aangeklede dood: mager als een skelet, vaalbleke huid, die ogen dof, er was iets niet in orde met zijn tanden, – het gebit leek veel te breed voor zijn smalle gezicht. Links hanteerde hij een bolvormig glas rood bier, rechts de sigaret, dat we enig geharrewar ontstond bij het handendrukken. Zijn dunne hand was koud als een voorwerp uit de diepvries. Algehele indruk: hij was moe, hij leek te zijn uitgedoofd.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Een keer eerder had ik hem zo meegemaakt: op 11 maart 1995. Brussel, na de bekendmaking van de winnaars van De Gouden Uil: de eerste keer dat deze Vlaamse literaire prijs werd uitgereikt. In de categorie non-fictie bleken Herman met zijn Intimiteit onder de melkweg, en ik met Vlaamse leeuwen die voornaamste papabili te zijn. Wij ontmoetten elkaar vooral in de wandelgangen van het BRT-complex aan de Reyerslaan, waar het Uil-gedoe plaatsvond en het onderwerp zou zijn van een welhaast avondvullend, ellendig langdradig rechtstreeks uit te zenden televisie-programma. Hij en ik zowel opgewekt als stijf van de zenuwen.&lt;br/&gt;“Natuurlijk krijg jij die uil,” zeiden we tegen elkaar.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik opperde, dat de winnaar een groot diner in een gerenommeerd restaurant te Antwerpen of Brussel zou aanrichten, bijgewoond door onze allerbeste vrienden, -dinnen en andere dierbaren.&lt;br/&gt;“Nee,” zei Herman, “integendeel, die verplichting dient te worden aangegaan en nagekomen door de verliezer.” Daarop beloofde ik hem alvast dat ik heel erg mijn best zou doen: wijn, wijven, gebraden uil, het gezang verzorgd door het koor van de Sixtijnse Kapel.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Tot dit eetgelag is het nooit gekomen: op iedere voorgestelde datum kon nu de een, dan de ander niet, vanwege verplichtingen zus, verplichtingen zo, verblijven buitenslands, keet in de privé-sfeer, dit afgewisseld door dat, etcetera. Zo raakte de afspraak vergeten. Schrijvers hebben het nu eenmaal erg druk.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Niet Herman, maar mij viel De Gouden Uil ten deel. Mijn blijdschap werd overschaduwd door zijn teleurstelling. Die was hem aan te zien. Zijn gezicht wit als papier, de mond in een naar een treurgrimas neigende heldhaftige glimlach, de ogen starend en confuus. We omhelsden elkaar woordloos. Ik vond het oprecht en uitermate rot voor hem, zo geslagen en geblutst als hij zich stond groot te houden.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;We zijn het op een zuipen gaan zetten in het Brusselse gezelligheidslokaal L’Archiduc. Ik bood mijn verslagen mede-uil als binnenkomer niet één pint aan, maar tien tegelijk, en ikzelf nam er ook tien. Met al die glazen voor ons op het tafelblad uitgestald, was het of wij gezellig op een strandje zaten met uitzicht op de schuimende branding van een pisgele zee. Weldra traden vrolijkheid en broederschap in en hoe het allemaal is geëindigd weet ik niet. Alleen dat ik des anderen daags, al lang en breed weer thuis, vijf kwartier rijden van Brussel vandaan, zowel mijn leesbril kwijt was, alsook de cheque waarop het bedrag van de Uilprijs was ingevuld. Kippig voor me uit starend, kon ik me omtrent het waardepapier hoogstens nog voorstellen dat ik het misschien, pootjesbadend in de vliet van drank en uiting gevend aan een acute opstuwing van grootmoedigheid, in snippers had gescheurd, Herman toevoegend: “Jij geen uil, ik ook geen uil…” (Zowel bril als cheque kwamen een dag of tien later in mijn bezit terug,- dat is een ander verhaal.)&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De laatste keer dat hij en ik, niet langer dan een paar minuten, tegenover elkaar stonden, in Antwerpen na De schipbreukeling, beiden een sigaret in het hoofd, paffend, de longen vullend met de adem van de dood, zei hij ter afsluiting van ons kleine onderhoud, -het waren zijn laatste woorden tegen mij: “Tot ziens in Portugal.”&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In dat land was Vermelho Decantado verschenen, hetgeen, als het goed is, ‘Bezonken rood’ betekent. Onder auspiciën van het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds zou van woensdag 21 tot zondag 25 mei te Lissabon een manifestatie worden gehouden ter promotie van de ‘Literature Contemporanea da Flandres e dos Paises Baixos’ Ook Herman en ik zouden daaraan deelnemen, maar evenmin als het uil-diner, heeft onderhavige uitstap naar Lissabon in mijn leven plaats gevonden. Ik berichtte het feestcomité dat ik ‘om persoonlijke reden’ van het snoepreisje afzag.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Die reden was, dat ik, zoals wel vaker, in een diepe depressie was verzeild. Hoe diep? Ik viel en bleef maar vallen, in een gat zonder bodem. Overdag viel de verschrikking nog wel te beteugelen met velerhande pillen uit alle kleuren van het spectrum en vooral met noeste concentratie op het dagelijks werk. Maar ‘s nachts was ik weerloos en sloegen de somberten en angsten in verhevigde mate toe in repeteerdromen waaruit ik niet kon ontwaken. Iedere nacht pandemonische visioenen, soms almaar dezelfde in dezelfde slaap, – drukkend, donker, benauwd. Ik was in landschappen of spooksteden “waar het nooit woei”, geen levend iets te bekennen, geen speld te horen geen sprank licht in de drabbige schemer. Er was geen zuurstof, dus om het kwartier stikte ik. Paniekangsten. Krankzinnigheid. Diepten zonder bodem. Stikken. Dood.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Nadat ik het Productie- en Vertalingenfonds had laten weten dat ik niet aan de Portugese missie zou deelnemen, was niet de depressie weg, maar bleven wel de schrikdromen in hun zwarte doos. Zo werd mij duidelijk wat mij in mijn nachtbestaan was doorgeseind. Zeker achteraf werd het dat.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Op 22 mei, donderdag, nog geen etmaal in Lissabon, klapte Herman er op straat in elkaar en weg was hij. Schipbreukeling in een toevallige stad. Drieënvijftig jaar, vier jaar jonger dan ik. Toen ik het een paar uur later hoorde, aan mijn werktafel, uitzicht op de bloeiende tuin in de zon, zag ik Herman de Coninck voor me zoals ik hem amper een maand tevoren voor het laatst had gezien, zo moe, zo mager. “Tot ziens in Portugal”.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het moet zo gegaan zijn:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Toen de Nederlandstalige delegatie op 21 mei in Lissabon uit het vliegtuig stapte, moet Hein met de Zeis, die daar stond te wachten, verbaasd hebben gedacht: “Brouwers is er niet bij?” Foutje bij de administratie zeker, hoewel zoiets hoogst-, hoogst- zelden voorkomt. Die nacht zal Hein, nerveus rokend en vele bieren drinkend, met De Centrale gebeld. “In mijn boekje staat toch duidelijk dat ik ‘s avonds Brouwers halen moest in Lissabon…” Pas tegen de ochtend zal De Centrale hem de nieuwe instructies doorgefaxt.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Er waren honderden mensen bij Hermans begrafenis, Schoonselhof, Antwerpen, 27 mei. Iedereen wierp een takje gipskruid op de slanke kist met zijn magere lichaam, neergelaten in een kuil, zo diep dat ik ervan schrok, mijn adem ervan stokte en ik van die gapende rechthoek in het gras wilde terugdeinzen. Geen zeeën bier, geen sloffen sigaretten vermochten hier nog soelaas te bieden. Ik maakte een buiging voor hem en voor onze gemeenschappelijke herinneringen, die nu verder, zolang ik nog overeind blijf, alleen nog maar mijn herinneringen zullen zijn. Ik fluisterde hem toe: “Tot ziens …”, maar liet achterwege er een plaatsnaam bij te noemen&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Over Herman De Coninck als poëziecriticus</title><link>https://hermandeconinck.com/over-herman-de-coninck-als-poeziecriticus/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/over-herman-de-coninck-als-poeziecriticus/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 20:08:07 &#43;0200</pubDate><description>&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;Een bescheiden meester. &lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph article-introduction&#34;&gt;De poëziecriticus Herman de Coninck kon venijnig zijn, maar zijn essays vielen vaker op door hun mildheid en door een opvallende bereidheid om eerder ingenomen standpunten te herzien. Dat was vrij uniek, schrijft Willem van Toorn, die de poëziekritiek in de Lage Landen over het algemeen saai, betweterig en voorspelbaar vindt.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Een goeie week voor zijn dood las Herman de Coninck samen met Adriaan Morriën in het kader van de Herman Gorterlezingen voor op Kasteel Groeneveld in Baarn. Kleine maar statige zaal, avondlicht op de bomen in het kasteelpark, klein maar aandachtig publiek – een perfecte entourage voor twee dichters die beiden nogal eens als ‘bescheiden’ zijn aangeduid. Ik weet nooit wat dat betekent, anders dan dat het om dichters of schrijvers gaat die niet voortdurend met zelfpromotie bezig zijn maar liever hun werk laten spreken.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De organisatoren hadden Morriën en de Coninck daar waarschijnlijk samengebracht vanwege hun verwantschap als dichter en zo ervoer ik dat natuurlijk ook wel: veel over de liefde, ook in haar huiselijke lijfelijkheid; veel natuur ook bij beiden; gedichten die er niet op uit zijn hun lezers raadsels op te geven maar streven naar directe, eenvoudige taal omdat het leven toch al ingewikkeld genoeg is. (Ja, daar kan dat ‘bescheiden’ natuurlijk ook op slaan en dan is het niet als compliment bedoeld.) Maar ik zag, niet zonder ontroering, daar toch ook twee verwante en mij dierbare schrijvers over poëzie in gesprek. Critici als je wilt, maar dan wel van een bijzondere soort.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wij zijn in Nederland, de enkele goeden niet te na gesproken, gewend geraakt aan een academisch soort poëziecriticus die ervoor heeft doorgeleerd, en die met zijn semiotisch meetlint belerend tussen gedicht en lezer gaat staan: het is niet zo eenvoudig als wij denken en als het dat wel is, deugt het niet. Of deze voorlichter van poëzie houdt, of hij ooit ontroerd of zelfs maar verbaasd is valt uit zijn stuk veelal niet te lezen. Adriaan Morriën was als poëziecriticus in Nederland een uitzondering omdat hij schreef als een lezer. Een precies en ervaren lezer die probeerde potentiële andere lezers niet zijn superieure schoolkennis over te brengen maar zijn verwondering. In Concurreren met de sterren (1959), een in de ramsj verzeilde bundeling van zijn stukken over poëzie, schrijft hij over zulke verschillende dichters als M. Vasalis, Remco Campert, Lucebert, Vestdijk, Richard Minne, Simon Vinkenoog, Elisabeth Eybers, Gerrit Kouwenaar en Gerrit Achterberg met het inzicht van de dichter die weet dat poëzie niet is voorbehouden aan een bepaalde school met een voorkeur voor bepaalde kunstjes. Hij doorziet heel vroeg het extatische, profetische karakter van de gedichten van Lucebert en zijn verwantschap met Willem Kloos, die Lucebert opvoert in ‘het mirakel van monte carlo’. “Er zijn dichters,” schrijft Morriën, “uit wier leven men, met enige willekeur, het dichterschap zou kunnen wegdenken. Het zijn de dichters van de nuance, de toon en van het persoonlijke levensavontuur. Voor Kloos was en voor Lucebert is het dichterschap niet slechts een persoonlijk avontuur, een strijd om de nuance en de toon, maar een middel om de wereld door het woord te veranderen.” Kom maar eens om zulke uitspraken bij de puzzelende geleerden. In dezelfde bundel begint Morriën een stuk over Vestdijk aldus: “Dat S. Vestdijk, behalve romanschrijver, tevens een belangrijk dichter is en tot de interessantste figuren van onze moderne poëzie moet worden gerekend, is een feit dat zelfs aan de aandacht van poëzieminnaars ontsnapt.” Hij zou het gisteren geschreven kunnen hebben, want nog altijd zijn er maar weinig mensen die Vestdijk bij de belangrijke dichters van deze eeuw zullen noemen. Ik citeer deze uitspraak om aan te tonen hoe breed en onbevangen Morriën als poëziecriticus was, hoe het hem ging om de poëzie en niet om smalle strominkjes. Een tweede kenmerk van Morriën als schrijver over gedichten heeft iets paradoxaals. Je leest in elke regel hoe belangrijk poëzie voor hem is, maar tegelijkertijd weet hij donders goed hoe weinig de poëzie in de grote wereld telt. “Ik geloof dat het belang van de poëzie en van de literatuur in het algemeen wordt overschat, in de eerste plaats door de schrijvers zelf en vooral door de schrijvers in ons land. Meer dan in andere landen is de schrijver bij ons een buitenstaander, die door het publiek op een vage maar niet altijd ongerechtvaardigde wijze wordt vereenzelvigd met dominees, liefhebbers van de natuur en mensen die met hun beroepskeuze worstelen.”&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dat zou bijna een zin van Herman de Coninck kunnen zijn. Ook bij hem voel je voortdurend hoe centraal de poëzie in zijn eigen leven staat, maar ook hoezeer hij beseft dat de kleine wereld van de poëzie maar een bescheiden aanzien geniet in de ‘echte’ wereld daarbuiten – die van de vrije markt, zeg maar, van het voetballen en het café. Dat besef geeft aan zijn toon, in zijn gedichten en in zijn opstellen, iets ondeftigs, iets ‘gewoons’ dat hem zeker parten heeft gespeeld bij de ontvangst van zijn werk in domineesland. De lenige liefde, dat roept in Nederland net zulk fronsen op als Een bijzonder mooi been. Toen hij in Vlaanderen allang een van de bekendste dichters was en een criticus van wie gezegd kon worden dat hij zijn landgenoten het plezier van het lezen bijbracht, begon de waardering in Nederland pas mondjesmaat te komen. Eerst voor zijn stukken over poëzie (‘Alles wat hij schrijft is al bij voorbaat interessant,” schreef Guus Middag in NRC Handelsblad), later voor zijn eigen gedichten – eigenlijk pas sinds die bij De Arbeiderspers verschenen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Op welke manier Herman de Coninck over poëzie wil schrijven, kun je goed opmaken uit zijn openingszinnen. Die zetten (net als bij Morriën) de toon van zijn stukken: niet de toon van iemand die ons nu eens van de kansel zal uitleggen hoe het zit, maar die van een man die hoopt dat het stuk zelf dat hij onder handen heeft hem enig inzicht zal verschaffen, en daarmee ook de lezer:&lt;br/&gt;“Critici zijn beroepshalve verkeerd-lezers.” “Karel Jonckheere heeft er de laatste decennia zijn beroep van gemaakt Karel Jonckheere te zijn.” “Onlangs had ik een gesprek met een goede dichter die niet meer schrijft.” “Ik weet eigenlijk niet wat dat is, inhoud in de poëzie.” “Ik wou beginnen met het plakken van enkele etiketten.” “Poëziekritiek verschilt hierin van prozakritiek, dat zij bijna niet bestaat.” Wat die toon ook duidelijk maakt, is dat de Coninck niet bereid is te doen alsof zijn eigen dichterschap onmiddellijk verdwijnt zodra hij over de gedichten van anderen gaat schrijven. Sommige dichters zetten, als ze als criticus over de poëzie van anderen schrijven, als het ware waar je bij zit de pet op van de quasi-objectiviteit op. Dat geeft hun kritieken voor mij soms iets komisch. Ik ken hun eigen werk, en als ze een te schoolmeesterige toon over het mijne aanslaan, denk ik al gauw: probeer het eerst zelf maar eens beter. De stukken van de Coninck hebben vaak iets collegiaals, en dat maakt ze nu juist niet minder toegankelijk voor de gewone lezer maar méér. Hij gaat in zo’n stuk bijvoorbeeld bijna in gesprek met de dichter, een bezorgd gesprek soms maar altijd een gesprek dat je kunt volgen, het gesprek van iemand die weet wat een raar bedrijf het is, een gedicht schrijven. Met Rutger Kopland wil hij bijvoorbeeld nogal eens in gesprek gaan, of met Ed Leeflang, Eva Gerlach of mij.&lt;br/&gt;“Dat laatste zeg ik met opzet een beetje onheus – want als de late Kopland door één dichter beïnvloed is, is het door de vroege Kopland – omdat ik vond dat hij in dat essay toch een klein beetje verraad pleegde aan zijn verleden,” schrijft hij bijvoorbeeld in een reactie op een essay van Kopland, waarin deze volgens de Coninck had geschreven dat hij “van plan was” zich voortaan door Kouwenaar “te laten beïnvloeden”. (‘Het hiernamaals nu’, in Intimiteit onder de Melkweg, 1994.) Volgens Herman de Coninck is Kopland anders gaan schrijven ‘na een vreselijk onterechte opmerking van Rein Bloem over zijn “Humanistisch Verbondtoontje”. “Dat krijg je in Nederland vroeg of laat te horen, als je te grote oplagen hebt,” schrijft hij vinnig. Hoewel hij Kopland in bescherming neemt tegen Bloem, uit hij ook zijn bezorgdheid over een ontwikkeling die hij in het werk van de dichter meent waar te nemen. “Ja, maar gaandeweg had de nieuwe Kopland ook zijn tics gekregen, hij grossierde in geheimzinnigheden op een nogal voorspelbare manier…” schrijft hij iets verderop. Om vervolgens vast te stellen dat de reserve waarmee hij derhalve aan Koplands nieuwe bundel Geduldig gereedschap begon volkomen onterecht was. “Dat viel tegen: deze bundel is meesterlijk.” Let op dat zinnetje “Dat viel tegen” waar de meeste critici uit de hemel van hun welwillende objectiviteit zouden hebben geschreven dat het meeviel; de Coninck tikt zichzelf op de vingers voor zijn vooringenomenheid.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Kenmerkend voor de Conincks houding als criticus is zijn bereidheid niet alleen binnen het stuk zijn mening te herzien, zoals hierboven, maar ook tot herlezen en op grond daarvan zijn oordeel bijstellen, soms jaren later. In een stuk over mijn werk (‘Landschap met vrouwen’, ook in bovengenoemde bundel) schrijft hij dat hij mijn bundel Een kraai bij Siena herleest, maar: “Ik herlees helaas ook wat ik daar tien jaar geleden over schreef. (…) dat de gehele bundel ‘me door zijn zelfherhaling af en toe irriteerde’.” Om vervolgens te onderzoeken waar die irritatie vandaan kwam: “Ik kan het wel verklaren: ik had destijds, mooi in de juiste volgorde, alles van Van Toorn gelezen en herlezen, en tegen de tijd dat ik aan Een kraai bij Siena toe was, had ik een paar tics ontdekt, zoals iedere dichter ze heeft, en niet-dichters nog meer.” Ik citeer dit niet omdat ik die herziening van een oordeel natuurlijk wel aangenaam vond, maar omdat het in de poëziecritiek zoals ik die ken uniek is. Een criticus die je werk echt zorgvuldig leest en bereid is af en toe eens wat grotere gehelen te overzien, is al bijzonder; dat hij ook nog bereid is op grond van herlezen een mening te herzien – dat had ik nog niet eerder meegemaakt. Wel critici die hun mening herzien uit angst enige boot te missen of door collega-critici voor dom te worden aangezien.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Soms krijg je de indruk dat herlezen een heel bewust onderdeel is van het kritische programma van Herman de Coninck. In een eerder mooi stuk over Kopland (‘Volmaakt onverschillig’, Over de troost van pessimisme, 1983) ontdek ik, nu ik ook eens herlees, ook al schrik en ongeloof bij kennismaking met een nieuw aspect van het werk van de dichter. Hij constateert dat uit de bundel Dit uitzicht mét de anekdotiek van vroegere bundels ook de beelden zo ongeveer zijn verdwenen, en formuleert eerst knorrig waarom hem dat niet bevalt: “En een dichter die het zo beeldloos wil proberen, zo oncharmant ascetisch, is die niet te vergelijken met de atleet die het voortaan zonder benen wil doen? Op beelden loopt de poëzie toch?” Een paar pagina’s verderop, na een nog steeds wat humeurig onderzoek van wat Kopland nu toch precies doet in deze bundel, constateert hij: “Bij een tweede lezing blijkt namelijk dat Kopland het heeft over een aantal oerverlangens. (…) Laten we de reisroute opnieuw afleggen.” Nadere bestudering van de karige, beeldloze nieuwe ‘illusieloosheid’ van Kopland brengt hem tot de conclusie: “Als ik die vroege anekdotiek zo fraai vind, en die latere beelden, moet ik misschien die bundels maar herlezen in plaats van te vragen dat Kopland zo blijft herschrijven.”&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Stokpaarden ontdek je ook wel bij het herlezen van de essay- en kritiekbundels van Herman de Coninck, van Over de troost van pessimisme tot Intimiteit onder de melkweg. Raster is zo’n stokpaard, en dat vermaakt me omdat ik daar redacteur van ben en omdat ik het een mooi tijdschrift vind. Herman vond het, geloof ik, lang te Hollands, te gereformeerd in zijn aandacht voor de vorm. In het boven al aangehaalde stuk over Dit uitzicht staat: “Dit is trouwens een tweede Raster-trekje van deze bundel: er zijn nauwelijks nog beelden. De gedichten zijn (door de erosie van de zelfkritiek?) gladgespoelde keien, even gesloten ook, en, tja, wat moet ik daarmee? Nog zo’n Raster-kenmerk: Kopland schrijft reeksjes korte gedichten. Ook weer een middel om tegelijkertijd minder en meer te zeggen; om bijvoorbeeld de verhalende lijn, de anekdotiek te kunnen weglaten.” Nog afgezien van de boven weergegeven herziening van die mening binnen hetzelfde stuk, zegt zo’n citaat veel over hoe hij zijn eigen functie als criticus ook zag: als behoeder van belangrijke eigenschappen van poëzie die hem aanstond. In een stuk over mijn bundel Eiland (‘Lof van de onvolmaaktheid’, De Flaptekstlezer, 1992) komt Raster ook weer voor de dag, in een inleiding over het veranderende karakter van literaire tijdschriften. “Anderzijds heeft Raster in zijn redactie sinds een paar jaar ook Willem van Toorn. Het eerste dat ik dacht was: dat is goed voor Raster, maar slecht voor Willem van Toorn. Raster zal opener worden, Van Toorn geslotener, je zult wel zien.”&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik denk dat zijn argwaan tegen ‘Raster-achtigheid’ te maken had met wat hem dierbaar was: een zo min mogelijk schoolse poëzie, een poëzie die zichzelf niet in deftigheid en in de eigen staart bijtende spelletjes met structuren en intertekstualiteiten losmaakte van de wereld, van mensen en hun sores. Misschien zag hij dat ook stiekem wel als een taak: een beetje Vlaams straat- en caférumoer aanwezig te houden in een Nederlandse poëzie die hij bewonderde, maar die zijn argwaan wekte als ze te domineesachtig werd.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik herinnerde me Herman de Coninck uit zijn essaybundels vooral als een mild criticus. Een van de voordelen van herlezen is dat ik mij er nu weer eens van bewust ben geworden hoe venijnig hij ook kon zijn. Dat is prettig, want het is nu ook weer niet de bedoeling dat dit stuk een soort hagiografie wordt. Venijnigheid is geen thema voor de hagiografie en Herman gelukkig niet de geschikte hoofdpersoon.&lt;br/&gt;Een van de figuren op wie hij graag zijn venijn mag richten is de boven al geciteerde Rein Bloem. In ‘Zonder verdriet zegt het meer’ (Over de troost van pessimisme) schrijft hij: “Als ik in Vrij Nederland Rein Bloems kritiek lees op Al die mooie beloften van Rutger Kopland, merk ik dat hij de structurele en formele aspecten waarover hij het zo graag heeft, niet ver genoeg gaat zoeken. Hij ontdekt ze bij voorkeur in zijn eigen soort poëzie. Wat niet moeilijk is, want daar liggen ze er vingerdik bovenop.” Zo, die zit. Hij betoogt verder dat Koplands poëzie juist heel vormelijk is en dat de ‘uitnodigende’ toon ervan is veroverd op zijn tegendeel, “en dus als zodanig misschien wel een erg gekunstelde vorm.”&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Op een andere plaats moet Wiel Kusters het ontgelden. Die schrijft in 1991 in de Volkskrant over Eva Gerlach op een toon die de Coninck niet aanstaat. Kusters duidt een strofe in een gedicht van Gerlach waarin iemands tong aan de brugleuning is vastgevroren als uitgesproken poëticaal, zeer ten onrechte volgens De Coninck in ‘De liefde als auto-ongeluk’ (Intimiteit onder de melkweg): “Deze verklaring legt zoveel de nadruk op de tweede, een beetje per ongeluk poëticale strofe, dat de derde verkeerd gelezen wordt. Kusters is natuurlijk zelf een bij uitstek poëticaal dichter, en zoekt in andere dichters blijkbaar zichzelf.”&lt;br/&gt;En even verderop is het helemaal raak, als Kusters heeft geconcludeerd: “Erg indrukwekkend van thematiek of zegging vind ik dit alles overigens niet.”&lt;br/&gt;De Coninck schrijft: “Eva Gerlachs zegging? Ik lees haar met grote ogen, omdat elke zin weer van die eigenwijze slagjes heeft. Haar thematiek? Wat is dat? Moet je dat hebben, een thematiek? Dat zijn de trefwoorden waar een criticus met zijn potloodje achter zijn oor naar op zoek is, in plaats van naar wonderen.”&lt;br/&gt;“In plaats van naar wonderen.” Dat is een sleutelzin zoals je die niet gauw zult tegenkomen bij wat ik voor het gemak maar de ‘academische criticus’ heb genoemd. Die zal niet zo gauw een woord als ‘wonderen’ uit de pen laten vloeien, omdat dat geen enkel houvast lijkt te bieden, in tegenstelling tot zulke gedecideerd aandoende begrippen als ‘structuur’ of ‘thematiek’. Herman de Coninck en Adriaan Morriën zijn meer op wonderen uit dan op houvast. Het blijkt al uit hun titels: Concurreren met de sterren, Intimiteit onder de melkweg. Je moet maar durven. Zo gewoon en zo onmogelijk.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Met die vermeende ‘gewoonheid’ van Herman de Coninck heb ik nog een ervaring. In 1994 verscheen in Italië een ruime keuze uit mijn gedichten. De Italiaanse bezorger vond dat er een voorwoord van een gezaghebbend Nederlands criticus in moest en ik stelde Herman de Coninck voor. Hij had geen idee dus hij vond het best. Herman schreef het stuk van harte (‘Landschap met vrouwen’, ik heb er boven uit geciteerd), het werd in het Italiaans vertaald en opgestuurd. Enige tijd later kwam er een behoedzame brief van de bezorger, dat hij zich een ‘geleerder’ stuk had voorgesteld. Zo stond het er niet precies, maar dat bedoelde hij wel. Ik stelde me meteen zo’n stuk voor dat al in de eerste alinea Barthes, Foucault, Derrida en Eco noemt. Weer enige tijd later arriveerde de ‘Inleiding voor Italiaanse lezers’ van de bezorger zelf; hij stelde voor die te laten voorafgaan aan die van Herman. Ik zat er niet zoveel naast: in de eerste alinea figureerden Heidegger, in de tweede Einstein, in de derde Yeats. Ik zit hier niet de spot te drijven met een door mij gerespecteerd Italiaans dichter en essayist; het was een mooi en respectvol stuk. Maar de inleiding van Herman de Coninck was een mooi en liefdevol stuk. Dat is nog een aspect dat ik moet vermelden. In het begin van dit stuk zei ik al dat de Coninck zijn dichterschap niet verloochende als hij over poëzie schreef; ik moet erbij zeggen dat hij ook zijn vriendschappen niet verloochende. De meeste dichters en critici in het Nederlandse taalgebied kennen elkaar – al is het soms kringsgewijs. Maar als ze over elkaar schrijven, doen ze alsof dat niet zo is. Herman de Coninck stak zijn vriendschappen niet onder stoelen of banken, en bleef in zijn oordeel toch totaal onafhankelijk. Dat is kwaliteit.&lt;br/&gt;Ik beweer al jaren dat we in Nederland en Vlaanderen een boeiend poëtisch klimaat hebben, met dichters als Kouwenaar, Bernlef, Martin Reints, Robert Anker, Eva Gerlach, Kopland en noem maar op, en Claus, Van Vliet, Nolens, Van Hee enzovoort. Noem mij maar eens een ander taalgebied met zoveel goeie dichters. Jammer is alleen dat de kwaliteit van de kritiek daar niet tegen opweegt; die vind ik over het algemeen betweterig, saai, voorspelbaar en doortrokken van hokjesgeest. Er zijn critici die een mooi, bewogen gedicht nog niet herkennen al vallen ze er languit middenin.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Herman de Coninck was voor mij een verademing in dat kritische klimaat: iemand die met een enorme belezenheid en kennis van zaken, die ervoor uit durfde komen dat poëzie een levensbehoefte voor hem was. Zijn stukken over mijn werk behoorden tot de weinige die ik gretig las. Ik vind het te treurig voor woorden dat mijn nieuwe bundel de eerste van mijn hand zal zijn die hij niet bespreekt. We moeten zijn stukken maar herlezen, er zit niets anders op.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Jaloezie</title><link>https://hermandeconinck.com/jaloezie/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/jaloezie/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 20:06:18 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In zijn boek Intimiteit probeerde Jos van Ussel zaliger het hele gebied van de seksualiteit te herdefiniëren. Je komt thuis van je werk, je komt uit de hele wereld, en je komt in de stad waar je woont, en in die stad in de straat waar je woont, en in die straat in het huis waar je woont, en in dat huis in de hall, de woonkamer, en uiteindelijk de slaapkamer. Het wordt alsmaar intiemer. En in die slaapkamer heb je dan het bed: de plaats van de ultieme intimiteit.&lt;br/&gt;Ik heb dat ooit proberen weer te geven in een gedicht:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Ik zoek een dorp.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;En daarin een huis. En daarin een &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;kamer, waarin een bed, waarin een vrouw. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;En in die vrouw een schoot, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;en in die schoot een parel.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Daarnaar tast een vinger, waaraan een&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;hand, waaraan een arm, waaraan &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;ik. Die zoek ik.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Jaloezie is wat ontstaat als die intimiteit geschonden wordt. Om te beginnen met de eerste strofe: de slaapkamer wordt publiek domein. Het doet denken aan de graffiti in urinoirs: ‘Smile, you’re on tv now.’ Het meest intieme blijk je in het openbaar te hebben gedaan.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wat de tweede strofe betreft: diegene die zichzelf zocht kan het nu wel vergeten. Vrijen is zo diep in de ander doordringen, bij voorkeur letterlijk, dat je de indruk hebt dat je vanuit haar ogen mee terugkijkt naar jezelf. Maar er kijkt nog iemand anders mee. Onder al die blikken, zes ogen, het lijkt wel een complete liefdesjury, ben je niemand meer. En die niemand heeft eigenlijk niets anders meer dan zijn jaloezie. Zichzelf is hij kwijt. Als jaloezie een groot wit laken is, het beddelaken van het verraad zeg maar, dan is hij het spook eronder.&lt;/p&gt;
&lt;hr class=&#34;article-section-break&#34;/&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt; Liefde is blind, jaloezie is helderziend. Jaloezie ziet heel helder wat er nog maar is.&lt;br/&gt;‘Ik hou van jou,’ zegt de vrouw. Jaloezie taxeert. ‘Ja, maar hoeveel?’ vraagt jaloezie.&lt;br/&gt;De vrouw zoent. Jaloezie kijkt toe. Een zoen op je wang, vroeger was dat op je mond.&lt;br/&gt;Je vrijt. Ze is passief omdat ze aan die ander denkt. Of ze is juist heel meewerkend omdat ze probeert niet aan die ander te denken. In elk geval is alles wat ze doet verkeerd, en alles wat je daarop terugdoet eveneens. Jaloezie is onfeilbaar, in het verkeerde.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het prototype is de kleine zeemeermin van Andersen.&lt;br/&gt;Ze wordt wanhopig verliefd op een voorbijvarende prins: de onmogelijke liefde bij uitstek. Toch weet ze ergens in de diepste onderwaterse diepten een uit zeewierharen opgetrokken heks te vinden die haar onderaan tweeledig wil maken. Maar de straf is dat ze stom zal zijn en dat elke stap die ze zet zal aanvoelen alsof duizend messen door haar benen snijden. Zo slaagt ze erin aan land te komen, net op het moment dat de prins zijn trouwfeest geeft. Ze snelt met een snelheid van honderdduizend messen per minuut op de prins toe, en die denkt alleen: wat een aardig meisje, en wat sneu, ze is stom.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Bij echte jaloezie ben je meestal niet stom, maar zeg je net die dingen die beter niet gezegd zouden worden, en dat is nog erger. Je zegt ze om iemand terug te krijgen, en ze loopt verder weg. En terwijl je ze zegt weet je hoe verkeerd het is. En kun je niet anders. Pas als je totaal niet meer om haar gaf, zou je oneerlijk genoeg kunnen zijn om de juiste dingen te zeggen. Dan zou je haar behouden – terwijl je haar niet meer nodig hebt. Dat is toch wel zeer, nouja, oneerlijk.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Helderziendheid: je bent nog slechts twee ogen die verschrikt toekijken hoe uit een mond tien centimeter daaronder allemaal verkeerde woorden te voorschijn komen.&lt;/p&gt;
&lt;hr class=&#34;article-section-break&#34;/&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De self-fulfilling prophecy: zo werkt jaloezie. Een slippertje hoeft niet belangrijk te zijn, maar je kunt er niet overheen, maakt het belangrijker dan het is, begint op alles verkeerd te reageren, en maakt je verhouding kapot. Het slippertje was dus belangrijk.&lt;br/&gt;Jaloezie krijgt gelijk. En dat was nou net het enige dat ze niet wou krijgen.&lt;/p&gt;
&lt;hr class=&#34;article-section-break&#34;/&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Falling in love gezien, op video natuurlijk, met Meryl Streep en De Niro. Vandaar deze bedenkingen. Een mislukte remake van Brief encounter, had ik ergens gelezen. Een hele goeie remake, vind ik, met een mislukt slot.&lt;br/&gt;Een gedurfde film: zonder bedscène, zonder spannende achtervolgingen. Er wordt door Streep en De Niro heel overtuigend geaarzeld en zwijgend gezucht. Daar mag een film van mij anderhalf uur over doen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het gaat over twee mensen die op elkaar verliefd worden, maar omdat ze getrouwd zijn willen ze er niet aan toegeven. Juist omdat ze zich verzetten, wordt hun liefde onoverkomelijk. Als De Niro zijn vrouw opbiecht dat er een andere vrouw is die hij dagelijks op de trein ziet, maar dat er verder niets gebeurd is, reageert zij meteen: dàt is pas erg. Een verhouding, tot daaraantoe, maar een platonische, daar valt niet tegenop te neuken. Om zijn huwelijk te redden en om Streep niet meer te zien, neemt hij een job aan in Texas. Streep zelf is inmiddels bij hààr man eveneens door de mand gevallen: hij heeft haar aan de telefoon ‘adieu’ horen zeggen, dat was duidelijk genoeg. Er is niets gebeurd, en toch gaan beide huwelijken eraan kapot. Zo allesomvattend is dat niets.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De volgende Kerstmis is De Niro opnieuw in New York. Twee scènes zijn precies het omgekeerde van de beginscènes: De Niro luncht met een vriend die hem vraagt hoe het gaat. In het begin van de film was de vriend scheidende en De Niro gelukkig getrouwd. Nu is De Niro scheidende en de vriend staat op het punt om te hertrouwen.&lt;br/&gt;Idem met Streep en haar beste vriendin. Vervolgens ontmoeten De Niro en Streep elkaar opnieuw in de boekhandel waar ze elkaar precies een jaar voordien, bij de kerstinkopen, leerden kennen. Volgen beleefdheidsfrases en misverstanden. Alleen de kijker weet op dat moment hoeveel ze van elkaar houden, zijzelf niet. Je bent als kijker geneigd om zoals bij Jan Klaassen te gaan roepen. Maar je kunt moeilijk, in plaats van: pas op, kijk achter je! gaan roepen: ‘Zoen elkaar dan toch, godverdomme!’&lt;br/&gt;In elk geval had de film daar moeten eindigen.&lt;br/&gt;Daar eindigt hij bij mij ook: op mijn video heb ik het idiote happy end uitgewist. Ik heb een meesterwerkje dat niet bestaat.&lt;/p&gt;
&lt;hr class=&#34;article-section-break&#34;/&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Inmiddels zijn beide huwelijken kapotgegaan aan een niet voltrokken overspel. Dàt is pas romantiek, in een tijd waar vele huwelijken niet eens kapotgaan aan een tiental wèl opgebiechte overspeligheden.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Hoe speelt De Niro? Hij is architect-ingenieur, maar ik denk niet dat hij in de hele film een zin afmaakt. Hij hakkelt en zwijgt. Ik heb wel eens heimwee naar de films van de vroege jaren vijftig, omdat die zulke literaire scenario’s hadden. Elke dialoog verliep in perfecte one-liners, pang-pang-pang. Dat was verbaal genieten. De Niro spreekt in half-liners en meestal in kwart-liners. Hij kan ongelooflijk impressionant euh zeggen. Literair is dat een verlies, filmisch helaas niet.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Maar de essentie van de film wordt aangereikt door Meryl Streep. Ze staat zich klaar te maken voor een ontmoeting die wel eens in bed zou kunnen eindigen en staat minutenlang woedend voor de spiegel jurken te proberen, lijkbleek, koortsig, bijna onpasselijk van koketterie, gejaagd, woest d’r haar kammend, hysterisch bijna, doodsbenauwd dat ze de verkeerde jurk zou kiezen, doodsbenauwd ook dat ze de juiste zou kiezen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Daarover gaat de film. Over passie. Over het feit dat netzogoed een groot geluk als een soort drama kan zijn. Passie is groot, dat is eigenlijk alles wat erover te zeggen valt. En geluk is dikwijls klein.&lt;/p&gt;
&lt;hr class=&#34;article-section-break&#34;/&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Rudy Kousbroek heeft ooit twee types van jaloerse mannen onderscheiden: de jaloersigaard zonder reden, altijd achterdochtig zonder dat er ooit iets aan de hand is – en de man die een privé-detective inhuurt om zijn vrouw te laten volgen. Na een maand komt die met een rapport en fotobewijzen verslag uitbrengen. ‘Uw vrouw ontmoet elke middag een vriend,’ zegt de detective. ‘En dan?’ vraagt de opdrachtgever. ‘Dan gaan ze naar zijn huis.’ ‘En dan?’ ‘Dan drinken ze een aperitiefje.’ ‘En dan?’ ‘Dan gaan ze naar de slaapkamer.’ ‘En dan?’ ‘Tja, ik ben niet mee geweest in de slaapkamer,’ zegt de detective. Waarop de man: ‘O, die kwellende onzekerheid!’&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dat laatste type heeft gelijk. Overspel is niet belangrijk, zolang het maar niet de grote passie is. In dat geval is er geen enkele privé-detective die deugt. Als hij wel zou deugen, zou hij meer zeer geil maken. Want de vraag is niet of ze zuchtte, maar met hoeveel a’s ze aaah zei. En of ze boven de honderd hartkloppingen per minuut kwam. De detective die verwaarloosd heeft haar hartslag te meten, zou ik meteen ontslaan. Zijn er soms films die ze samen buitengewoon vonden? Hebben ze samen Falling in love gezien? Dat laatste zou ik net nemen, denk ik.&lt;/p&gt;
&lt;hr class=&#34;article-section-break&#34;/&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;“Je wil toch altijd iemands liefste zijn.” Het is de meest bijblijvende uitspraak uit een boek van een aantal jaar geleden, van Emma Brunt, over jaloezie.&lt;br/&gt;In die tijd was ik voor enkele vrouwen de tweedeliefste. Ik voelde me de Raymond Poulidor van de liefde. Je zou kunnen denken: dat helpt, drie keer de tweedeliefste is beter dan één keer de liefste. Maar dat klopt alleen voor de Super-Prestige.&lt;br/&gt;Is liefde dan competitief?&lt;br/&gt;Ja, natuurlijk.&lt;br/&gt;Je wilt toch altijd iemands liefste zijn: dat verschilt niet zoveel van: je wil toch altijd ergens de beste in zijn.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Gelukkig wil niet iedereen in hetzelfde domein de beste zijn, anders gaf dat een hoop verliezers, gelijk aan de wereldbevolking min één. Je kunt de verstandigste man van Europa willen zijn. Maar je kunt je ook, zoals mijn dochter, tevreden stellen met de beste hamsterverzorgster van de straat te willen zijn. Op die manier is het aan nogal wat mensen gegeven toch èrgens de beste in te zijn. En als je niet de beste bent, dan toch de aardigste, diegene van wie het meest gehouden wordt, ach nee, niet door iedereen, alleen door dat sproetenmeisje van om de hoek, nee, niet de mooiste van de straat, maar van alle lelijke de leukste. Maar hoe minimaal je het ook formuleert: het blijven superlatieven. Geef mij één superlatiefje om mee te leven. Laat mij van één iemand de liefste zijn.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Zondagsdichters</title><link>https://hermandeconinck.com/zondagsdichters/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/zondagsdichters/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 20:03:12 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;has-drop-cap wp-block-paragraph&#34;&gt;Ergens halverwege de jaren zeventig werd er in Amsterdam een paar jaar achter elkaar een festival van zondagsdichters gehouden. Remco Campert, Simon Carmiggelt en een paar wisselende anderen selecteerden daar dan telkens een poëziebloemlezinkje uit, dat werd uitgegeven door het literair café De Engelbewaarder. Daar stonden telkens wel een paar aardige gedichten in, en een enkele keer ook een echt onvergetelijk vers.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De onderwerpen waren voorspelbaar: veel leven en dood en rozegeur en maneschijn. Er zijn nu eenmaal niet zoveel onderwerpen in het leven: het leven – en dan heb je het wel zo ongeveer gehad. Alleen werd dat door deze zondagsdichters naïever en ongeremder-sentimenteel behandeld: er zat meer leven in deze zondagsgedichten dan in geschoolde poëzie, maar dan zoals kinderen ook wel eens te veel leven maken. Dat is wat ik me herinner.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik heb nog één zo’n bloemlezinkje, uit 1976. Als ik daarin terugblader moet ik echter constateren dat mijn herinnering niet klopt. Veel leven en dood, ja, maar geen rozegeur en maneschijn, wel echtscheiding en kanker en gastarbeiders en onbetaalde rekeningen. Kortom: meer ellende dan in de gecanoniseerde poëzie, door minder gefilosofeer weggewerkt. Onhandiger verwoord, maar zeker niet romantischer, nee, juist veel nuchterder. En met een overdosis politieke en maatschappelijke bewogenheid. Titels zijn: ‘Februari-staker’, ‘De gastarbeider’, ‘De handwerkjuffrouw’, ‘Gastarbeider twee’, ‘Boer’, ‘Woningnood’, ‘De koude voeten van een salonrevolutionair’, ‘Spaanse gastarbeider’ (de derde). Poëzie moet ergens toe dienen, denkt de zondagsdichter. Je schrijft ze op zondag, maar je moet er de maandag mee in kunnen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het mooiste gedicht uit dit verloren gewaande bundeltje vind ik ‘Cohen’ door Gerrit Hammink: de biografie van een ouwe demente man. Het begint met de meesterlijke regels:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Hij is van ’14. Ouders zonder poen.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Van hen viel slechts onkreukbaarheid te erven.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik vind het jammer dat dit zondagsdichtersfestival niet meer bestaat.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het zou een heel decennium duren voor Hans Warren nog eens iets vergelijkbaars deed: hij stelde in zijn Meulenhoffs Poëziekalender 1987 een aantal dagen van dat jaar open voor zondagsinzendingen. Ik heb de almanak van dat jaar schijtenderwijs afgescheurd zoals dat hoort, maar Luuk Gruwez heeft er in zijn essay Poëzie en schaamte een gedicht uit overgeschreven, dat hem liever is ‘dan het verzameld zweet van Peter Nijmeijer, Sybren Polet, Rein Bloem, Roger M.J. de Neef, Jan Elburg, H.H. ter Balkt e.a.’. Het gedicht is van ene Adriaan Korpel. ‘Alles wat de Nederlandse poëzie de jongste tijd moet derven,’ schrijft Gruwez, ‘is in deze regels aanwezig, kleinspraak en grootspraak in een juiste dosering, emotioneel lef, lyriek, kortom, leven.’&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het gedicht is haast betere Elsschot dan Elsschot en met de laatste strofe valt niks anders te doen dan haar onmiddellijk van buiten te leren:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Ik had nooit tijd voor lieve dingen&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;een kus, een woord, een teer gebaar. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Ik streek gedachteloos je haar &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;en liep verstrooid ‘High Noon’ te zingen.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Ik had geen tijd om speels te doen.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Ik was te jong te oud geworden &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;en gaf je slaperig een zoen &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;en zei genadeloos versleten woorden.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Ik had geen tijd je jurken te bewonderen,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;je dingetjes, je ringetjes, je lapjes goed. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;En zelfs je dood kon mij niet overdonderen, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;ik dronk een glas en kocht een zwarte hoed.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Men zegt: van deze tijd zijn wij de slaven.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Ik niet, ik ben altijd mijzelf gebleven. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;In mijn agenda staat geschreven: &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;19 Maart, de vrouw begraven.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Er is één groot verschil tussen zondagsdichters en zondagsschilders. Sinds le douanier Rousseau kunnen de laatsten een carrière uitbouwen en van hun naïviteit een gedeponeerd merk maken. Zondagsdichters kunnen dat niet. Hoe komt het dat ik zo zeker weet dat deze Adriaan Korpel nooit een tweede gedicht zal publiceren? Omdat dit gedicht een toevalstreffer was? Omdat je dit soort gedicht, gezien ook het onderwerp, maar één keer in je leven schrijft? Misschien. Maar het moet ook te maken hebben met het verschil tussen taal en verf. Olieverf wordt niet buiten de schilderkunst gebruikt, taal wel, overal en altijd, door iedereen. Daardoor is de taalslijtage zo groot, is de stapel uitdrukkingen die vanwege het vele gebruik niks meer betekenen zo onoverkomelijk hoog, dat de dichter nog slechts een clichéspecialist kan zijn: iemand die weet wat al gezegd is, zodat hij alvast niet meer hetzelfde zegt. De kans dat iemand zonder die clichégevoeligheid, een zondagsdichter, ineens een goed gedicht schrijft is onnoemelijk klein. Poëzie wordt met de dag moeilijker. Dat is zeer jammer, maar het kan niet anders. De allereerste dichter uit de wereldgeschiedenis kon misschien nog zeggen ‘ik hou van jou.’ Maar voor de tweehonderdduizendste dichter is het onbegonnen werk. En toch kun je niet anders dan er telkens weer aan beginnen. En hopen dat er bij al die ingewikkeldheid ook nog af en toe eenvoud wordt uitgevonden. Daar zijn zondagsdichters voor nodig, ook al schrijven ze maar één gedicht in hun leven. Om te verhinderen dat poëzie een zaak wordt van specialisten.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik wou u zo’n zondagsdichteres voorstellen. Een paar maanden geleden stak er in mijn brievenbus een pak poëzie, handgeschreven, met aandoenlijke lange lussen aan de g’s: het op een klare zondag overgeschreven verzameld werk van ene Rozette Servaes.&lt;br/&gt;Ze maakt heel voorspelbare fouten: de meeste van haar gedichten rijmen te naïef, zijn sympathiek omdat ze onhandig zijn, niet omdat ze goed zijn. Zo zit er in haar inzending een ode aan het Duvel-bier, waarbij ‘uw tong zich krult van louter deugd. / O, Duvel-bier, o wat een vreugd!’. Het staat niet zo ver af van een ode aan de Geperste Kop van beenhouwerij Vanderslagmolen. Maar enkele van haar gedichten stijgen daarbovenuit. Bij voorbeeld het volgende:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;ik wil weer praten met u&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;over parelmoer, geluid &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;van traag gestreelde huid &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;gevoelig tot in kerven. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;ik wil weer zwerven &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;met u, de mond dicht &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;bij de oren, een zacht gezicht &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;in twee handen. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;ik wil weer vier wanden &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;met u, waarbinnen een lamp, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;groot en rood, en ademdamp &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;en zachte roze woorden. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;ik wil weer de tred gaan &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;van uw tred, traag en &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;voet bij voet bij voet bij voet. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;en vertellen wat we zagen, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;want uiteindelijk had ik &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;vroeger nog nooit een &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;maanhorloge gezien.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De taal is misschien een beetje oubollig, parelmoer is wel heel uitdrukkelijk poëtisch, het woord tred doet denken aan een boerenpaard, maar van mij mag het, een beetje plechtigheid. Er is daarvan niet veel meer in voorraad in deze wereld. Zo kun je nog wel een paar bezwaren bedenken, maar bij een regel als ‘ik wil weer vier wanden met u’ geef ik me gewonnen: bij de vrijwillige gevangenschap van de liefde. En ook bij wat het ritme daarna gaat doen, plechtig worden – om ten slotte ineens ongeduldig, op een jongemeisjesholletje, het slot te verklappen. Het gedicht luistert niet naar de klassieke regels. Dat zal wel een kenmerk zijn van alle goede zondagspoëzie: ze is ongehoorzaam.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Die ongehoorzaamheid moeten we bewaren.&lt;br/&gt;Eén enkel gedicht van deze Rozette Servaes stijgt echter boven al haar andere uit, en ineens ook boven het verzameld werk van Noemmaarop. Het heet ‘Lommel’ en gaat over het soldatenkerkhof aldaar. Van dit gedicht zou een poster gemaakt moeten worden voor elke vredesbeweging van nu tot het jaar 2100. Het is dan ook geen gedicht van een dichter – want die zit in zijn ivoren toren te vergeten waar het in het leven om gaat – maar van een huismoeder die weet hoeveel een kilo suiker kost, en vanaf welke maand de asperges weer betaalbaar worden. En op die nuchtere manier weet ze ook hoeveel een oorlog kost.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Hier liggen geen soldaten&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;maar jongens die goed konden timmeren, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;beenhouwers, profeten en onderwijzers. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Ze speelden vroeger voetbal. Hier liggen &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;schilders, ramenwassers en dromers. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Ze droomden ervan een eigen café en &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;eethuis te beginnen. Ze namen vroeger centen &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;mee naar hun café, later hun lief &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;die nu alleen moet gaan. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Hier liggen geen soldaten maar herders &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;en boeren, metsers en heel jonge ministers. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;En bankbedienden. Winkeliers, tuinmannen, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;schrijvers. En veel vaders. Van nu en later. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Hier slapen kinderen van zeventien. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Hier slapen schouders en lieve jukbeenderen. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Hier slapen misschien drie echte soldaten, misschien vier.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In dit stukje staan drie gedichten geciteerd van onbekende dichters. Ik zou erg mijn best moeten doen om in de produktie van 1990 drie gedichten te vinden van gerenommeerde dichters waar je even lijkbleek van wordt. Soms hebben onbekende dichters iets gemeen met onbekende soldaten: die zijn meestal ook beter dan bekende officieren.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>De avonturen van een gedicht</title><link>https://hermandeconinck.com/de-avonturen-van-een-gedicht/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/de-avonturen-van-een-gedicht/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:59:32 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;has-drop-cap wp-block-paragraph&#34;&gt;Het begon met een bevriende zangeres die zelf een tekst geschreven had, een herinnering aan het huis van haar kinderjaren, met de vraag of ik van haar aanzet een liedjestekst kon maken. Nee, eigenlijk kon ik dat niet, het was hààr jeugdherinnering en niet de mijne. Maar van de poging hield ik wel een paar regels over, een herinnering aan blijven, “wat ouders deden, en wat daardoor alles ging doen: / een tafel bij een stoel, nu bij toen”.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zulke regels gaan bij mij in een mapje waarop “regels” staat. Te zijner tijd neem ik dat mapje ter hand met de vraag wat die regels eigenlijk van mij willen. Enkele weken later leek dat ze eigenlijk in een gedicht wilden staan over mijn dochter – dat een beetje dubbelzinnig tegelijkertijd ook nog een echtscheidingsgedicht wou zijn:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Zes jaar heeft ze geleerd wat blijven was:&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;wat ouders deden, en wat daardoor alles ging doen: &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;een tafel bij een stoel, nu bij toen.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Het meervoud van geluk was: wij.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Sindsdien heeft ze geleerd wat enkelvoud is. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Zij. Nu weer half van jou, morgen half van mij,&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;maar altijd half, en altijd bang.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Jij kunt beter moederen dan ik vaderen, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;kun jij haar leren hoe lang&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;altijd is? En mij hoeveel langer nooit? Hoe dat moet?&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Ik neem mij in mijn armen, jongen toch. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Maar ik help niet. Jij kon dat zo goed.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik was daar aanvankelijk best tevreden over, eigenlijk wou ik de moeder raken, een beetje schijnheilig laten zien hoezeer de dochter onder de scheiding leed, terwijl het eigenlijk de vader was. Dat laatste staat er ook wel in, hij neemt zichzelf in de armen in plaats van de dochter, de zielepoot, en ook met die zieligheid wou ik haar raken, ik denk dat ik haar op dat moment wou raken met al wat ik ter beschikking had, een beetje zoals Renate Rubinstein in Niets te verliezen en toch bang tegen beter weten in hoopte dat, als ze maar hartverscheurend genoeg haar ellende beschreef, haar ex wel terug zou komen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Sentiment in een gedicht: hoeveel kun je daarvan hebben? Ik vind het uiterst boeiend om te proberen hoe dicht je bij die grens kunt komen zonder erover te gaan. Maar dit was erover.&lt;br/&gt;Althans: dat vond ik in tweede instantie. Mijn eerste bezwaar was tactisch: zieligheid heeft geen sex-appeal.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het beste dat je met een gedicht in zo’n geval kunt doen is: laten liggen. Omdat het niet alleen een formele kwestie is, natuurlijk. Ik heb wel eens gezegd dat je een liefdesgedicht het best schrijft zonder verliefd te zijn, omdat het zo’n hachelijk genre is. Zo moet je een scheidingsgedicht bij voorkeur ook schrijven zonder verdriet. Of nà dat verdriet.&lt;br/&gt;Kortom: om zo’n regel te veranderen, moet je niet slechts een paar woorden veranderen, maar jezelf.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik denk dat ik het pas een goed jaar later nog eens probeerde. De verandering betrof alleen de slotregels:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Je kunt beter moederen dan ik vaderen,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;kun jij haar niet leren hoe lang &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;nooit meer is? En mij? Hoe ver is het nog? &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Ik neem mij in mijn armen. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Maar ik help niet. Jongen toch.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Veel is het niet, maar soms is een komma al veel. De vraag “hoe ver is het nog?”, zo’n dreinende kindervraag van op een familieuitstapje, maar door mezelf gesteld, niet door mijn dochter, vond ik van voldoende zelfironie getuigen om het larmoyante van de eerste versie te neutraliseren. En “jongen toch” was in de eerste versie iets dat ik klaaglijk tegen mezelf zei, wat hebben ze je aangedaan, terwijl het, eigenlijk alleen door het van plaats te veranderen, in deze nieuwe versie iets is dat ik nog altijd tegen mezelf zeg, maar met minder zelfmedelijden. Meer iets in de trant van: zie dat daar zitten.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Om nog een strofe te veranderen moest ik alweer een jaar ouder worden.&lt;br/&gt;In deze nieuwe versie was het ineens bijna een vrolijk gedicht. Nu pas was de pijn eruit. Maar in de ijver om dat goed te laten zien, was het té luchtig, althans alweer het slot:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Toen ze acht was, was ze tien.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Eén helft van haar gezicht lief, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;de andere liever. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Ze liet me winnen bij het ganzeborden.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Momenteel heeft ze vier ouders op een rij,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;twee echt, twee stief. Ze wint altijd. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Het meervoud van geluk is iets te veel geworden.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het is per ongeluk de meest karikaturale versie van dit gedicht die het meest onthutsende detail heeft onthouden. Want net als haar ouders leed natuurlijk ook de dochter toch wel onder de scheiding, in zoverre dat ze diplomate ging spelen om die ouders weer bij elkaar te krijgen, en dat die diplomatieke opdracht haar ouder maakte dan ze hoorde te zijn. Een kind van acht dat haar vader laat winnen in een spelletje, daar is iets mis mee. Maar nu is dat allemaal voorbij hoor, zegt vrolijk het slot. Ze heeft van alles twee, twee grote-vakantie-reizen, twee keer kerstcadeaus, twee keer zakgeld. Vier ouders: het meervoud van geluk is iets te veel geworden. Vrolijk? Ik weet het nog zo niet, ik vrees dat ik wou zeggen dat ik drie ouders oké vond, maar die minnaar van mijn ex was er te veel aan. Hoe lang duurt het tot ook die laatste bitsigheid eruit kan?&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;‘Hoe lang doet u over een gedicht?’ is een klassieke vraag bij poëzielezingen met gelegenheid tot vragen stellen. In dit geval drie jaar voor ik het probeerde op te schrijven, en daarna nog eens drie jaar. De voorlopig definitieve versie ziet er als volgt uit:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Zes jaar heeft ze geleerd wat blijven was:&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;wat ouders deden, en wat dus alles ging doen: &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;een tafel bij een stoel, nu bij toen. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Het meervoud van geluk was: wij.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Sindsdien heeft ze geleerd wat enkelvoud is.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Zij. Nu weer half van jou, morgen half van mij.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Toen ze acht was, was ze tien.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Eén helft van haar gezicht lief, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;de andere liever. Bang om te kiezen &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;tussen verliezen en verliezen.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Vandaag is ze gewoon twaalf.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Vier ouders, twee echt, twee stief. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Slapengaan moet met eindeloos gezoen.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Ze wint altijd. Ze heeft geleerd wat blijven is.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Wat ouders niet en kinderen wel doen.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik schrijf dit hier allemaal op omdat ik het boeiend vind om te zien hoe een gedicht groeit, hoe betekenissen verschuiven door op het eerste gezicht minieme ingreepjes, hoe je geen komma van plaats kunt veranderen zonder tegelijkertijd de hele inhoud te verschuiven. Ik heb het, excuseert u mij, over een eigen gedicht gehad, omdat ik daarvan toevallig nog de verschillende versies bewaard had. De wordingsgeschiedenis van andermans gedichten is uiteraard minstens zo boeiend, alleen had ik daar geen kladjes van. Met de tekstverwerker dreigt het grote gevaar dat vroegere versies voortaan niet meer worden bewaard. In elk geval is het geen ijdelheid: in dat geval had ik mijn eerste versie zorgvuldig verdonkeremaand.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Hoe groot mogen Grote Gevoelens zijn? Als je er poëzie over wil schrijven, wacht je best tot ze over zijn. Ooit komt er een rustige dag, waarop je al die pathetiek maar eens moet bekijken. Je moet het dan natuurlijk eerst opgeschreven hebben, anders ben je het kwijt. Er is voorschrijven, wat ook doktors doen, en schrijven, en naschrijven. Dan pas heb je een gedicht.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>De auto en zijn seksualiteit</title><link>https://hermandeconinck.com/de-auto-en-zijn-seksualiteit/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/de-auto-en-zijn-seksualiteit/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:58:00 &#43;0200</pubDate><description>&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;&lt;strong&gt;GREAT AMERICAN DREAM MACHINES&lt;/strong&gt;&lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;has-drop-cap wp-block-paragraph&#34;&gt;Toeval bestaat niet. Toen ik vanmorgen gauw even om de hoek ging tanken, stond er voor mij een ouwe, zo op het oog tien meter lange ceremonie-wagen rustig voor zich uit benzine te slikken. Hij was daar zeker nog een kwartier mee doorgegaan als de eigenaar niet had verordonneerd om bij 1000 frank te stoppen. ‘Ik heb er zo nog vijf in de garage staan,’ zei hij, ‘en de dag dat ik die allemaal laat voltanken, ben ik failliet.’&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Bij nader toezien bleek al die blikken staatsie een Imperial Le Baron uit 1960 te zijn: vooraan een glimlachend luxaflex-gebit, zowel links als rechts dubbelziende koplampen, en achteraan pure statigheid: twee hoge rugvleugels met achterlichten als zo meteen wegschietbare raketten, waartussen heel waardig wordt afgegleden naar een platte, majestatische kont, slechts met een duur sleuteltje open te krijgen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Een uur later trek ik ter redactie de Recensieboekenkast open en valt er een boek uit, Great American dream machines, ondertitel Classic cars of the ’50s and ’60s, waarin een foto van deze Le Baron. Een kijkboek. (Je kunt het natuurlijk ook tegen je oor houden, maar dan zie je niks.) Het meest opvallende erin is dat deze Le Baron helemaal niet opvalt. Het hele boek staat vol soortgelijke auto’s die zich lijken op te maken voor een wereldkampioenschap traagrijden.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ever Meulen heeft zo’n open-dak-slee wel eens als vrouw getekend. Open dak: zoiets als een schedeldak met niets eronder. ‘Niets eronder’ is altijd opwindend. Vraag: is een auto vrouwelijk of mannelijk? Hij is in elk geval pre-feministisch. Hij is om mee uit te pakken, dus mannelijk. Hij is lang, zie Le Baron, en ook lengte schijnt mannelijk. Lengte wordt met de handen aangegeven. Maar hij/zij maakt zich driedubbel op, dus is ze vrouwelijk.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Al dat chroom, het doet denken aan een vrouw die voldoende lipstick heeft voor een mond of drie. En zo lijken al deze auto’s dan ook te lachen: met een mond of drie. Allemaal blinkend gelipte voluptueuzigheid vooraan.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Maar ook achteraan. De Cadillac Fleetwood 59-60 heeft achterlichten als infrarood voorverwarmde vagina’s. Overdaad. Bij andere Cadillacs schiet staartvinverlichting uit agressieve v’s te voorschijn zoals lipstick uit zijn hulsje. En doet die lipstick dan weer niet aan iets heel mannelijks denken?&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Kortom de auto van de American Dream is zowel mannelijk als vrouwelijk, ik zou er zelfs geld op durven te verwedden dat hij opzettelijk met al die seksuele symboliek is uitgedesigned, op een bestudeerde fifty-fifty-basis. Geld is trouwens nog zoiets. Uit wiens zak komt dat in dit geval? Of komt het uit het preutse gleufje van een portemonnee? Allemaal vragen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Eén zekerheid is er. Ik had in die tijd een neef, vijfentwintig jaar ouder dan ik, een mankepoot, een artistiekeling, een amateuristische pianoleraar, en nog amateuristischer landschapsschilder, een ziekelijk schoolverzuimer die dank zij de avondschool binnenhuisarchitect geworden was, en die had derdehands gekocht: een 1954 Studebaker Starliner, ontworpen door Raymond Loewy, de designer van de coca-colafles en van de rondste ijskast aller tijden. Die Studebaker, ik had er alleen een Dinky Toy-versie van, is de mooiste auto die er ooit is gemaakt.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dit gezegd zijnde wil ik wel toegeven dat je er zelf vroem-vroem bij moest zeggen, althans bij de Dinky Toy, maar ook zo piepklein had hij zijn witte bandjes, zoals een zondig eerste-communiezieltje zijn witte randjes heeft. Deze Studebaker was niet overdadig, zoals zijn chromen soortgenoten uit dit boek. Hij wàs geen soortgenoot. Hij was zichzelf, voor Amerikaanse normen bijna een understatement van een auto, lager bij de grond gestroomlijnd, en lijnend in de twee betekenissen des woords bijna, ach, die lijn, iets met een snelle elegante pen getekend, en daar hield hij zich aan, zo zelfbesloten als hij was.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het zou best kunnen dat de Studebaker daardoor een gevaar op de weg was. Elke andere Amerikaanse blikkeraar zag je in het zonlicht kilometers ver komen aanflashen, de Studebaker wàs er ineens, bijna chroomloos, sober, genadeloos en was meteen ook voorbij.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zo verging het mijn neef eigenlijk ook. Hij stierf, nauwelijks veertig, op het moment dat ik, nauwelijks vijftien, juist had besloten me definitief door hem te laten beïnvloeden.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Misschien heeft hij dat toch gedaan, mij beïnvloed, door die Studebaker van hem: die ene snelle lijn, waarvoor je er 5357 andere weggooit. Studebaker Starliner heette de auto. Rob Ackermans heette mijn neef. Ik ben blij dat zijn naam nog eens in een boek mag. Hij kon voorberijden als geen ander.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Over de troost van pessimisme</title><link>https://hermandeconinck.com/over-de-troost-van-pessimisme/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/over-de-troost-van-pessimisme/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:54:54 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;has-drop-cap wp-block-paragraph&#34;&gt;Toen ik ooit lesgaf, poëzie, aan jongens die daar helemaal niet om gevraagd hadden, was de eerste vraag: moeten we dat kennen voor het examen? Nee, voor het leven, zei ik. En de tweede vraag was: waartoe dient dat dan?&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik vond dat een erg domme vraag, en probeerde kwaadaardig te onthouden wie ze gesteld had. Poëzie dient namelijk nergens toe, en dat is op zich al een verdienste. Deze wereld wordt verpest door zijn utilitarisme, als iets niet meteen winstgevend is, deugt het niet. Dus leve het nutteloze. Waartoe dient een wandeling door het bos? Hoeveel is dat waard? Wat mag zo’n bos kosten? Hoeveel kost stilte?&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Bij dit soort vragen denk ik altijd aan het gedicht “Ziekenbezoek” van Judith Herzberg:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Mijn vader had een uur lang zitten zwijgen bij mijn bed.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Toen hij zijn hoed had opgezet&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;zei ik, nou, dit gesprek&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;is makkelijk te resumeren.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Nee, zei hij, nee, toch niet,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;je moet het maar eens proberen.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik zei dus: precies de nutteloosheid van poëzie is een protest tegen al wat in deze wereld aan de orde is. Dit is een maatschappij van hebben. Poëzie hoort tot het rijk van het zijn. Eigenlijk zeg ik dit achteraf. Als ik het toen gezegd had, was ik een goeie leraar geweest. Het was wat ik ongeveer had kunnen zeggen, had ik niet met de mond vol tanden gestaan. Hoe langer ik sindsdien echter over die vraag gedacht heb, hoe minder dom ik ze ging vinden, maar hoe onvollediger mijn antwoord erop.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Poëzie dient namelijk wél ergens toe. Het zou te gemakkelijk zijn, dat te bewijzen met voorbeelden van geëngageerde poëzie, Neruda, Brecht, Nicolas Guillèn: daar krijg je eventueel nog een bruikbare verontwaardiging van mee, een protest waar mee te werken valt. Net zoals religieuze poëzie, voor wie gelooft, nuttig kan zijn, omdat ze je nader brengt tot.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Maar om het moeilijk te maken wou ik het hieronder nou net hebben over bijvoorbeeld de vraag: wat is de zin van religieuze poëzie, voor wie niet gelooft?&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Een van de dingen waar poëzie toe bijdraagt, is begrip. Daar hoort eigenlijk al bij dat je poëzie op het eerste gezicht vaak niet begrijpt. Zelfs als het lijkt van wel, is zo’n eerste indruk nogal eens bedrieglijk. “Lees maar, er staat niet wat er staat”, zei de toch alleen maar in allerbegrijpelijkst Nederlands schrijvende Martinus Nijhoff al.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zo heeft Tom van Deel ooit gesuggereerd dat Koplands populariteit in Nederland wel eens op een misverstand zou kunnen berusten, op een verkeerd, sentimenteler, optimistischer menen te begrijpen wat er staat. Hij illustreerde dat met een voorbeeld uit eigen ervaring. Hij had altijd gedweept met de regel van Marsman “Slaap met het donker, vrouw, slaap met de nacht”. Een pracht van een slaapliedje, dacht hij, een tedere aanbeveling, die hij in tijden van verliefdheid halve dagen voor zich uit liep te fluisteren. Tot hij in het boek van René Verbeeck over Marsman leerde dat die regel de strengste afwijzing van de vrouw inhield: de dichter, de ziener, behoort tot het domein van het licht, de dag, en wijst de vrouw met gebiedende gestrekte arm onverbiddelijk terug naar haar domein, het troebele, het donker, het hem in verwarring brengende.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Onlangs heb ik trouwens iets gelijkaardig ervaren. Eugène Van Itterbeeck, organisator van het een beetje megalomane Europese poëziefestival te Leuven, alwaar ik gevraagd was om zowat het meest tragische gedicht voor te lezen dat ik ooit geschreven heb en nooit meer hoop te schrijven, “Verjaardagsvers”, vond mijn optreden aldaar “heel leuk, heel leuk”.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het is echter juist vanwege die altijd op de loer liggende verkeerde interpretatie, dat poëzie behoort tot de sfeer van behoedzaamheid, van voorzichtig de dichter laten zijn wat hij misschien zelf nog niet weet dat hij is.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Toeëigeningspogingen, zoals van katholieken die vonden dat Henriëtte Roland Holst op ‘t eind van haar leven een katholieke dichteres was geworden, of van traditionele dichters die in de jaren 50 Leo Vroman eveneens tot traditioneel uitriepen omdat hij nog rijmde, terwijl experimentelen hem experimenteel wilden verklaren omdat hij tussen die rijmen in zo volstrekt eigenzinnig met woorden tekeer ging, zijn net daarom zo potsierlijk, omdat ze de poëzie wezensvreemd zijn. Poëzie is bij uitstek het domein waar niet toegeëigend wordt.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het domein van het begrip, in tweeërlei zin: begrijpen van wat er staat, en dat nooit te vroeg voor elkaar menen te hebben, én begrip opbrengen voor wat je hebt menen te begrijpen. Het meest zinnige argument dat ik ooit heb gehoord ten gunste van de klassieke humaniora, voor al die uren Latijn en Grieks waar je verder niks mee doet, voor al die schrijvers van wie je nooit de schoonheid, alleen de grammaticale moeilijkheden ontdekt, is dat je er eerbied voor een tekst mee leert, voor nuanceringen, voor de ingewikkelde structurering van een volzin, kortom, dat je ermee leert toch zeker niet te lezen wat er niet staat, omdat je al last genoeg hebt met wat er wél staat. Dat geldt zonder meer ook voor poëzie, vooral wat die nuancering betreft. Ik ken in de hele wereldliteratuur geen gedicht dat genuanceerder is, zintuiglijk genuanceerder, dan Rilkes “Die Flamingos”:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;In Spiegelbildern wie von Fragonard&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; ist doch von ihrem Weiß und ihrer Röte&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; nicht mehr gegeben, als dir einer böte,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; wenn er von seiner Freundin sagt: sie war&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;noch sanft von Schlaf. Denn steigen sie ins Grüne&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; und stehn, auf rosa Stielen leicht gedreht,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; beisammen, blühend, wie in einem Beet,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; verführen sie verführender als Phryne&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;sich selber; bis sie ihres Auges Bleiche&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; hinhalsend bergen in der eignen Weiche,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; in welcher Schwarz und Fruchtrot sich versteckt.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Auf einmal kreischt ein Neid durch die Volière;&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; sie aber haben sich erstaunt gestreckt&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; und schreiten einzeln ins Imaginäre.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dit moet zowat het subtielste zijn wat met taal mogelijk is, het lichtste ook, met die zware filosofentaal. Om te beginnen was Fragonard al een subtiel schilder van salonachtige verfijndheden, die hij liever in een spiegel wazig liet weerkaatsen dan ze in haarscherpe rechtstreeksheid te schilderen. Maar ook in die spiegelbeelden is van het wit-rood dat flamingo’s met zich meedragen op hun hoog uit de werkelijkheid opstijgende poten – dat ze meteen meenemen naar de hogere regionen van zichzelf, daarboven – niet méér gegeven dan als iemand van zijn vriendin zou zeggen: ze was nog zacht van slaap. Dit moet zowat het wereldrecord zintuiglijke geraffineerdheid zijn. En tegelijkertijd zegt deze strofe: daarmee is eigenlijk nog steeds niets gezegd. Het meest geperfectioneerde woordpastel dient alleen om de eigen onmacht te ervaren. Ook al zou je 2.534 kleurtjes in je doos hebben, dan stuit je nog altijd op een tafereel waarvoor je het 2.535ste kleurtje nodig hebt.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ter verdere verduidelijking: Phryne is volgens Van Dale een hetaere uit de vierde eeuw voor Christus, die o.a. voor beeldhouwer Praxiteles model stond. Toen ze van heiligschennis was beschuldigd, ontblootte haar verdediger, voor de ogen van de rechters, haar boezem: de rechters konden het toen niet over hun hart verkrijgen een zo goddelijk schone vrouw ter dood te veroordelen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Op dezelfde manier verleiden Rilkes Flamingos zichzelf, net zoals Rilke zichzelf met zijn taal verleidt, tot een hooghartig eenzaam schrijden in ‘t Imaginaire. Ik begrijp niet hoe je na lezing van dit gedicht ooit nog (taal)zekerheden zou kunnen hebben. Mij heeft een leraar Duits dit op mijn zestiende aangedaan, en sindsdien ga ik op de tast door het leven. Sindsdien ook vind ik mijn eigen onzekerheden en voorzichtige aftasterijen waardevoller dan elke overtuiging.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik ken in het Nederlands niemand die zozeer deze over 24,6 vingertoppen beschikkende, gedétailleerdheid van voel-vermoeden bezit, behalve misschien Fritzi ten Harmsen van der Beek.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ze heeft al meer dan een ander namen nodig om te zeggen wie ze is, en zo heeft ze in haar gedichten nog veel meer woorden nodig om bijna niets te zeggen. Ze is de pianiste met 24,6 vingertoppen, spelend op een piano waarop elke komma zijn toets heeft. Ze is de dichteres met het grootste aantal adjectieven ter wereld, en daarmee tastend naar niets. En ze is dronken. Ze heeft konstant pijn aan haar verfijning, die is namelijk voor betere dingen bedoeld dan waar je in deze wereld mee te maken krijgt. In haar gedichten delireert ze er dan ook alleraardigst op los, misschien iets teveel nergens over gaand, maar vind maar eens een onderwerp dat geraffineerd genoeg is voor dit taal- en weemoedsapparaat.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Interpretatie van het uitzicht.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Verschillende bomen in deze verdoemde tuin&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; stellen godzijdank nog perk en paal aan&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; een oude man die daar gedurig loopt, zonder&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; hoed, zwart als een krent in grauw gebak van&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; licht en landschap, ja een man van ziekte. Zwak&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; maar taai en onbeschoft. Hij draait, de afgeleefde&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; kreeft, in kringen om mijn vijvers, der seizoenen dolle&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; dolle naald deert hem, verstokter, blijkbaar niet.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; En de verlegen bleke regen al weggebleven is, de doorluchtige&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; wind, voortvluchtig, in het geheime hout ontweken.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; En heerst verwildering alom en willekeur haakt&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; bladerloos aan de ontdane hagen waarlangs aarzelend&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; zijn zachte schunnige verwoesting vaart. En niemand kan&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; hem keren waar hij zeverend door mijn bezeerde heesters breekt&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; en bevend speeksel kwijt langs mijn beleefde kleine twijgen.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Van de vlugge lustige vogels geen hulp meer te verwachten is nu&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; de heilige reiger zelfs al ochtendlijk is uitgeweken achter de&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; geschonden horizon. Het is te hopen dat de mooie rode autobus&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; die alle oude mensen later af komt halen, hem nu spoedig&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; over rijdt naar ongenadiger terreinen, naar jachtvelden van&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; eeuwig asfalt, waarin overal verschroomde bakken voor zijn&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; rochels en de uitgekauwde stompen van zijn stinkende sigaren.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Want al mijn vijvers liggen dicht, mijn paadjes raken&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; zeer vertrapt, de schuwe schepselen hebben mijn struikgewas&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; verlaten, mijn heerlijkheid ligt braak. O keer, keer&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; welluidende wind, verliefde regen weer tot aan mijn&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; haveloze heuvelen.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Je moet misschien even over iets zwakkere beginregels heen, maar dan beland je in een trefzekere temerigheid, in een schampere schendbaarheid, in een allerovergevoeligst gezeur, in een allerboosaardigst gefoeter, in de goedertieren onberekenbaarheid van een vrouw die net als Rilke taal verleidt in plaats van schrijft. Om het leven aan te kunnen, heb je een zekere plompheid nodig. Om het niet aan te kunnen: talent. Dàt soort talent heeft Fritzi ten Harmsen van der Beek in zeer alkoholische mate.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Behalve dat poëzie je de luxe van nuanceringen, de voorzichtigheid van bij elkaar geaarzelde verfijndheden, letterlijk doet begrijpen, doet ze je ook begrip opbrengen voor wie ze verzamelt. Literatuur is aanvullende mensenkennis.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dat geldt misschien meer voor de roman dan voor poëzie: ik loop niet zo hoog op met God, heb ik in een boutade wel eens beweerd. Tolkien en Vestdijk bv. hebben boeiender werelden gecreëerd dan hij.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Poëzie leert je misschien minder dan de roman rare types kennen, zonderlingen met collectioneerwaarde. Poëzie laat je echter wel fundamentele houdingen begrijpen. Ik loop niet zo hoog op met decadentie, bijvoorbeeld, maar Fritzi ten Harmsen mag van mij decadent zijn, omdat ze er meteen de wanhoop bij levert van waaruit ik er kan inkomen. Zo beschouwd is begrip de vergrotende trap van begrijpen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Vooraf misschien nog dit. Ik vind begrip als deugd niet het absolute einde. Ook niet het begin, maar een deugd voor ergens middenin.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Onbegrip deugt niet, dat ressorteert onder de domheid en dat is het ergste dat er is. Dan komt begrip: wil je ergens over oordelen is dat niet het einddoel, maar wel een absolute voorwaarde. En dan komt het oordeel. Zo kan ik zeer negatief oordelen over iets of iemand waar ik toch alle begrip voor heb. Maar ik kan niet oordelen over iets of iemand waar ik alleen onbegrip voor heb: op een kapotte weegschaal kun je ook niks afwegen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik wil dit er maar bij zeggen omdat je ook aan teveel begrip ten onder kunt gaan, als het inderdaad letterlijk het einde wordt: op de duur kom je je fauteuil niet meer uit, van al dat begrip.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Maar nou is een van de charmes van poëzie inderdaad, dat je daar begrip als reinkultuur kunt hanteren. Oordelen is onaangenaam, ik zou niet graag rechter zijn, alleen: soms moet het. Poëzie is echter het domein dat je van dat oordeel ontslaat. Even toch. Omdat het een ander oordeel in de plaats stelt: of het goeie of slechte poëzie is.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Op die manier zijn in poëzie dingen mogelijk die daarbuiten ondenkbaar zijn, voor mij althans. Dat ik ooit zou heulen met de metafysische somberheidsgedachten van Adriaan Roland Holst, geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt. Maar in een gedicht als het volgende, uit “Een winter aan zee”, van een bijna archetypische bondigheid, bestaande uit woorden die van pure korzelige spaarzaamheid tegen elkaar opbotsen, mag het van mij:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Afnemend omoorlogen&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; de stralenden nog maar&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; de ster, en zienderogen&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; valt ander donker dan&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; van de avond. Het vanwaar&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; weet geen, doch soms bemerken&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; in een windstoot ervan&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; eenzame al vale vlerken&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dat ik ooit bewondering zou opbrengen voor het strengste calvinisme, de lippen op elkaar geklemd van morele benepenheid, verre van mij. Maar laat Ida M. Gerhardt maar doen. Laat heel dat oeuvre, dat aan mekaar hangt van gedegen grootspraak (terwijl ik toch die regel van Hanny Michaelis boven mijn bed heb hangen: “als er dan met alle geweld spraak gemaakt moet worden, dan liever kleinspraak”) dan inderdaad maar bekroond worden. En dat knarsende plichtsgevoel. En die grootsheid, die uit het museum voor letterkunde ontleende galataal, laat die nou maar even haar koperen galm. Laat er in deze tijd van joggen nog maar even taalkundig geschreden worden:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Tussenuur&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Midwinterdag. De geur van oude jassen,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; de gang met kalken licht om in te dwalen;&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; een schateren – grindstorting – uit een klasse;&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; en dan hoort men de school weer ademhalen.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt; Dit is mijn land. Ik zal niet meer verkassen:&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Dr. I.G.M. Gerhardt, oude talen.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Vergeef mij, God, mijn duizendvoudig falen.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Ik kon dit nimmer in mijn schema passen.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt; En rebelleerde. Maar ik ben gezwicht:&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Te sterk zag mij mijn werk in het gezicht.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Het is mijn prachtige, mijn hondse baan.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt; Waar staat van wandelen voor Uw aangezicht?&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Een tussenuur. In deze geur, dit licht.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Het is mijn arbeid, en Gij ziet mij aan.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Of laten er voor een ver van mij staand gevoelen als haat ook maar woorden gevonden mogen worden. Of schreef Du Perron in onderstaand gedicht over begrip, en hoe dodelijk dat soms kan zijn? Het is alleszins van een superieure toegeeflijkheid. Het is bovendien een illustratie van hoe een gedicht boven zichzelf, boven zijn miezerige aanleiding uitstijgt. Hoe het van een verlies tot een overwinning wordt. Dat gebeurt met taal. Maar dat gebeurt ook met gevoelens. Ook aan gevoelens wordt volop gewerkt in de smidse van het gedicht. Taal is alleen maar de hamer, om er gevoelens mee te smeden als ze heet zijn.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik kan me best voorstellen dat Du Perron het moeilijk vond om afscheid te nemen van zijn onderwerp, zijnde een vrouw. Dat hij dat afscheid schrijvenderwijs heeft gemaakt. In dat geval heeft hij niet alleen een gedicht gemaakt, maar ook een gevoel. Hij heeft al schrijvende een gevoel dat hij niet had, uitgevonden. En hij heeft dat zo meedogenloos gedaan dat iedereen die na hem de harde wil uithangen, hier een tekst krijgt bij wijze van oefening. Een soort karate-training voor sentimentelen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;P.P.C.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Vaarwel, Clary. Ik wens u geen geluk.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Zoiets klinkt dom, bij hen reeds die het menen.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Gij hebt u goed verkocht. Maak u niet druk&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; over de rest: want alle mensen wenen.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Uw huis was klein. Uw heer heeft het vergroot.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; De bron van zijn fortuin heet niet te stelpen.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Uw roem wordt groot en duurt wel tot zijn dood.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Uw ziel is klein. Ik kan het niet verhelpen.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Uw lijf is goed. Gij zijt een mooie vrouw.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Gij zult uw heer veel mooie kinderen baren.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Uw hart is nauw: gij blijft hem ook wel trouw.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Gij zult hoogstaan en goed uw naam bewaren.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Vaarwel, Clary. Mij zult gij niet meer zien.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Ik zal u mijden, zelfs tot in uw dromen.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Gij waart mijn droom, voor ik u had gezien.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Gij zijt uzelf. Ik minacht u volkomen.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het sterkste voorbeeld van hoe poëzie niet alleen met begrippen, maar ook met begrip werkt, vind ik nog altijd dat het gedichten zijn geweest die me een verschijnsel als pedofilie hebben doen begrijpen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het moet mijn zoontje niet overkomen, maar laat het maar in de prachtige muziekdoosjes van Wilfred Smit thuishoren. Of, omdat ik die elders al wel geciteerd heb, in de veilige omheining van een sonnet van Willem de Mérode: “Apollon Archaïque”.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Het rood granietblok stond hoog opgericht&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; in ‘t midden van de hete binnenplaats.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; En in de steen, als in een droomgezicht,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; verscheen de jonge scherpte eens gelaats,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; dat onverbidlijk zich zijn blik toewendde.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Het gladde strakke lichaam scheen bereid&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; de sprong te maken naar de manlijkheid&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; die reeds een macht was in zijn smalle lenden.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Zo stond hij vele lange hete stonden.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; En vele glansen hebben zich verbonden&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; tot glimlach die zijn hele lichaam droeg.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Tot op een avond toen het bloed verstilde&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; de meester hem met welbewuste milde&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; en scherpe beitel uit het steenblok sloeg.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Of is dit al geen pedofilie meer, maar efebologie? Want voor elke leeftijd geldt een ander moeilijk woord. Hoe dan ook, een geilheid die me anders vreemd zou zijn, wordt me hier taalkundig overtuigend aangepraat. En ik kan me voorstellen dat een onderzoeksrechter na lezing van dit gedicht anders oordeelt dan voordien.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Maar daarnaast gaat dit gedicht ook over de poëzie zelf, al heeft het daar het beeld van de beeldhouwer voor nodig. Het is een gedicht over het maken van poëzie. Over het geduld dat daarbij nodig is en over hoe je het geheel dan uiteindelijk toch nog kado moet krijgen: het bloed moet verstild zijn, zeker als het over zo’n passioneel thema gaat, en er moet afstand genoeg zijn om tegelijkertijd mild én scherp toe te slaan. Het resultaat is dan dat je én iets gemaakt hebt, én het al makend uit je losgekapt hebt. Want net als in het voorgaande gedicht en in alle goeie gedichten, wordt hier onderweg iets gekreëerd dat er voordien niet was. De slotsextetten geven er zelfs een overwinnaarstoon aan mee, iets juichends van het-is-gelukt, om het even om welk initiaal gevoelen het ook ging. Elk gedicht is een overwinning op zijn eigen onderwerp. Het vertrekt daar wel van, maar dat is alles. Het tranerigste liefdesgedichtje is geen goed gedicht als het onderweg niet op z’n minst dat tranerige is kwijtgeraakt, om bijna te eindigen in de vreugde van een zo definitief verwoord allemans-verdriet, dat het ik ermee vergeten is. Het ik is achter de rug. Een slotregel van een gedicht staat bij wijze van spreken altijd in de wij-vorm. De dichter die schrijft, daarmee zijn lief bedoelend: “Ik ween om bloemen in den knop gebroken” heeft daarmee twee dingen gedaan. Eén: afstand genomen van zichzelf, anders kom je er toch niet op jezelf met zo’n bloem te vergelijken zeker, en, twee, veralgemeend: hij weent om àlle bloemen in den knop gebroken. Dat geeft troost. Poëzie werkt volgens het paradoksale principe dat het hele wereldleed makkelijker om dragen is dan het zo minieme strikt eigen leed. Misschien is dat wel wat de Grieken met catharsis bedoelen. Hoe dan ook: ook die troost maakt de dichter.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Kritiek trekt nogal gauw de conclusie: dit is helemaal de dichter. Nee, dit is net wat de dichter niet is. Wat hij mist, en daarom maakt hij het. Je maakt meditatieve poëzie, omdat je normaal gezien niet aan die bezinning toe komt. Je maakt rust omdat je die niet hebt. Je maakt gedichten over de dood en over het sterven, omdat je die gevoelens wil verkennen, om ze beschikbaar te hebben tegen de tijd dat je ze nodig hebt. Poëzie is een poging om emotioneel self-supporting te zijn. En wat je mist, maak je erbij. Met dien verstande dat je ook aan het perfekte gemis behoefte kan hebben. Dat houdt dichters gaande. En hoe groter dat gemis, hoe meer reden om bezig te blijven. Want gemis is positief. Het is de gave om niet alleen te zien wat er is, maar ook nog wat er allemaal aan ontbreekt.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Anton van Duinkerken heeft ooit eens een aardig boekje geschreven “Mensen hebben hun gebreken”, over het feit dat Ronsard doof was, en om dat te kompenseren de welluidendste verzen schreef die het Frans tot op heden heeft voortgebracht. En over het feit dat Homeros blind was en om dezelfde reden zo’n alomvattende “epische blik” ontwikkelde. Zo ook vertrekt Willem de Mérode hier van een, blijkens een voordien uitgezeten gevangenschap, niet getolereerde jonge-jongens-impuls, maar hij maakt er onderweg drie onderwerpen tegelijk van: het gaat én over die jongensliefde, het gaat over de beeldhouwer die ze glorieus uit zich weghouwt, het gaat over de dichter zelf die ze tot de definitieve bekijkbaarheid van een sonnet skulpteert. Hoe je van een gegeven méér maakt dan er in zat. Met bouwdozen lukt dat niet, met poëzie wél.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Poëzie maakt van gevoelens, van sentimenten dingen die niet langer dienen om ze te verdringen, maar om ze te hebben. Om ze erop na te houden, ongeveer zoals je er personeel op nahoudt. Met toch wel een beetje afstand.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Een bibliotheek is een eenvoudiger soort maatschappij, een idealer soort maatschappij ook. Het mag er allemaal naast en door elkaar bestaan. Alles is er even marginaal. Het zijn allemaal boeken, dat is het enige wat ze gemeen hebben, en ze staan allemaal rechtop, rug aan rug, dat is de solidariteit van een bibliotheek. En toch zijn ze allemaal onderling verschillend, want twee keer hetzelfde boek koop je niet.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wie zal ik vandaag eens zijn, schijnt Maria Vasalis in onderstaand gedicht te denken, en ze loopt superieur langs de bibliotheek van haar mogelijkheden:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Als daar muziek voor is, wil ik het horen:&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; ik wil muziek voor oude mensen, die nog krachtig zijn,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; en omgeploegd met lange, diepe voren&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; en ongelovig. Die de wellust en de pijn&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; nog kennen. Die bezaten en verloren.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; En als er wijsheid is, die geen vermoeidheid is,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; en helderheid die geen versterving is,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; wil ik die zien, wil ik die horen.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; En anders wil ik zot en troebel zijn.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Goed, begrip was de comparatief van begrijpen. De superlatief ervan is troost. De hele wereld begrijpen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Troost werkt volgens een eigenaardig mechanisme. De essentie ervan beluister ik in een gesprekje dat ik ooit ergens diep in de Kempen mocht opvangen tussen een vader en een zoon, allebei op de stoep voor hun huis gezeten. Na lang zwijgen zei de vader: “jaja”. Waarna vijf minuten stilte. Waarna de zoon peinzend: “ja”.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het is geen pessimisme, het is zeer zeker geen optimisme, het is een melancholische waarheid en het berusten daarin. En daarna weer op stap gaan. En die rust vind je niet dromend over hiernamaalsen, in aards paradijsfantasieën, die rust of die troost vind je net in de ontkenning daarvan, in de bevestiging dat ze niet bestaan. Rust vind je niet in de droom, die maakt onrustig. Rust vind je in de verdrietige waarheid. Zo is het nu eenmaal. Jaja.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zoals Jan van Nijlen in het hiernavolgende gedicht: de troost zit ‘m niet in het feit dat hij zichzelf van alles tracht wijs te maken, maar in het besef dat alles onherroepelijk voorbij is.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;En thuisgekomen in de zwoele stad,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; gelukkig weer, en toch weer ontevreden,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; vraag ik mij af waarom alleen t verleden&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; mij, altijd weer, t enig geluk geeft dat&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; voorgoed beklijft, waarom t geluk van heden&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; mij minder boeit dan t geen ik eens bezat:&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; ‘t is of men stijgt langs een steeds steiler pad,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;en alles wat men liefheeft ligt beneden.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Hier, in mijn kamer, lang na middernacht,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; de ramen open op de sterrennacht,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; kan ik weer luisteren naar mijzelf en stil&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; gelukkig zijn gedurende een paar uren.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Dat is wat overblijft van de oude vuren,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; en van de jeugd en van de maand april.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dat werkt allemaal ook door in de liefde. De mooiste bundel van Hans Andreus is “Sonnetten der kleine waanzin” en het mooiste sonnet daaruit is nr. 16. De grote waanzin zal wel het leven zelf zijn, de kleine waanzin is dan in dat absurde leven toch nog proberen van iemand te houden. Dat is waanzin omdat het toch nooit lukt, schijnt Andreus te denken. Wat zou je de ander geven, er is niks. Je leeft niet echt, je leeft alleen negatief: in de vorm van wat je allemaal niet bent. Dus degene die je de ander wil cadeau doen, bestaat niet eens. Je zou iemand willen zijn, jezelf bijvoorbeeld, al was het maar om de ander een plezier te doen, maar je bent niemand, en die ander evenmin. Dit gedicht grijpt aan zoals een bedelaar die een andere bedelaar ziet en koortsachtig in zijn zakken zoekt naar een vijf frank stuk, maar er helaas zelf geen heeft, het gaat over het meest hopeloze soort verbondenheid:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Ik heb je lief. Men kan het niet, nooit helpen.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Jij bent de aarde en wat daarbij is.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Ik leef niet meer. Ik leef van je gemis.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Ik ben een wond. Ik ben niet meer te stelpen.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Jij bent hier niet, ik ben hier niet, waar leef ik,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; waar leef jij? Wij weten niet wat er gebeurt.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Wij hebben ons beste leven verbeurd.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Alles is geweest. En wat nu, wat geef ik?&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Ik schrijf mijn woorden met lichaam en handen,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; spreek met een stem die aan mij kapotgaat.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Ik ben die liefde en ik ben die haat&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; en jij bent die ik ben. Liefste, wij branden&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; verschrikkelijk in onze arme staat.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Er is haast niets meer dan ons leven laat”.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt; “Deze lente gaat het toch weer&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;over jou hoewel ik er langzaamaan&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; wel moe van ben&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; moe van regen, wind, flarden&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; bedrieglijk blauw in de lucht,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; vage beloften van het einde&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; van de kou.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; Ik weet wel dat ik toch weer&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; van je hou, maar moeizaam soms,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; met dat doelloze&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; van vogels die er van lijken&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; te houden in regen en wind&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; te blijven rondhangen&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt; boven het land.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dit is een mooie aanleiding om er even Vestdijk bij te pas te brengen. In “De glanzende kiemcel” noemt hij als een van de kenmerken van poëzie haar concentratie. Poëzie concentreert, vergeleken bij proza, al door zijn grote beknoptheid, poëzie is korter, gebalder, er staat wit omheen. Een roman gaat over welbepaalde figuren, Jozef Huppelepup en Maria Speermalie. Een gedicht gaat over iedereen, een vrouw in een gedicht is niet Maria, maar, zelfs als ze zo genoemd wordt, dé vrouw.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Alle romans van Louis Paul Boon spelen zich tezamen af in Aalst. Elk gedicht speelt zich overal af. Poëzie concentreert in de ruimte. Maar ook in de tijd. Een roman speelt anno zoveel, een gedicht altijd. Doordat een gedicht ook niet gaat over deze ene ervaring, maar over alle voorgaande en toekomstige gelijkaardige ervaringen ineens. Daar is dit Kopland-gedicht een fraai voorbeeld van. Twee keer staat er “toch weer” in de tekst. En daar gaat het dan ook over. Als je het negatief wil samenvatten gaat het over “weer”, nog maar eens, voor de zoveelste keer, “hoewel ik er langzaam aan wel moe van ben”. Het gaat precies over die herhaling. Wat dat betreft is het een pessimistisch gedicht, het vuur van een gloednieuwe liefde is niet meer haalbaar, gloednieuw is alles slechts één keer, en wat dat betreft is het ook een troostend gedicht: het kan gewoon niet anders. Maar het is meer dan dat, het is zo optimistisch als een pessimist maar kan zijn: het gaat namelijk over “toch weer”. Ondanks het feit dat je al zoveel keren bedrogen bent uitgekomen, misleid door bedrieglijk blauw, door vage beloften van beterschap, probeer je het toch nog maar eens. Doelloos, moeizaam, maar eigenlijk ook veel verdienstelijker dan voordien, want ook zonder dat er wat beloofd werd. Ook in regen en wind, zoals de vogels in wat een van de tien prachtigste beelden uit de Nederlandse literatuur moet zijn. En dan te bedenken dat sommige critici Kopland autobiografisch vinden schrijven. Terwijl dit toch nauwelijks over hemzelf gaat, maar over iedereen, overal, altijd.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>De grote schoonmaak</title><link>https://hermandeconinck.com/de-grote-schoonmaak/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/de-grote-schoonmaak/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:53:21 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;has-drop-cap wp-block-paragraph&#34;&gt;Sinds een paar weken weet ik waar ik sta. Ik heb namelijk ter gelegenheid van Kerstmis de grote Times-Wereldatlas cadeau gekregen. Ik sta nergens. Hij ligt al een week open op de Stille Zuidzee. Eilandjes, speldeknopjes, sproeten van de zee. Soms leven er hele gemeenschapjes. De Marquesas-eilanden van Jacques Brel, de eilandjes van Gauguin, de Galapagos-eilanden.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Een paar dagen geleden zag ik op tv een documentairetje over Christmas Eiland. Meteen gaan opzoeken in mijn atlas. Ligt heel schuin onder Borneo. Er leven van die Polynesische bruinen die beroemd geworden zijn door Margaret Mead voor de gek te houden.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Er is ongelooflijk veel plaats op de wereld om te leven waar ik niet leef, om mij niet te kennen, om oerwoud te zijn, om twaalfde eeuw te zijn, om talen te spreken waar ik nog nooit van gehoord heb (er staat ook een talenkaart in de atlas met veel bruine aboriginal-talen), om zee te zijn, een blauwe hoeveelheid die ik me niet kan voorstellen. Op den duur kan ik me alles voorstellen, behalve dat ik zelf besta.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Niemand zijn, er nooit geweest zijn, of toch bijna niet: het is een van de meest fascinerende ervaringen die je kunt hebben.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Eigenlijk zijn er twee dingen onbegrijpelijk: dat er zoveel plaats is – zo’n atlas staat er uiteraard vol van, allemaal plaats, plaats, plaats. Een hele wereldbol vol elders. En dat er zoveel tijd is: iedereen die dit leest, is er ooit millennia en millennia niet geweest. Maar desalniettemin werd er ook toen, zij het door dinosaurussen, al druk bestaan. En in elk geval zullen de millennia na ons door insekten bevolkt worden, door mensen is nog niet zo duidelijk. (Zelfs tijdens mijn leven al is de VTM-kijker ontstaan, het begin van een mutatie.)&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dit soort gedachten krijg je van zo’n grote Wereldatlas. Aanvankelijk denk je: de wereld, waarom is er daar in godsnaam zoveel van? Maar na een paar dagen Wereldatlas is er geen enkel van die erwtgrote eilandjes dat je zou willen missen. Ik ben bereid een eenmansbetoging te houden voor het behoud van Tristan da Cunha. Je krijgt er een soort ecologische oerbescheidenheid van, vermoed ik. Die zou ik graag de architectuur toewensen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Aan het eind van mijn straat wordt momenteel een groot postgebouw opgetrokken, stijl Rubiks kubus. Het is een intens lelijk gebouw. Voor hetzelfde geld, waarschijnlijk zelfs voor veel minder geld, had men een mooi gebouw kunnen ontwerpen, maar op dàt idee is niemand gekomen. Het is de schuld van de onsterfelijkheid.&lt;br/&gt;Onsterfelijkheid, het idee dat je er altijd geweest bent of zult zijn: het is een idee dat geheelonthouders, Thatchers, ideologen, scheve architecten, macrobioten, domme minnaars, Pol Potten en gelovigen van om het even welk merk gemeen hebben. Behalve dat het geloof in onsterfelijkheid veel doden maakt, vind ik het vooral onbeleefd. Het heeft te maken met de manier waarop je ergens binnenkomt, in café De Volle Maan of in een nieuwe eeuw: alsof er niemand voor je aanwezig was, je naar de toog ellebogend, dik zijnd, Duits sprekend, niet op je beurt wachtend – of in het besef dat er wachtenden zijn voor u.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zo’n postgebouw komt mijn straat in zoals een Duitser café De Volle Maan. Alleen blijft zo’n gebouw langer staan. Een lelijk gebouw hindert gemiddeld zeg maar duizend voorbijgangers per dag, dat zijn er 365 000 per jaar, dat zijn er 3 650 000 per decennium. Ik voeg dat eraan toe omdat ik voorstander ben van een wet op visuele hinder, zoals je een wet hebt op luchtvervuiling. Men zegt dan: ‘Ja maar, dat is subjectief, dat valt niet te meten.’ Misschien niet. Maar misschien valt luchtvervuiling ook niet te meten, want men meet dat nu, men meet niet de gevolgen over tien jaar. Dat geldt zeker voor visuele hinder: je moet niet het nu meten, maar het altijd waarvoor zo’n gebouw bedoeld is.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Een paar maanden terug, het begin van een heel late herfst, zat ik een week in Bas-Oha. Bas-Oha heeft nogal wat vervallen Ardense kapottigheid, maar ook een rivier die er zijn zilverschitterende vergezochtheid doorheen trekt, de Maas.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het nadeel of het voordeel van rivieren is dat ze een overkant hebben. Ik heb al jaren vanuit Bas-Oha naar die overkant zitten kijken. Deze keer besloot ik het eens omgekeerd te doen. Bas-Oha zelf. Beetje Maas op de voorgrond, het surplus van een lichte onbereikbaarheid erbij, plus dat allereerste herfstbegin waarin het impressionisme is uitgevonden, alle soorten ros en felrood en beige en wijnkleur – een grote bordeaux-, een fustend bos, een alcoholiserende vergetelheid, dat alles met een lichtgrijs kasteel op de voorgrond. Lichtgrijs is de mooiste kleur die er is.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wil dit eigenlijk iets zeggen? Dat er hier en ginder is op de wereld, en dat ginder de beste plek is om hier te bekijken, en dat kunst afstand is? Of misschien wil het iets zeggen dat ook mijn Wereldatlas wil zeggen, dat er veel onderweg is in de wereld, en dat onderweg zijn tussen twee plaatsen of twee zinnen of twee bladzijden of twee werelden de beste plaats is om te leven?&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Later die dag, nog altijd aan de overkant van de Maas, reed ik heuvelopwaarts langs een paar van de daar tussen Andenne en Huy verloren gelegde vijftig-zielen-dorpjes. Kriskras tussen heuvels en glooiingen, die hoog genoeg zijn om alles over zich heen te laten gaan, zodat een lager-gelegen dorpje nergens last van heeft, liggen prachtige boerenhoven, kleine pastoriekasteeltjes, in de breedte uitgebouwde bescherming, in vierkante omarming opgetrokken hofsteden, naast kleinere, even authentieke streekhuisjes. De mensen die dit gebouwd hebben waren niet rijk. In elk dorp, even buiten de dorpskom, zijn dan weer wel rijkeluisverblijven of tweede verblijven, lelijke betonnen duivenkoten, met karrewielen in de tuin, dure namaak van wat ooit goedkoop en echt was.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Hoe is het mogelijk dat armoede vindingrijk is, en rijkdom alleen tot kitsch in staat? Hoe komt het dat alle arme vissershutjes aan de Noordzee mooi waren, en alle daarvoor in de plaats gekomen dure apart-hotels lelijk?&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Terwijl rijke mensen niet eens namaak hoeven te hebben, maar zich smaak kunnen kopen, in de vorm van een architect. Die er ook geen blijkt te hebben.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het moet te maken hebben met mijn Wereldatlas. Die me leert dat er geen onsterfelijkheid is, maar onnoemelijk veel plaats voor sterfelijkheid. Bescheiden. Er was hier al landschap voor u.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>De lichtkever in het jampotje</title><link>https://hermandeconinck.com/de-lichtkever-in-het-jampotje/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/de-lichtkever-in-het-jampotje/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:48:16 &#43;0200</pubDate><description>&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;DE VROEGE HANS FAVEREY&lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Laten we beginnen met een quizvraag. Van wie is het volgende gedicht?&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Oktober, einde van de maand.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Een wesp, een late wesp: &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;nog in het wespepak. Lijkt &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;gekomen te zijn om de &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;kamer te komen doorzoeken. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Kan ik iets voor u doen, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;meneer de wesp? &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;mevrouw de wesp?&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het lijkt een kindergedichtje. ‘Nog in het wespepak’ betekent dan allicht dat de wesp zich nog niet heeft uitgekleed om te gaan slapen: net als een zebra trekt een wesp ‘s avonds al die streepjes uit. Kinderlijk onhandig is ook de herhaling ‘lijkt gekomen te zijn om de kamer te komen doorzoeken’. De slotregels kunnen van Annie M. G. Schmidt zijn: meneer de wesp, of meneer de koekepeer. Of ze komen uit Erik, of het klein insectenboek van Godfried Bomans. (Wesp, zei de wesp. Weps, zei Erik). Of is het van Jan Hanlo? Die kon ook van die hele simpele vraaggedichtjes schrijven: ‘Kroop de mist tussen de bomen? / Dan is het herfst’. Een laatste kanshebber is Frank Koenegracht. Ook hij heeft van die geheimzinnige personages in zijn gedichten: ‘Kijk daar gaat de oude maas / met haar grijze lantaarn. / Een lange blinde dame loopt naar zee’. En een bundel van hem heet Een gekke tweepersoonswesp. Raden maar.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Nee, het is een gedicht van de moeilijke dichter Hans Faverey, uit Gedichten II.&lt;br/&gt;De vroege Faverey is onder andere een groot humorist. Even verder in dezelfde bundel staat het gedicht:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Wie heeft iets aan inkeer.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Hier heet het: wat koop ik&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;er voor, of wat doe ik &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;daarna. Als ik diep &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;nadenk, zak ik te vaak&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;door mijn voeten.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het lijkt wel een pleidooi voor oppervlakkigheid (van de psycholoog die met al die dieptepsychologie niets kan), of omgekeerd een satire op die oppervlakkigheid, ik denk dat je mag kiezen. Nee, je mag niet kiezen, de slotregels zijn te vernietigend voor een Hollandse klompenboer die ‘diep’ nadenken letterlijk neemt.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Nog vier pagina’s verder bevindt zich een op het eerste gezicht erg absurdistisch gedicht:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Wie wil er nou in een tijdlus&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;hangen, en zo lang trappen&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;tot de beul ‘au’ zegt&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;en naar zijn heupfles grijpt. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Kom, wie wil er weer eens wat.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Wie kan er weer eens wat.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ja, wie wil dat nou, in een tijdlus hangen? Maar het is wat wij allemaal doen, tijd als een strop om onze hals. De absurde vraag luidt dan: wie wil er nou mens zijn? Niemand. Maar als het dan toch moet, wie wil er dan alstublieft keet schoppen, dat god het hoort, kom, wie wil weer eens wat, wie kan weer eens wat: het is een oproep van een jongensachtige voortvarendheid, van een jeugdige, radicale arrogantie ook: komaan, wie kan er weer eens wat, na Van Ostaijen.&lt;br/&gt;Er staat geen vraagteken achter deze vragen. Daarmee zijn het constateringen: u ziet het toch zelf, deze Faverey kan na al die jaren weer eens wat.&lt;br/&gt;De cyclus ‘De witz van de twee doven van pointe ontdaan, en veranderd’ uit Chrysanten, roeiers zou dan weer uit Wachten op Godot kunnen komen:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Hoor.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Hoor je niks?&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Goed luisteren. Ik hoor niks.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Hoor!&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Ik hoor weer niks.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Nee; ik hoor ook niks.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Enzovoort, de reeks is niet onbekend bij kenners, en zeer uitzichtloos en zeer vermakelijk, en zo metafysisch als je maar wil.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In dezelfde bundel permitteert Faverey zich ook een grapje ten koste van de lezer:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit hetzelfde gebied afkomstig&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;moeten ook de berichten zijn &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;die nog schijnen te verwijzen&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;naar het arme woord, dat zich thans afschudt &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;onder de glazige blik &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;van de bidsprinkhaan &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;die u hier tracht &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;uit te beelden.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dat is niet mooi van Faverey, dat hij, de moeilijke modernist, die enkele lezer of criticus die hem op dat moment zwerend en met ‘glazige blik’ probeerde te volgen (de bundel is uit 1977, en bijvoorbeeld ikzelf kon hem zeer zeker niet volgen), voor schut zet, voor bidsprinkhaan zet, voor domme tekstenbidder.&lt;br/&gt;Kijk eens wat een sukkel u bent, zegt Faverey tegen de lezer: u bent hier op zoek naar betekenis. Zo kunt u nog lang doorgaan, ik probeer immers juist zoveel mogelijk betekenissen kwijt te raken: het woord schudt zich af. Het wil nog slechts zijn minimaalste puurheid zijn. Het woord sleept drogbeelden mee. Daartegen ga ik nu juist tekeer:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Zolang het drogbeeld heerste,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;achtervolgde ik de bittere&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;chimère tot diep in het &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;openbrekende land.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;De eerste zwaluw van dit voorjaar&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;moest alle betekenissen zien kwijt &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;te raken die ik ook zelfs slapend &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;niet meer wens terug te vinden.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De bedoeling is niet dat die eerste zwaluw een beeld gaat zijn voor iets anders, of hoop symboliseert, de bedoeling is dat ze enkel zichzelf is; dat is dan toch al dat: een zwaluw. Faverey schrijft deze zwaluw de literatuur uit.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het rare is dat de wetenschap dat Faverey geestig kan zijn, je ook verder helpt bij op het eerste gezicht nogal ondoordringbare gedichten. Een tekst uit Gedichten II bijvoorbeeld:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Zeker is, dat ik er misschien&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;niet was. Toen de weg, dezelfde&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;die ons zou verslijten, klaar&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;was, hoorde ik op. Toen ik &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;ophoorde, veerde ik terug. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Toen het was teruggeveerd,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;bloeiden er allerhand glas-&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;soorten. Zij bewaken de weg&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;aan beide zijden en heten: &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;avondvullende glassoorten.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zo’n ik, bestaat dat eigenlijk wel? En de weg, is dat die van het trio de weg, de waarheid en het leven? Mooi is in elk geval dat de weg ons verslijt, in plaats van andersom. Ook waarheid verslijt ons. Is zo’n weg trouwens ooit klaar? Faverey hoort ervan op. Ik hou een enkele keer van een drastische interpretatie, vooruit: die weg was klaar in 1968, een geasfalteerde maatschappijvisie. Faverey schrikt ervoor terug, komt elastisch met twee voeten op de grond terecht. Maar niet alleen hij, de hele maatschappij is teruggeveerd, uitgeïnspireerd: ‘het’ wordt onderwerp. En ‘het’ heeft het sindsdien voor het zeggen. Wat moet ik met die absurde glassoorten die in plaats van grassoorten langs de weg bloeien? Is dat lyriek van de afval? Kapotte flessen, weggooiglas overal in de natuur? Misschien ook, maar niet alleen.&lt;br/&gt;Hier zet het besef dat Faverey wel eens geestig durft te zijn me op het juiste spoor: ‘avondvullende glassoorten’, dat zijn de glassoorten Philips en Panasonic: televisietoestellen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Faverey is tot op zijn sterfbed af en toe geestige regels blijven schrijven. In Het ontbrokene staat zelfs een witz mét pointe:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Een jonge egel heeft jeuk,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;krijgt opeens een idee &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;en laat zich giechelend &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;van een helling rollen.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Waar komt dan het misverstand vandaan dat Faverey een moeilijk dichter is?&lt;br/&gt;Ten eerste van het feit dat hij een moeilijk dichter is.&lt;br/&gt;Vervolgens is er bovenvermeld misverstand: de lezer is op zoek naar maximale betekenis, Faverey naar minimale. Soms heeft dat het effect van homeopathie: hoe groter de verdunning, hoe meer het werkt.&lt;br/&gt;Zo slaagt het gedicht Met meikevers erin over haast niets te gaan, over de meikevers die je als jongen in een lucifersdoosje bewaarde – en bij Faverey blijkt het uiteindelijk niet eens één meikever maar één vuurvliegje, ‘als het dingetje tenminste zo heet’. En toch ruikt een hele jeugd op uit zo’n vliegje.&lt;br/&gt;In Zijden kettingen doet hij dit veel mooier over:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Ik rammel met mijn lichtkever&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;in het jampotje. Ik houd &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;het donker over; waarna &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;ik voorgoed dezelfde word.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Hier is het bijna een ars poëtica geworden. Ik dram maar even door, dat vind ik leuk. Een paar zinnen in taal gevangen zetten, dat was de bedoeling van de vroege Faverey. En met dat gedicht kon je rammelen, het tegen je oor houden. Het Nederlands zei dan iets in de trant van bzzz bzzz. Later blijft echter alleen donker over. Hoe je ook schudt aan dat Nederlands, hij zit er niet meer in, de lichtkever. Waarna Faverey voorgoed dezelfde wordt: degene die dat in gedichten zal blijven zoeken, die woorden zo bij mekaar zal zoeken dat ze zoemen, met de meeste woorden lukt het niet, met sommige combinaties wél, en veel meer kan hij daar, bijvoorbeeld in een interview met Tom van Deel, ook niet over zeggen. Hij wordt voorgoed dezelfde, degene aan wie het ontbreekt. Degene die het donker overhoudt. Degene die van daaruit moet werken, die precies vanuit die donkerte lichtgevende zinnen moet verzinnen. Hij moet voor de rest van zijn leven op zoek naar Het ontbrokene.&lt;/p&gt;
&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;DE KANO VAN VAN OSTAIJEN&lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;We hadden het over de vraag waarom Faverey als een moeilijk dichter geldt.&lt;br/&gt;Neem een gedicht als ‘Waar het om gaat’, uit Hinderlijke goden.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Waar het om gaat is,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;ik herhaal het: om &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;vrijwel niets.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Een kleine vale spin,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;met een zweem van roest, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;die ik voorzichtig met mijn &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;wijsvinger benader, springt &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;plotseling bijna een meter &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;ver van mij weg.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Hoe minutieuzer je aandacht voor bijna-niets, hoe sensationeler deze sportprestatie.&lt;br/&gt;Wat wil dit gedicht zeggen?&lt;br/&gt;Dit gedicht wil zeggen hoe ongelooflijk dat is.&lt;br/&gt;Faverey ontregelt de lezer – niet altijd, maar soms, als hem dat zo uitkomt – niet door ingewikkeldheid, maar door de bijna agressieve simpliciteit van zijn gedicht. Daar komt nog iets bij: als je Faverey van achter naar voor leest, zitten die eerste bundels vol herkenningseffecten. Maar als je ze destijds las, moet zijn uiterste bondigheid tamelijk schokkend geweest zijn.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Neem een gedicht uit zijn eerste bundel:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Beulen&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;en roeiers.&lt;br/&gt;&lt;/em&gt;&lt;em&gt;Wat een rivierlandschappen;&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;wat een ongemakkelijke ruimten. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;En wat een klungelig &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;instrumentarium vaak.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wat moet ik met een zo plomp uit het niets komende één-woord-regel die gewoon poneert ‘beulen’? En met een tweede even plompe regel ‘roeiers’?&lt;br/&gt;Zo plompweg valt de mensheid nu eenmaal in te delen: in beulen, bazen, die geselen, of die dat geselen aan anderen overlaten; en roeiers, die sinds Alexander de Grote de triremen moeten voortzwoegen, de gegeselden.&lt;br/&gt;Het is opvallend hoe de latere Faverey in dit gedicht al volop aanwezig is: beulen en roeiers, maar ook rivierlandschappen keren in zijn hele werk terug.&lt;br/&gt;De roeiers zijn met hun trireem bovendien heel verkeerd in een rivierlandschap terechtgekomen, twee bundels later roeien ze zelfs gewoon over het land. Het leven is onbegonnen werk, en erover schrijven net zo: het klungelig instrumentarium slaat zowel op de riemen waarmee de roeier ‘helpt water zich te verplaatsen’, als, zo je wil, op de mens – er is geen ander materiaal voorhanden om mens mee te zijn dan de mens – als, zeer zeker, op het Nederlands waarin het allemaal terecht moet. Zes regels: poëtica en levensvisie en humor.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wellicht stootte Faverey ook lezers af door een aanvankelijk radicaal polemische ars poëtica. (Hoezeer was hij toen eigenlijk beïnvloed door De Nieuwe Stijl-groep, door een dichter als Armando bijvoorbeeld?)&lt;br/&gt;‘Geen metafoor / komt hier aan te pas’, schrijft hij al meteen in zijn tweede gedicht. Of hij heeft het over ‘Metaforen. Foutenuitbarstingen’. In zijn vierde gedicht, een grimmige strandscène, zet hij zich af tegen ‘die vette / anekdotes: scherm- // kwallen? beulen? badgasten?’. Even later, in een wintergedicht, hekelt hij de maan en alle retoriek die ze in de traditionele poëzie heeft veroorzaakt:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Muurvast in het ijs&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;de geblondeerde planeet&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;lispelt. Wat,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;lispelt- &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Automatismen;&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;schertsbronnen.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Koud is het hier. ‘In de taalcentra vriest het dat het kraakt’. Het zal erop aankomen een poëtica uit te vinden die vorstbestendig is, want overal traint de verdwijning, heerst het vacuüm:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;spijkervelden, los-&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;geslagen sneeuwsoorten, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;blue stellar objects:&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;geen verstandhouding.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Faverey schrijft hier poëzie over de versplintering in even zovele ijssplinters van taal. Ik denk dat zowel zijn levensvisie als de meedogenloos kale aan-elkaar-vastgevrorenheid van zijn woorden (waartussen nogal wat ijskoud Engels) aanvankelijk meer lezers hebben afgestoten dan aangetrokken.&lt;br/&gt;Pas tegen het einde van Gedichten II zal hij zijn ars poëtica minder negatief formuleren, en dan is het de typische ars poëtica van de avant-gardist: zijn gedichten moeten vooruitlopen op hemzelf, zij zijn de taalverkenners, hij komt erachteraan, bedoeling is dat zij voor hem hun ontdekkingswerk doen:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Als ik mijn gedichten inhaal,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;ben ik nergens meer. Dan is&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;goede raad geen raad meer.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Dan kom jij mijn zout lenen; &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;als ik niets meer van de kano&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;zie. Alsof jij de kano nog ziet.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Waar slaat dat zout op? Misschien op imitatoren. Of op interviewers die Faverey even naar zijn geheimpje komen vragen. Of op poëzieuitleggers. In de tweede druk van Lichtval, met nawoord van Tom van Deel tekent Faverey niet zonder hooghartigheid aan: ‘De auteur van deze gedichten-bundel draagt geen verantwoordelijkheid voor de inhoud van het nawoord of de keuze van de auteur daarvan. Voor beide is de uitgever aansprakelijk.’ Dat slaat natuurlijk ook op mezelf. Faverey zou dit soort uitlegkunde gehaat hebben.&lt;br/&gt;Maar misschien betekent dat zout iets totaal anders.&lt;br/&gt;Blijft de vraag wat die kano hier komt doen? Hebben de roeiers van daarstraks hem hier achtergelaten? Ik denk dat het de kano van Van Ostaijen is, uit ‘Melopee’: als ik de grote voorloper uit het oog zou verliezen, hoeft het niet meer. En natuurlijk komen al Faverey’s zo mysterieuze roeiers uit die oer-kano van Van Ostaijen: het zijn de mythologische avonturen en varianten van één onsterfelijke regel.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Nog altijd is niet duidelijk waarom de vroege Faverey een moeilijk dichter zou zijn. Geen dichter voor liefhebbers van easy listening, nee, maar onbegrijpelijk? Misschien soms wel té begrijpelijk en te bars.&lt;br/&gt;Ik vermoed dat de moeilijkheid veeleer was: we begrijpen dit allemaal wel, maar het is zo weinig, er moet toch méér zijn? Waar wil Faverey met dit agressieve minimalisme naar toe?&lt;br/&gt;Later zal hij er een toch weer maximaal ritueel van de autonome schoonheid van maken, in wier eredienst hij wil leven en sterven. Misschien moet ik later nog wel eens schrijven over Faverey als romanticus. Maar voorlopig schrijft hij:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Totdat. Halt.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zo begint het: “totdat”. Dat is n.l. zijn begin.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Vers 2 luidt: “halt”.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En door stopbewegingen te maken komt het inderdaad tot stilstand.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wat betekent dit? Liefde duurt tot iemand halt roept? Geluk duurt totdat? Nee, zegt Faverey, het betekent dat deze twee woorden er staan, meer niet. Het gedicht duurt zo lang als het gedicht duurt. Dat geldt natuurlijk voor alle gedichten, maar meestal verwijzen ze naar een werkelijkheid daarbuiten en beginnen zo aan een tweede leven. Een gedicht over een ongelukkige liefde bijvoorbeeld heb je algauw begrepen, je legt het naast je neer, en mijmert na. “ja ja, zo gaat het.” Dat mijmeren doe je zelf, niet het gedicht doet dat. Maar die werkelijkheid stelt toch niks voor, lijkt Faverey te denken, dus waarom zouden we daarnaar nog willen verwijzen? Nee, dit gedicht gaat over de belevenissen van twee woorden. Je kunt het tien keer lezen, en tien keer duurt het zo lang je het leest. Er gebeurt dat je leest. En intussen gebeurt er gelukkig niets anders: dat andere zou alleen wereld kunnen zijn, en die valt tegen, daarom juist dit gedicht. Om uit de wereld weg te zijn zo lang je wil, zo lang je wil lezen, en woorden laat betekenen wat ze slechts betekenen: dat is een hele verlossing.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Faverey zal in zijn eerstvolgende bundels zijn Nederlands aangenaam ontregelen om het blijvender te maken: een tegenwoordig deelwoord duurt langer dan een werkwoord. “Hij heeft” is zo voorbij, “hij is hebbend” duurt langer. Hij vindt er talloze nieuwe wederkerende werkwoorden voor uit: “hij is zich hebbend” duurt nog langer. Al deze duur wordt uitgevonden, omdat buiten het gedicht niets duurt.&lt;br/&gt;Gelukkig vindt Faverey gaandeweg ook almaar mooier Nederlands uit, en naar het einde toe vindt tragiek hém uit, het verzwegene gaat dan wel erg luid zwijgen. Maar al veel eerder mag ook beeldspraak, als ze maar prachtig is, zoals dit dure beeld van zeeschuim:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Gelispel van soms zijden kettingen,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;die tijdens het schuimen, hoe &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;ternauwernood ook, schijnen steeds &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;te zijn gaan verliggen-&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Maar nogmaals: dat is voor later. Op het moment waar ik het over heb schrijft Faverey met een rare gedrevenheid gedichten die bij voorkeur heel weinig betekenen; die gedurende een regel of tien met die betekenis spelen en ze vervolgens opgeven. Gedichten I en II staan er vol van. “Een witte raaf / op een witte walvis” zal wel het bekendste zijn, die beide maar “moeten [… ] zien / hoe zich uit deze tekst / te verwijderen”, daarom citeer ik liever “Een mug (de mug)”:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Een mug (de mug)&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;beklimt, desnoods:&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;bestijgt een olifant &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;(de olifant).&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Zo gooide iemand eens een bal op.&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Deze stuiterde nog enige malen,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;bleef toen zo goed als stil liggen.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dit gedicht bestaat uit twee minimalistische, vrij absurdistische waarnemingen. Vraag is of die iets met elkaar te maken hebben, want dat heeft de lezer graag, samenhang. Faverey zegt: waarom zouden ze? Is de werkelijkheid soms samenhangend?&lt;br/&gt;Nee, zegt de lezer, maar daarom verwacht ik juist van een gedicht dat het mij samenhang geeft, anders kon ik het net zo goed met de werkelijkheid zelf stellen.&lt;br/&gt;Ja maar, zegt Faverey, of ik in zijn plaats, in dit gedicht gebeuren twee dingen. Het eerste is eindeloos, de klim van de mug op de olifant is onafzienbaar. Is dat eigenlijk wel goed, dat er aan iets nooit een einde komt? Als tegenvoorbeeld is er de bal. Die blijft uiteindelijk zo goed als stil liggen: hij stuitert zolang je de regel herleest, en hij ligt een hele laatste regel lang bijna stil. Helemààl stil ligt hij zelfs na de dood van Faverey nog niet. Maar het is een opluchting, lijkt me, dat stilstand niet uitgesloten is.&lt;br/&gt;Inmiddels heb ik fors geïnterpreteerd, ik heb een tegenstelling ingevoerd tussen een ongelukkige eindeloosheid en een gelukkig einde. Misschien zit die er eigenlijk niet eens in. Misschien zijn het inderdaad gewoon twee gebeurtenissen die niets met elkaar te maken hebben. Misschien moet je daarmee leren leven, met dit soort onsamenhang. In dit gedicht zijn het slechts twee dingen die niets met elkaar te maken hebben, in de werkelijkheid zijn het er honderdduizenden. In dit gedicht kun je eens proberen of het je met twee onsamenhangen lukt: dat ze permissie krijgen om naast elkaar te bestaan. En daarna kun je het met duizend proberen, met tienduizend: dit is een oefeningetje voor beginners. Moeilijk? Het leven is moeilijk, Hans Faverey is gemakkelijk.&lt;/p&gt;
&lt;h2 class=&#34;wp-block-heading&#34;&gt;DE SUPERTEGENWOORDIGE TIJD&lt;/h2&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;In zijn allermooiste gedichten is Faverey tegelijkertijd romanticus, liefdesdichter en anti-doodsdichter.&lt;br/&gt;Het onbestaanbare is zo’n gedicht:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Het onbestaanbare: hoe ik het&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;najaag en aankleef. De nacht is jong;&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;de bijl slaapt en brengt de vijver&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;verkoeling. Waarheen ik mij ook wend &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;of keer: zij is niet hier, niet daar.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Verdriet loopt zo lang te hoop tot het&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;wordt erkend, zich intrekt, of zich&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;dood loopt. Nog is de nacht jong: al &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;wie nu zijn adem heeft bewaard. Dood, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;hij wordt op zijn schouders genomen; &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;laat zich met zich sollen; wordt naar&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;huis gebracht, uitgekleed, gepijpt,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;toegedekt; en wordt wakker.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Misschien is dit wel de beste omschrijving voor Faverey’s ars poëtica: de eredienst van het onbestaanbare. En dat in woorden bestaanbaar maken. Je kunt niet door twee vensters tegelijk een huis binnenklimmen, maar bij Faverey kan het. Zo kan het morgen ook twee dagen tegelijk zijn:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Als morgen vrijdag de 13e&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Op 29 februari valt,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;mag een aan polsen, enkels &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;of nek gehangene de beul &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;ook ten dans kunnen vragen.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Elders kan een stukgevallen vaas nog twee minuten geleden zijn en nog heel. Ongelijktijdigheid wordt gelijktijdig als de grammatica een beetje helpt, het onmogelijke wordt mogelijk, of liever: het onmogelijke en het mogelijke mogen naast elkaar bestaan. Het is een soort verruimd kubisme: zoals alle mogelijke hoeken en kanten en achterkanten daar oppervlakte worden, zo is een gedicht van Faverey een collage van heden en verleden en nooit, van wat er is en niet is en onmogelijk kan zijn tegelijkertijd.&lt;br/&gt;Als ik Faverey een romanticus noem, moet ik dat even nuanceren. Een romanticus heeft met het onbereikbare te doen, Faverey met het onbestaanbare. Dit is nog een graad erger.&lt;br/&gt;Het gedicht Waar stil toen de abrikozenboom stond gaat niet over een onbereikbare geliefde, want ze is nog bij hem.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;zij wierp mij de abrikoos&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;toe-toen. Nu &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;(… ) beginnen&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;wij opnieuw met bijten (…)&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;terwijl de zee fluistert:&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;bij mij is zij niet;&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;nee, hier vind je het niet; &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;in mij is zij niet.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het gaat er veeleer om dat de geliefde van nu bijvoorbeeld niet vijf jaar jonger wil zijn, dat toen en nu niet willen samenvallen, en dat ze zulks in dit gedicht toch proberen te doen. De ik en de vrouw gaan samen op zoek naar dat moment van toen, naar eeuwigheid die er nooit is geweest. Dit gedicht beseft dit bijna schizofreen, en toch: ‘terwijl’, zegt Faverey, en ineens kan het allemaal, gelijktijdigheid van toen en nu, van hier en ginder, van geluk en afgrondelijk gemis, van heimwee naar een vrouw met die vrouw in je armen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Terug naar AF, naar ‘Het onbestaanbare. De nacht is jong, flarden van een middeleeuws lied (waar ik mij wend, waar ik mij keer) en een begraven Indiaanse strijdbijl vinden elkaar in vrede. Maar de conclusie is dezelfde als in het abrikozenlied: ‘zij is niet hier, niet daar’. Wie? De onbestaanbare. Een ideale vrouw? Een dode geliefde? Want met de dood wordt zo meteen mensonterend gesold.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;‘Verdriet loopt zo lang te hoop’ vind ik een wijs aforisme, maar omdat ik erin mee hoor klinken dat verdriet zo lang loopt te hopen, vind ik het nog mooier. Ook dat verdriet ‘zich intrekt’ is mooi dubbelzinnig: het trekt zich terug, in dit Nederlands, of het neemt definitief zijn intrek, in jezelf bijvoorbeeld, en komt er nooit meer uit.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;‘Nog is de nacht jong’ kun je lezen als variant op de regel: ‘De nacht is jong’. Nog duurt dit gedicht. Nog is de film niet afgelopen. Nog bevind ik me in het zalige donker van het gedicht. Nacht is het filmpubliek: ‘al wie nu zijn adem heeft bewaard’. Voor de ontknoping. Daarin wordt een vernederende studentenfarce uitgehaald met de dood, te vergelijken met wat in De meisjes van de suikerwerkfabriek Tessa de Loo een kaartjesknipper aandoet. De dood is ook maar zo’n kaartjesknipper, op het eind van de rit. En Boutens wordt in één moeite door mee vernederd, zijn ‘goede dood wiens zuiver pijpen’ wordt hier kwaadaardig ‘naar huis gebracht, uitgekleed, gepijpt, / toegedekt’. Wraak. En vervolgens staat er lapidair: ‘en wordt wakker’. De dood. Dronken gevoerd, maar niet kapot te krijgen. Baldadig feest, dit gedicht, dat eindigt in paniek: wegwezen, hij leeft nog!&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Faverey en de dood: zijn hele ars poëtica komt eruit voort. Hij heeft van in den beginne tegen de dood gerevolteerd door een taal te ontwerpen waarin langer geduurd werd dan normaal. In 1968 schreef hij:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Wanneer de bovenlip is opgetrokken,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;krijgen de tanden het koud.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Wanneer beide lippen weg zijn,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;hebben de tanden het nog kouder.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dat was doodsangst, doodskou. In Gedichten II, 1972, schrijft hij:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Te worden hoe het is, als het&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;straks is. En hetzelfde ver- &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;tederde doodgaan dat ons zo &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;maakt, nu voorspel heette.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dit is een verlangen om die doodsangst met iemand anders te delen en de hoop om dat erotiek te mogen noemen. Toekomende tijd verhakkelt zich tot verleden tijd. De twee tijden vallen elkaar grammaticaal hortend en stotend in de armen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zo heeft Faverey een nieuw Nederlands gecreëerd als protest tegen het voorbijgaan: hij haalt werkwoordstijden door elkaar tot er een soort supertegenwoordige tijd ontstaat.&lt;br/&gt;Daarin is het goed leven.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>De vierkante centimeter</title><link>https://hermandeconinck.com/de-vierkante-centimeter/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/de-vierkante-centimeter/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:37:09 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;has-drop-cap wp-block-paragraph&#34;&gt;In de literatuur mag alles, en dat is een groot voordeel. Misschien mag het niet van iedereen, maar zo lang van sommigen de Maigrets van Simenon erbij mogen, ben ik geneigd om als tegenprestatie te vinden dat ook de roman van Kees Ouwens ‘De eenzaamheid door genot’, een volgehouden poging tot onleesbaarheid en tot een verkoop van 2,3 exemplaren, erbij mag. Literatuur is tenslotte een zaak van sommigen voor sommigen.&lt;br/&gt;Alleen lijkt er vandaag de dag van tamelijk velen nogal wat te moèten. En dat is dan weer kwalijk, omdat literatuur nooit een zaak van velen mag zijn, toch niet van allemaal tegelijkertijd, wel van héél veel sommigen, één voor één.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wat moet er dan in de Nederlandse literatuur zo nodig? Een paar jaar geleden kwam Ton Anbeek, na een jaar gastdocentschap aan een Amerikaanse universiteit, terug in Nederland met een vergelijking tussen de Amerikaanse top-drie van dat moment, en de Nederlandse. Ik herinner me eigenlijk alleen nog de top-ééns. In Amerika was dat ‘De wereld volgens Garp’, van John Irving, in Nederland ‘Opwaaiende zomerjurken’ van Oek de Jong. De conclusie van Anbeek was, dat de Amerikaanse roman over de hele Amerikaanse maatschappij ging, terwijl de Nederlandse roman zich op een zolderkamer afspeelde. Voor de poëzie zou gemakkelijk iets gelijkaardigs aan te tonen zijn. De Amerikaanse poëzie is babbelziek, lijkt bij Anne Sexton op psychiatrie-verslagen, gaat bij Carolyn Forché over Nicaragua, terwijl de verzamelde gedichten van Adrienne Rich nog het meest weghebben van een vrouwenpraatgroep. Het is poëzie in de breedte.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De Nederlandse poëzie speelt zich af op de vierkante centimeter, is gelaagd, in één regel klinken reminiscenties op aan vijf andere regels, wat over de natuur lijkt te gaan, gaat in werkelijkheid over een vrouw, en als je goed kijkt ook nog eens over de poëzie zelf. De Nederlandse poëzie gebruikt woorden als Lego-blokjes. Alles verwijst naar alles. Het gaat niet om het klank-effect, maar om het klik-effect. Het is poëzie in de hoogte. Basis één vierkante centimeter, hoogte tien centimeter. Dat is zeer gewaagd. En toch nooit erg hoog.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik moet daar aan toevoegen dat ik de Nederlandse poëzie, de Hollandse, momenteel zowat de beste van Europa vind. Alleen vind ik het soms jammer dat al die Lego-blokjes maar één vierkante centimeter als basis hebben. Waarom zou het af en toe niet over psychiatrie, Nicaragua, vrouwenpraatgroepen, en wat mij betreft voetbal, leven en dood mogen gaan, om dat alles, om het even wat eigenlijk, onontkoombaar in taal in te vriezen? Voor een goed gedicht geldt immers dat het houdbaar is tot 12.8.2134, of 6.9.2556.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Scripta manent. Het geschrevene blijft. Het bovenstaande in elk geval tot ik het herlees. Het klopt niet. Maar het mag blijven, want het klopt ook weer wel. Het eigenaardige is dat de Hollandse poëzie wel degelijk veel breder is, alleen het door de Hollandse kritiek daarvan gecanoniseerde deel niet.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zo gaf Geert van Oorschot ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van zijn uitgeverij een bloemlezing ‘Gedichten’ uit, van zes dichteressen, en daarin was voor mij de grootste ontdekking dat Annie M.G. Schmidt opeens niet alleen maar een kinderdichteres was. Ze mocht meedoen met de serieuze dichteressen. Ze mocht dat van Geert van Oorschot, en dat was een hele opluchting: hopelijk mag ze dat voortaan ook van anderen. Het komt allemaal nog wel goed, als we de poëzie maar niet te uitsluitend aan de critici overlaten. Van Annie M.G. Schmidt heb ik het eigenlijk altijd wel geweten, al sinds de tijd dat ‘Op een mooie Pinksterdag’ me pijn deed in heel mijn hebben en houden. Vanwege het besef dat er niets te hebben en houden valt, en zeker geen dochter. Wat is dat voor een poëziegenre, dat pijn doet? En dat pijn doet, juist omdat het luchtig is?&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Neem nooit een dichter, m’n dochter,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Zo een met een dichterskop &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;zo eentje met lange haren, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;zo een op een zolderkamer, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;zo een wordt er ook met de jaren &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;niet monogamer op… &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Wat jij nog in hem liefhebt, dochter, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;staat al in zijn bundeltje ‘Donkere Sneeuw’. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Daarin staat al het verhevene. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;De rest krijg je ‘s morgens bij zevenen &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;thuis. Als een meeuw. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Neem liever de kruidenier, dochter. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Want alle tederheid die bij hem uitstijgt boven de kersenjam &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;en boven de kleine zakjes blauw, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;dochter, is altijd voor jou.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;De meeste hedendaagse poëzie is immanent, gaat over zichzelf. Het gedicht over het gedicht. Dit gaat over mij. Een veel interessanter onderwerp.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik heb Annie M.G. Schmidt zien voorlezen op de Nacht van de Poëzie in Utrecht. Blind. Met een leesbril waarvan één glas afgeschermd was, en op het andere glas was een loep gemonteerd. Daarmee bleek ze nog altijd niks te zien, want Ed Leeflang, die naast haar zat, moest voortdurend souffleren. Zo las ze haar gedicht over de drie beren die gewoon lekker een huis hebben betrokken, en die de wijkagent die hen wil verjagen afschrikken door een gezamenlijke brr. En dat brrr deed ze samen met Ed Leeflang. Elke keer weer moest ze daarbij zo lachen, dat ik dacht dat ze niet verder kon. En tegelijk had het iets sentimenteels. Hoe verdrietig is het eigenlijk, om je tranen te lachen? Presentator Piet Piryns had haar al aangekondigd als de moeder van alle aanwezige dichters. En dat is ze ook. Maar niet de moeder van de recensenten. In 1987 zijn haar gedichten voor volwassenen verschenen, en die zijn nauwelijks besproken. Een verwaarloosde moeder, die leuker is dan haar niet verwaarloosde kinderen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Een andere dichter die hier wel en niet bij hoort, is Willem Wilmink. Allebei hebben ze gemeen dat ze niets gemeenschappelijks hebben. Behalve dat Schmidt en Wilmink aantonen dat je, om goeie kinderpoëzie te schrijven, ook gewoon een goed dichter moet zijn. Een goeie kinderdichter is bijna vanzelf ook een goeie volwassenendichter. Het omgekeerde geldt niet. Verder hebben ze met elkaar gemeen dat hun poëzie nauwelijks door de officiële recensenten besproken wordt, en dat ligt eigenlijk voor de hand. Deze dichters zijn niet noodzakelijk geestverruimend, maar binnen de Hollandse canon alvast poëzieverruimend. Zelfs Claus’ poëzie wordt, vergeleken bij zijn romans, nauwelijks besproken.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het mooiste compliment dat je Wilmink kunt maken is inderdaad dat hij met zijn beste gedichten ook wel eens anoniem zou kunnen worden. Dat iedereen die gedichten kent, en niet meer weet van wie zij zijn. Dat is ten dele al zo. Wilmink is de dichter van een aantal liedjes uit Kinderen voor Kinderen, meestal de beste. Van Fotoalbum bijvoorbeeld:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Dat ik van mijn vader hou,&lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;doet moeder soms verdriet. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;En dat ik van mijn moeder hou, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;dat weet mijn vader niet. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Zo draag ik mijn geheimen mee &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;en loop van hier naar daar. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Nog altijd hou ik van die twee &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;die hielden van elkaar.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Daarnaast schreef Wilmink liedjes voor de Senioren-show, voor de Stratemakeropzee Show, voor de J.J. de Bom, voorheen de kindervriend Show, voor Ome Willem. De huidige kritiek weet met deze anonimiteit geen raad, met deze alleralgemeenste expressie van de alleralgemeenste emotie. Met deze onmiddellijke begrijpelijkheid evenmin. Een gedicht moet je kunnen herlezen, is de eis. Dat vind ik ook. Maar je kunt om twee redenen herlezen: omdat je het de eerste keer niet begrijpt, en dat doe je met boeiende, intrigerende gedichten. Of omdat je het de eerste keer al zo treffend vindt, dat je het niet vaak genoeg opnieuw kunt horen. En wat moet een criticus in godsnaam met de directe ontroeringskracht van een liedje als Haar brief?&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Wees niet verbitterd meer, huil er niet meer om &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;dat ik zonder jou opnieuw begon. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Je moet toch wel beamen &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;dat het zo niet meer duren kon. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Het is niet waar, mijn vriend, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;dat ik je kleineer, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;ook al heb ik soms een andre heer. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Het bed is geen examen, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;erotiek is geen zaak van eer. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Ik zal je echt wel onthouden, je vriendschap, je troost, je plezier. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Ik zal van jou blijven houden, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;houden. Op mijn manier. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Wees niet verbitterd meer, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;heb niet zoveel spijt. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Hoop maar op een mooie nieuwe meid. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Wij waren niet meer samen, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;tussen ons was er eenzaamheid. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Soms word ik ‘s nachts wakker &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;uit dromen, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;en hoor ik geritsel. Gedruis. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;En ik denk: Als er moordenaars komen, &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;vind ik het best. Ik ben thuis. &lt;/em&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Wees niet verbitterd meer.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik krijg daar kippevel van. Maar dat mag ik niet hebben, schrijft Wiel Kusters in een essay over Gerrit Kouwenaar. Dat is een fysieke ontroering. In de poëzie moet het gaan om Kunstemoties. Van mij mogen ze allebei. En liefst allebei tegelijkertijd.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik weet haast zeker dat Kusters van Wilmink vindt dat hij smartlapeffecten gebruikt. Maar dat zijn natuurlijk net zo goed effecten, en ik vraag me dan graag af hoe die bereikt worden. Doordat de briefschrijfster in dit geval meer troost nodig heeft dan degene die ze wil troosten, misschien. Doordat ze dat niet wil weten. Door de uitzichtloosheid, waarin elk inzicht wel wil passen. En als dit dan toch een smartlap is, hoe komt het dan dat in dat genre Wilmink en de negentiende-eeuwse Speenhoff tien keer beter zijn dan de Zangeres zonder naam? Dat kan alleen met kwaliteit te maken hebben, maar voor dit soort kwaliteiten heeft de hedendaagse poëziekritiek geen jargon meer.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wilminks verzamelbundel telt bijna 700 pagina’s en dat is zoals alle verzamelbundels te veel van het goede. En vooral te veel van het minder goede. Maar hij mist de pretentie, waardoor dat zou storen. Zeshonderd van zijn zevenhonderd pagina’s lezen gewoon gemakkelijk weg. Die onthoud je niet. Maar van Roland Holst lezen zeshonderd van zijn zevenhonderd pagina’s moeilijk weg. En die onthoud je evenmin. Natuurlijk zijn die honderd Holsten beter dan die honderd Wilminken. Maar als Holst wat meer Wilmink was geweest, waren ook zijn zeshonderd andere gedichten beter geweest. Wilmink is een dichter om stiekem in huis te hebben. Maar zijn verzamelbundel is zo dik dat stiekem haast niet meer kan. Ik zal er dan maar voor uitkomen.&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Zomeravond</title><link>https://hermandeconinck.com/zomeravond/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/zomeravond/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:34:10 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zomeravond. We hebben woorden en tijd.&lt;br/&gt;Behaaglijk is het om van mening en geslacht&lt;br/&gt;te verschillen, waarna alleen nog van geslacht,&lt;br/&gt;een verschil van dag en nacht, waarna nacht.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Laat je strelen, kom.&lt;br/&gt;Ik hou ervan je lichaam te verdelen&lt;br/&gt;in van alles twee, zoals ik deze zomer&lt;br/&gt;de zee verdeelde toen ik schoolslag zwom.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Schoolslag – Pastorale”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>An (2)</title><link>https://hermandeconinck.com/an-2/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/an-2/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:32:13 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;strong&gt;1&lt;/strong&gt;&lt;strong&gt;971&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Verliezen lukte beter: daar heb ik ternauwernood&lt;br/&gt;één dichtbundel over gedaan. Ik won&lt;br/&gt;de Prijs van de Vlaamse Provinciën met jouw dood.&lt;br/&gt;Ik herinner me vooral dat ik mijn bril niet vinden kon.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Die lag naast de auto op de grond. Eerst vond&lt;br/&gt;ik hem, het was een nieuwe, dan jou.&lt;br/&gt;Dank zij die bril kan ik je nog steeds zien.&lt;br/&gt;Na een eeuwigheid, misschien&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;een minuut of twee, wees een vrouw naar het gras:&lt;br/&gt;kijk, een kindje. Oja, dat hadden we ook. Snel mond&lt;br/&gt;op mond. Tom gillend als vermoord. Dat leek me gezond.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Pas toen besefte ik hoe stil het voordien was.&lt;br/&gt;Ik dacht: zal ik eens proberen te huilen?&lt;br/&gt;Het lukte. Dat kwam de volgende dagen goed van pas.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Schoolslag – Mechelen”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>An (1)</title><link>https://hermandeconinck.com/an-1/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/an-1/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:31:22 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;strong&gt;1969&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik herinner me vooral mij. Hoe ik ineens één&lt;br/&gt;vrouw had, in plaats van nu eens deze dan die.&lt;br/&gt;En hoe we nu moesten, in plaats van ooit eens zouden,&lt;br/&gt;van elkaar houden.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik zat in de kroeg te vertellen hoe mooi je wel was&lt;br/&gt;en hoe verlegen en toch brutaal, tot vriendinnen&lt;br/&gt;zeiden: ga dan thuis maar beminnen –&lt;br/&gt;en hoe ik dan toch nog een laatste glas.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik weet nog hoe je soms achter je knieën zat te zwijgen&lt;br/&gt;hoeveel vrouwen je allemaal alleen&lt;br/&gt;voor mij wou zijn, als ik er maar was.&lt;br/&gt;En dat ik nog te jong was om zoveel ineens te krijgen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Schoolslag – Mechelen”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Mamaatje</title><link>https://hermandeconinck.com/mamaatje/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/mamaatje/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:30:30 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;‘Mamaatje, mamaatje,’ huilt oude vrouw.&lt;br/&gt;Nog oudere vrouw ligt op het asfalt&lt;br/&gt;in de vorm van twee schoenen, wat verder&lt;br/&gt;bril, nog verder gebit, en daarachteraan,&lt;br/&gt;zigzag, mamaatje, oog zus, oog zo.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Mens is bros, been kraakt als stokbrood,&lt;br/&gt;tanden vliegen door de lucht,&lt;br/&gt;open mond blijft achter.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Mamaatje geweest.&lt;br/&gt;Poppen gehad. Winkeltje gespeeld.&lt;br/&gt;Stap stap met pop naar grote stad.&lt;br/&gt;Dag meneertje, dag mevrouwtje.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Enkelvoud – Zonder”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Meisje op straat laat ballon los</title><link>https://hermandeconinck.com/meisje-op-straat-laat-ballon-los/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/meisje-op-straat-laat-ballon-los/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:29:50 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Meisje op straat laat ballon los.&lt;br/&gt;Geef ook mij maar van die wanhoop,&lt;br/&gt;van die hemelhoge kleine. En wil jij&lt;br/&gt;dan ook zo uit het gezicht verdwijnen?&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik heb jou toch ook maar per ongeluk&lt;br/&gt;losgelaten? Tot waar ik niet meer kon komen?&lt;br/&gt;Laat mij achterblijven. Heb mij niet meegenomen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Enkelvoud – Zonder”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Het liefste wat ik heb is elf geworden</title><link>https://hermandeconinck.com/het-liefste-wat-ik-heb-is-elf-geworden/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/het-liefste-wat-ik-heb-is-elf-geworden/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:28:49 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het liefste wat ik heb is elf geworden.&lt;br/&gt;Feestje. Daarna ging het liefste wat ik heb&lt;br/&gt;naar huis met het liefste wat ik had.&lt;br/&gt;Het kleine meisje met het grote.&lt;br/&gt;Ik met mezelf. Zo vrolijk.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Want het is goed om ooit&lt;br/&gt;iets te hebben gehad.&lt;br/&gt;Het is beter dan nooit&lt;br/&gt;iets te hebben gehad.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Enkelvoud – Het meervoud van geluk”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Zes jaar heeft ze geleerd wat blijven was</title><link>https://hermandeconinck.com/zes-jaar-heeft-ze-geleerd-wat-blijven-was/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/zes-jaar-heeft-ze-geleerd-wat-blijven-was/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:28:02 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zes jaar heeft ze geleerd wat blijven was:&lt;br/&gt;wat ouders deden, en wat alles dus ging doen:&lt;br/&gt;een tafel bij een stoel, nu bij toen.&lt;br/&gt;Het meervoud van geluk was: wij.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Sindsdien heeft ze geleerd wat enkelvoud is.&lt;br/&gt;Zij. Nu weer half van jou, morgen half van mij.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Toen ze acht was was ze tien.&lt;br/&gt;Eén helft van haar gezicht lief,&lt;br/&gt;de andere liever. Bang om te kiezen&lt;br/&gt;tussen verliezen en verliezen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Vandaag is ze gewoon twaalf.&lt;br/&gt;Vier ouders, twee echt, twee stief.&lt;br/&gt;Slapen gaan moet met eindeloos gezoen.&lt;br/&gt;Ze wint altijd. Ze heeft geleerd wat blijven is.&lt;br/&gt;Wat ouders niet en kinderen wel doen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Enkelvoud – Het meervoud van geluk”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Ze heeft alles om te zoenen</title><link>https://hermandeconinck.com/ze-heeft-alles-om-te-zoenen/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/ze-heeft-alles-om-te-zoenen/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:26:53 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ze heeft alles om te zoenen, twee armen voor rond mijn hals&lt;br/&gt;en aan het uiteinde daarvan zichzelf om te draaien en te keren.&lt;br/&gt;Ze heeft twintig vragen en slechts twee ogen.&lt;br/&gt;Die doen wat een vraagteken doet met een zin,&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;haar moeder met nieuwe kleren. Koketteren,&lt;br/&gt;dan zal het wel mogen.&lt;br/&gt;Of ze bij me slapen mag? Ze probeert te knipogen.&lt;br/&gt;(Onder vier ogen mag het niet, misschien onder drie.)&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Als ik later, tegen haar aan,&lt;br/&gt;zeg: ‘het is hier lekker warm,’&lt;br/&gt;antwoordt ze in haar slaap: ‘dat heb ik&lt;br/&gt;speciaal voor jou gedaan.’&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Enkelvoud – Het meervoud van geluk”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>‘Ik hou van jou,’ zei ze</title><link>https://hermandeconinck.com/ik-hou-van-jou-zei-ze/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/ik-hou-van-jou-zei-ze/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:26:07 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;‘Ik hou van jou,’ zei je tussen twee monden vol wafel. Maar niet grappig; ook helemaal niet raar.&lt;br/&gt;Een bal die je met alle ervaring van je drie jaar&lt;br/&gt;vriendelijk naar mij toe rolde over tafel.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik bloosde haast als de eerste keer.&lt;br/&gt;Niet elke dag hoor ik dat zeggen, laat staan menen.&lt;br/&gt;En als het toch gebeurt, heb ik geen antwoord meer.&lt;br/&gt;Zoveel keer jouw leeftijd, ben ik tien keer&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;minder in staat te zeggen wat jij zei; niet in staat&lt;br/&gt;zomaar voor iemands voeten de lading bakstenen&lt;br/&gt;van een verklaring uit te storten. Als ik het toch probeer&lt;br/&gt;blijft het in mijn keel steken, een visgraat.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Want wat men passie noemt, dat leer&lt;br/&gt;je nog wel, komt vaak op omverrijden neer.&lt;br/&gt;Niet bij mij: ik ben zo knap dat ik alles kan geven&lt;br/&gt;en mijn hart houden. Kussen zijn kussen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Een bed is een bed. Zielen hoeven daar niet tussen&lt;br/&gt;te komen. Jij zegt: een bed? Is om te slapen. Moge&lt;br/&gt;het zo ongestoord: dat je nooit met open ogen&lt;br/&gt;iemand naast je haast niet huilen hoort.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Naar Jonathan Price&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Enkelvoud – Het meervoud van geluk”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Glasscherven in de zon</title><link>https://hermandeconinck.com/glasscherven-in-de-zon/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/glasscherven-in-de-zon/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:25:05 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;(In memoriam matris)&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik heb maar twee soorten foto’s waarop je lacht:&lt;br/&gt;met je kinderen, tot een jaar of acht,&lt;br/&gt;en met je kleinkinderen. (De oudste is dertien,&lt;br/&gt;en nog niet te brutaal, mogen blijven.)&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wat daartussenin gebeurde is te zien&lt;br/&gt;op de vijf keurig geëtiketteerde homeopatische&lt;br/&gt;flesjes in je apotheek: ‘angsten’, ‘depressies’ (twee),&lt;br/&gt;‘overbezorgdheid’, ‘paniek’. Dramatische&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;gevechten van telkens drie druppeltjes tegen de zee.&lt;br/&gt;Je bleef onderwijzeres. Een krenterige heer&lt;br/&gt;van een vrouw. Twintig jaar na elkaar elke dag heel even&lt;br/&gt;verliezen, is minder erg dan alles in één keer, dacht je.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En daarna, met iets kleins in je armen, lachte&lt;br/&gt;je dus weer. Na alles wat heel je leven&lt;br/&gt;veel te groot was geweest. Zo sta je op de trouwfoto&lt;br/&gt;van je dochter, opgekrikt uit je rugpijn,&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;zo recht als een kromme spijker die men recht-&lt;br/&gt;geslagen heeft maar kan zijn.&lt;br/&gt;En je lacht, na de dood van je man, je broers,&lt;br/&gt;je zussen, je vrienden – of het niet op kon –&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;zoals glasscherven lachen in de zon&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “De hectaren van het geheugen”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Ik zie wat ik heb. Ik heb dat ik zie. (2)</title><link>https://hermandeconinck.com/ik-zie-wat-ik-heb-ik-heb-dat-ik-zie-2/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/ik-zie-wat-ik-heb-ik-heb-dat-ik-zie-2/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:24:17 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;‘Wie zie je het liefst, de poes&lt;br/&gt;of mij?’ vraagt ze.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En zoent me, niet om mij,&lt;br/&gt;maar om haar lippen te proberen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Als ik haar optil, slaat ze haar armen&lt;br/&gt;om me heen omdat ze anders valt.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Als ik haar neerzet loopt ze weg&lt;br/&gt;en ik haar na.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Nader is een comparatief die nooit&lt;br/&gt;eindigt, zoals vader.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “De hectaren van het geheugen”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Ik zie wat ik heb. Ik heb dat ik zie. (1)</title><link>https://hermandeconinck.com/ik-zie-wat-ik-heb-ik-heb-dat-ik-zie-1/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/ik-zie-wat-ik-heb-ik-heb-dat-ik-zie-1/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:23:40 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ze kan monter aan komen waggelen als een Limburgse&lt;br/&gt;boerin van vier jaar. Ze kan koket streng kijken&lt;br/&gt;als mijn 75-jarige moeder van vier.&lt;br/&gt;En als die moeder gestorven is, probeert ze&lt;br/&gt;zo heel erg wijs te zijn dat haar hoofd er&lt;br/&gt;scheef van staat, terwijl ze zegt: ‘als ik&lt;br/&gt;dood ben, zal ik heel hard huilen, hoor.’&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ze heeft geen vader nodig, tenzij voor haar poppen.&lt;br/&gt;Hoe ik dat moet doen, vraag ik. ‘Hier in de stoel&lt;br/&gt;zitten, en de krant lezen,’ zegt ze. Ze speelt leven,&lt;br/&gt;een uurtje, en daarna weer wat anders.&lt;br/&gt;Ze leert me wat poëzie is: van een sneeuwbui&lt;br/&gt;slechts één vlok volgen. Wat ik bij haar wil&lt;br/&gt;kan altijd: dat het vandaag is.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “De hectaren van het geheugen”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Opnieuw</title><link>https://hermandeconinck.com/opnieuw/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/opnieuw/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:22:47 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Een angorakat in de sneeuw: afgemeten,&lt;br/&gt;om niet met elke stap zichzelf in al&lt;br/&gt;dat witte te vergeten.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Sneeuw blijft het weten.&lt;br/&gt;Het lijkt of hij zich pas nadien scrupuleus&lt;br/&gt;rond al die pootjes heeft gelegd.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zoals je praat rond tederheid&lt;br/&gt;die nog niet wordt gezegd.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “De hectaren van het geheugen – Bergen van onverschilligheid”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Te voet over de Lethe</title><link>https://hermandeconinck.com/te-voet-over-de-lethe/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/te-voet-over-de-lethe/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:22:13 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;strong&gt;(Mexico, Berchem)&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Als ze genadeloos traag, geeuwend, héhé,&lt;br/&gt;een peperduur slipje van niks op de vloer laat landen&lt;br/&gt;(sex hoort net als luxe met mysterieuze x) waarna ze haar voor zijn handen veel te vele twee&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;borsten laat zien, kijkt hij beneden aan haar bleke&lt;br/&gt;benen öp naar wat, geen meter hoog, hij ‘t hoogste acht:&lt;br/&gt;lippen die slechts lippen zijn en die niet spreken,&lt;br/&gt;en iemand die boven zijn smeken staat en niet laat merken dat ze lacht.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Want vrouwen hebben machtige geslachten, hoge wonden,&lt;br/&gt;venusbergen, spelonken, vouwen&lt;br/&gt;waarin verloren nachten nooit meer worden teruggevonden,&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;en daar spelen ze mee&lt;br/&gt;zoals de Mona Lisa met toeristen en de maan met de zee,&lt;br/&gt;adembenemend, en met iets van een licht verachten.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “De hectaren van het geheugen”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Met droefheid nemen wij kennis</title><link>https://hermandeconinck.com/met-droefheid-nemen-wij-kennis/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/met-droefheid-nemen-wij-kennis/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:20:03 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ze hadden een deken over hem gelegd,&lt;br/&gt;ook over het hoofdje. Ik deed de deken&lt;br/&gt;weg. Daar had hij altijd al&lt;br/&gt;een hekel aan.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het was géén afschuwelijk gezicht.&lt;br/&gt;Eén oogje was open, daaraan&lt;br/&gt;zag ik dat hij dood was.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Naar P. Hofstede&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Met een klank van hobo”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Verlanglijstje</title><link>https://hermandeconinck.com/verlanglijstje/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/verlanglijstje/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:19:16 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Geef mij Nescio en Tsjechov, oude boeken.&lt;br/&gt;Geef mij na mijn zoveelste kale reis&lt;br/&gt;iemand die mij twee haren uittrekt&lt;br/&gt;en glimlachend zegt: je wordt grijs.&lt;br/&gt;Geef mij alles en zeg: het is niets.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Geef mij niets en zeg: dat is alles.&lt;br/&gt;Geef mij mezelf, geef mij jou.&lt;br/&gt;Ik heb gezocht naar wist ik maar wat.&lt;br/&gt;Geef mij nu eindelijk&lt;br/&gt;wat ik altijd al had.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Met een klank van hobo”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>St. Ives, kerkhofje</title><link>https://hermandeconinck.com/st-ives-kerkhofje/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/st-ives-kerkhofje/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:18:27 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Op dit kerkhof lijkt de dood zelfs op haar beurt gestorven,&lt;br/&gt;de zerken op hun beurt begraven, onder gras&lt;br/&gt;dat leeft en vrolijk overleeft&lt;br/&gt;op grond van wat er destijds was.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Heden en verleden ontmoeten&lt;br/&gt;elkaar hier op elke hoek, en dan groeten&lt;br/&gt;ze, deftig comme il faut,&lt;br/&gt;Heden en Verleden, van de firma Tijd en Co.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dit land is conservatief&lt;br/&gt;zoals een wijnkelder dat is:&lt;br/&gt;het heeft de tijd.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Niet voor de eeuwigheid,&lt;br/&gt;maar om vergankelijkheid, om dagen, uren&lt;br/&gt;iets langer dan gewoonlijk te doen duren.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Met een klank van hobo”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Braille</title><link>https://hermandeconinck.com/braille/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/braille/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:17:13 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zoals ik zonder kijken tussen mijn boeken&lt;br/&gt;‘Het houdt op met zachtjes regenen’ weet staan,&lt;br/&gt;zo hoef ik jou niet meer te zoeken,&lt;br/&gt;alleen te vinden.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Jou bij mekaar tastend als een blinde&lt;br/&gt;een andere blinde. Maar ziende, ziende,&lt;br/&gt;en mekaar begrijpend zonder er wat van te verstaan.&lt;br/&gt;Liefde is houden van mekaars gebrek eraan.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Is het soort gemak van kom binnen,&lt;br/&gt;ach, ben jij het maar.&lt;br/&gt;En een paar uur later van: ik ben moe,&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;kom jij maar klaar.&lt;br/&gt;En terwijl ik nadien al slaap&lt;br/&gt;jou nog horen zeggen: slaap nu maar.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Met een klank van hobo”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Poëzie</title><link>https://hermandeconinck.com/poezie-2/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/poezie-2/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:16:29 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wakker door kinderen, meedogenloos blij&lt;br/&gt;op mijn buik. Wijn die allemaal van mij?&lt;br/&gt;Weer zo’n dag waar niets anders mee te doen&lt;br/&gt;valt dan hem te beginnen,&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;grommend, en met een dochter waar niets&lt;br/&gt;anders mee te doen valt dan beminnen.&lt;br/&gt;Kusje, vraag ik, en het plezier wat ze erin heeft&lt;br/&gt;om dicht tegen mijn wang aan en heel snel terug-&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;trekkend p te zeggen, verrukt kijkend&lt;br/&gt;naar het ontploffinkje wat dat geeft,&lt;br/&gt;verzoent me met niet langer dromen:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;vijf vingertjes rond mijn wijs-&lt;br/&gt;vinger, om tot mezelf, of toch&lt;br/&gt;tot bij haar po, te komen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Met een klank van hobo”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Poëzie</title><link>https://hermandeconinck.com/poezie/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/poezie/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:15:31 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zoals je tegen een ziek dochtertje zegt:&lt;br/&gt;mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt&lt;br/&gt;verdrietje, en het helpt niet;&lt;br/&gt;zoals je een hand op haar hete voorhoofdje&lt;br/&gt;legt, zo dun als sneeuw gaat liggen,&lt;br/&gt;en het helpt niet:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;zo helpt poëzie.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Met een klank van hobo”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Ons</title><link>https://hermandeconinck.com/ons/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/ons/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:14:49 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;‘Ik kom nog even bij jou liggen.’&lt;br/&gt;‘Bij ons,’ zeg je.&lt;br/&gt;Want sinds je zwangerschap ben je ook op je eentje&lt;br/&gt;al een beetje onder elkaar.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En dit is minder klaarkomen&lt;br/&gt;dan thuiskomen: je bent een gezin&lt;br/&gt;en ik mag er even in.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En wie van jullie gaat er door mijn haar&lt;br/&gt;en wie geeft me een beet hier en een beet daar&lt;br/&gt;en lange tijd nadien nog een heel klein beetje maar?&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Met een klank van hobo”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>33-27</title><link>https://hermandeconinck.com/33-27/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/33-27/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:14:14 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Jaja, zie titel, eigenlijk schelen wij zes jaar.&lt;br/&gt;Ik ben nog zo oud en jij bent al zo jong,&lt;br/&gt;en aan jouw luchthartigheid til ik soms zwaar,&lt;br/&gt;en dan ben ik boos, terwijl jij gewoon je tong&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;uitsteekt. Want ik ben helemaal alleen en&lt;br/&gt;jij met zovelen.&lt;br/&gt;Alleen al met je jurken ben je vijf mevrouwen&lt;br/&gt;die om beurten eens mevrouw De Coninck spelen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik vind het bijna overspel om nu eens van de ene,&lt;br/&gt;dan weer van de andere te houden.&lt;br/&gt;Soms neem je voor een paar uur de benen&lt;br/&gt;en moet ik in de kleerkast kijken wie er eigenlijk is verdwenen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Terwijl ik zelf niemand meer ben.&lt;br/&gt;Wat wou ik allemaal niet worden, stichter&lt;br/&gt;van de partij voor minder verdriet,&lt;br/&gt;de vaak geïnterviewde oprichter&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;van de vereniging voor lofzangen op jouw linkertiet.&lt;br/&gt;Maar ik ben alleen&lt;br/&gt;jouw niemand, jij mijn iedereen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Met een klank van hobo”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Huurcontract</title><link>https://hermandeconinck.com/huurcontract/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/huurcontract/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:13:28 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Misschien rust op dit huwelijk geen levenslange zegen,&lt;br/&gt;maar wel het soort zekerheid&lt;br/&gt;van een te hernieuwen huurcontract&lt;br/&gt;drie-zes-negen.&lt;br/&gt;We zijn binnen voor de regen&lt;br/&gt;van melancholie.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Misschien is dat minder passionant&lt;br/&gt;dan vroeger, als je klaarkomt vraag ik ‘wablieft’&lt;br/&gt;en grappen in die trant.&lt;br/&gt;Maar ik heb je meer dan vroeger lief:&lt;br/&gt;er is zoveel meer ‘jou’ nu dat ik ken,&lt;br/&gt;zoals ik ook voor jou meer ikken ben.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En allemaal samen hebben we dat zootje van zes.&lt;br/&gt;(Zoontje bedoel ik, maar de schrijffout mag blijven staan.)&lt;br/&gt;Vaak kan ik niet slapen&lt;br/&gt;van het denken eraan.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En dan denk ik: net een heus gezin.&lt;br/&gt;En ik tast naar jouw hand.&lt;br/&gt;En jij slaapt evenmin.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Met een klank van hobo”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Ter ere van de goedertieren maan (6)</title><link>https://hermandeconinck.com/ter-ere-van-de-goedertieren-maan-6/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/ter-ere-van-de-goedertieren-maan-6/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:05:40 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;(Vrij, respectievelijk zeer vrij, naar Edna St. Vincent Millay)&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Pijn, zit er echt niets anders op&lt;br/&gt;dan de dagen die me zijn gebleven&lt;br/&gt;haard en bed, en helaas ook dezelfde kop&lt;br/&gt;met je te delen? Jij maar vragen, ik maar geven?&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het zij zo. Misschien dat het went.&lt;br/&gt;Laten we eten. Breng de soep maar aan de kook.&lt;br/&gt;Ik kan niet sterven voor jij zelf gestorven bent.&lt;br/&gt;Zo lang jij echter leeft, ben ik er alvast ook.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Van het Millay-bedrijf voor Brandende Gedachten&lt;br/&gt;ben jij ijskoud accountant,&lt;br/&gt;maakt mijn zwier wel erg zwaar op de hand,&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;en heft belasting op mijn toch al korte nachten.&lt;br/&gt;We zullen samen doodgaan, maar ik weet niet goed&lt;br/&gt;of ik je al die dingen wel vergeven moet.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Zolang er sneeuw ligt”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Ter ere van de goedertieren maan (5)</title><link>https://hermandeconinck.com/ter-ere-van-de-goedertieren-maan-5/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/ter-ere-van-de-goedertieren-maan-5/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:05:01 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;(Vrij, respectievelijk zeer vrij, naar Edna St. Vincent Millay)&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dood, ik zal sterven, maar da’s alles wat ik doe voor jou.&lt;br/&gt;Ik zal niet bang zijn, veel plezier ga je er niet aan beleven.&lt;br/&gt;Ik zal niet zuchten en niet huilen en niet beven.&lt;br/&gt;Dood, ik zal sterven, maar da’s alles wat ik doe voor jou.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik heb gearbeid in de wijngaard van het leven.&lt;br/&gt;En van die wijn komen de vlekken op mijn huid.&lt;br/&gt;Drie vrouwen zijn me komen wassen, hier zo even,&lt;br/&gt;en kregen er die vlekken niet meer uit.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Laat mij dus zo maar wachten, als een bruid.&lt;br/&gt;Want ik zal sterven, maar da’s alles wat ik doe voor jou.&lt;br/&gt;Ik laat je niet veel over. Mijn gezicht is grauw.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik zal je aankijken met twee ogen van glas.&lt;br/&gt;En als je ligt te pompen op mijn arm karkas&lt;br/&gt;zul je wel merken dat je niet de eerste was.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Zolang er sneeuw ligt”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Ter ere van de goedertieren maan (4)</title><link>https://hermandeconinck.com/ter-ere-van-de-goedertieren-maan-4/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/ter-ere-van-de-goedertieren-maan-4/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:03:37 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;(Vrij, respectievelijk zeer vrij, naar Edna St. Vincent Millay)&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Als jouw verdwijnen maar betekenen zou&lt;br/&gt;dat ik nu verder met mezelf kon leven&lt;br/&gt;– ik sluit de deur, waar waren we gebleven, ik gooi wat blokken in het vuur tegen de kou,&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;een boek van Chaucer ligt nog op de bladzij open&lt;br/&gt;van voor je binnenkwam. Ik heb nog donker bier&lt;br/&gt;en Bach: vandaag alleen al is een eeuw of vier –&lt;br/&gt;dan zou verlies op winst nog mogen hopen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Als jouw verdwijnen maar zou zijn: met rust&lt;br/&gt;gelaten worden, ga dan, geef mij dan die rust,&lt;br/&gt;laat mij gelàten worden, laat mij niet meer horen&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;hoe ik (wie, ik?) in donkere dagen en in blanke nachten&lt;br/&gt;op niets en niemand lig te wachten,&lt;br/&gt;jou kwijt zijnde, mezelf verloren.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Zolang er sneeuw ligt”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Ter ere van de goedertieren maan (3)</title><link>https://hermandeconinck.com/ter-ere-van-de-goedertieren-maan-3/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/ter-ere-van-de-goedertieren-maan-3/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:02:48 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;(Vrij, respectievelijk zeer vrij, naar Edna St. Vincent Millay)&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Omdat ik vrouw ben en behoorlijk heb te lijden&lt;br/&gt;van al de grillen en behoeften van mijn soort,&lt;br/&gt;laat jouw nabijheid iemand in mij aan het woord&lt;br/&gt;die zegt (wat ze niet meent) hoe goed ze met je vrijde.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Maar het is niet omdat ik op mijn borsten duldde&lt;br/&gt;jouw tachtig kilo en jouw pompen en jouw zweten&lt;br/&gt;– passie verheldert ‘t bloed en verduistert ‘t weten –&lt;br/&gt;dat ik mij niet herinner hoe je lulde.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Je moet niet denken dat dit zielige verraad&lt;br/&gt;van mijn sterk bloed tegen mijn zwak verstand volstaat&lt;br/&gt;om jou in liefde te gedenken.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dit hitsige gedoe van ‘t wijf dat in mij praat&lt;br/&gt;vind ik hoegenaamd geen reden tot een conversatie&lt;br/&gt;als ik je nog eens tegenkom op straat.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Zolang er sneeuw ligt”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Ter ere van de goedertieren maan (2)</title><link>https://hermandeconinck.com/ter-ere-van-de-goedertieren-maan-2/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/ter-ere-van-de-goedertieren-maan-2/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:01:59 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;(Vrij, respectievelijk zeer vrij, naar Edna St. Vincent Millay)&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Nee, liefde is niet blind. Ik zie ook met één oog&lt;br/&gt;je lelijkheid en andermans verfijnde charme.&lt;br/&gt;Ik ken zelfs alle sproeten op je armen&lt;br/&gt;en hoe je ogen veel te ver uiteenstaan, en je wenkbrauwen te hoog&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;om mooi te zijn. Nee, liefde is niet doof,&lt;br/&gt;ik hoor ook met één oor je domme conversatie&lt;br/&gt;en voel met handen, huid en haar je povere bibberatie&lt;br/&gt;die grote passie moet verbeelden, hier in mijn alkoof.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En toch hou ik van jou veel meer dan omgekeerd.&lt;br/&gt;En dat dit liefde zijn zou, heb ik nooit beweerd.&lt;br/&gt;Dit is veeleer een soort eenrichtingsverkeer&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;waarin steeds ik het wijf ben, jij de heer.&lt;br/&gt;En dat de wereld daarmee lacht, kan mij niet raken.&lt;br/&gt;En als ik al te lijden heb, zijn dat mijn eigen zaken.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Zolang er sneeuw ligt”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Kritiek</title><link>https://hermandeconinck.com/kritiek/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/kritiek/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:00:59 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Gisteren nog vond ik het woord&lt;br/&gt;‘lieveling’ uit, en droeg het op een rood&lt;br/&gt;kussentje naar jou. O, schat, zei je,&lt;br/&gt;dat hoefde niet. Maar je liet goed&lt;br/&gt;merken hoe blij je was.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En vorige week schreef ik:&lt;br/&gt;‘Ik hou van jou om de manier&lt;br/&gt;waarop je me hoofdpijn bezorgt&lt;br/&gt;en dan erg lief bent voor die hoofdpijn.’&lt;br/&gt;Toen je het gelezen had&lt;br/&gt;kreeg ik een enorme zoen.&lt;br/&gt;Dàt is nog eens literaire kritiek.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Uit “Zolang er sneeuw ligt”&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Ter ere van de goedertieren maan (1)</title><link>https://hermandeconinck.com/ter-ere-van-de-goedertieren-maan-1/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/ter-ere-van-de-goedertieren-maan-1/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 19:00:10 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;(Vrij, respectievelijk zeer vrij, naar Edna St. Vincent Millay)&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Je weet dat jou vergeten mij niet zwaar&lt;br/&gt;zal vallen. Maak het beste dus van deze dag,&lt;br/&gt;deze ene maand, dit ene halve jaar,&lt;br/&gt;voordat ik sterf of wegga of je niet meer mag.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Want alles gaat voorbij en niets zal mij nog heugen.&lt;br/&gt;Ik neem een andere oogschaduw en ben een andere vrouw.&lt;br/&gt;Maar als je me weet aan te pakken met je mooiste leugen&lt;br/&gt;zal ik je troosten met mijn liefste eed van trouw.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik wou ook wel eens liefde van wat langer duur.&lt;br/&gt;Maar dat ligt niet in haar natuur.&lt;br/&gt;En of wij vinden wat wij zoeken, of ook niet,&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;en of ik voor één zomer van je hou, of voor het leven,&lt;br/&gt;en of ik wegga met of zonder jouw verdriet&lt;br/&gt;is, biologisch gezien, om het even.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Zolang er sneeuw ligt”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Wiskunde</title><link>https://hermandeconinck.com/wiskunde/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/wiskunde/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 18:59:05 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Nee, zo stoer hoeft niet, tenslotte&lt;br/&gt;moet ik het nu weer allemaal zelf doen. Ik trek mij af.&lt;br/&gt;Het lijkt wel een hele bewerking, een&lt;br/&gt;aftrekking inderdaad, ik trek mij af&lt;br/&gt;van wat ik was met jou,&lt;br/&gt;ik hou alleen mezelf over.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Zolang er sneeuw ligt”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Home sweet home</title><link>https://hermandeconinck.com/home-sweet-home/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/home-sweet-home/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 18:57:28 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Nachtje liefdeloos weggeweest&lt;br/&gt;zuinigjes vrijend, sperma&lt;br/&gt;in zakdoeken.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Nachtjes eindeloos droehoef geweest,&lt;br/&gt;kijkend naar jou, naar&lt;br/&gt;foto’s in plakboeken.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Dagje dan toch maar thuis geweest,&lt;br/&gt;liefde voor Tom,&lt;br/&gt;liefde met kakdoeken.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Zolang er sneeuw ligt”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Verjaardagsvers</title><link>https://hermandeconinck.com/verjaardagsvers/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/verjaardagsvers/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 18:55:58 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Je zei nooit wat. Ik moest het altijd vragen.&lt;br/&gt;Of je van mij hield. En je zoende.&lt;br/&gt;Of het veilig was die eerste keer.&lt;br/&gt;En je zoende weer.&lt;br/&gt;En even later of ik het goed deed zo,&lt;br/&gt;en je zoende, o.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Je zei nooit wat, je zei het altijd met je ogen.&lt;br/&gt;Je ogen die helemaal alleen&lt;br/&gt;in je gezicht achterbleven als ik je verliet;&lt;br/&gt;je ogen na geween:&lt;br/&gt;je was er niet,&lt;br/&gt;je keek me aan als verten&lt;br/&gt;en ik moest erheen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En als ik weer tot daar was&lt;br/&gt;de ogen waarmee je het woord ‘lieveling’ zei,&lt;br/&gt;keek of het niet veranderde&lt;br/&gt;op weg naar mij.&lt;br/&gt;En toen je naast de weg lag in de wei,&lt;br/&gt;wat had je niet allemaal gebroken,&lt;br/&gt;je benen, je ribben, je ogen, mij.&lt;br/&gt;Je zei nooit wat, je zei het altijd met je ogen,&lt;br/&gt;zoals je daar lag, te zieltogen,&lt;br/&gt;te zielogen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En je ogen die je zoon nu in heeft staan,&lt;br/&gt;waarmee hij zegt: niet weggaan –&lt;br/&gt;je zei nooit wat, hij zegt het, en jij kijkt mij aan.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Zolang er sneeuw ligt”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Hotel Eden</title><link>https://hermandeconinck.com/hotel-eden/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/hotel-eden/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 18:34:01 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En ‘s nachts gingen we naakt zwemmen, we zwommen&lt;br/&gt;onze namen op het water, ik zwom An in twee&lt;br/&gt;grote letters, jij zwom uitgebreid aan de naam&lt;br/&gt;Herman, en met de gouden maan eroverheen&lt;br/&gt;leek het wel of we onze namen definitief&lt;br/&gt;genoteerd hadden op een van de gewijde bladzijden&lt;br/&gt;van het Boek.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Nadien kuste ik de waterdruppels&lt;br/&gt;van je gezicht, voorzichtig één voor één&lt;br/&gt;zoals een pointillist toetsjes aanbrengt&lt;br/&gt;op zijn doek ‘naakte vrouw bij maanlicht’,&lt;br/&gt;en in geen enkele vergelijking pasten je&lt;br/&gt;borsten zo mooi als in mijn handen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En in bed, ik kwam al van ver aan-&lt;br/&gt;gerend declamerend ‘Hier Ruk Ik Aan&lt;br/&gt;Met Een Erectie Als Een Pompiersladder&lt;br/&gt;Om Jouw Brand Te Blussen’ en we lachten&lt;br/&gt;en wat maakten we een leven&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;dat we negen maanden later&lt;br/&gt;Tomas zouden noemen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Zolang er sneeuw ligt”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Flamingo’s</title><link>https://hermandeconinck.com/flamingos-2/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/flamingos-2/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 18:32:35 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Flamingo’s op poten zo dun als de ff’s&lt;br/&gt;van mejuffer, of als twee sigarette-&lt;br/&gt;pijpjes waaraan ze zuinig de rook&lt;br/&gt;van zichzelf opzuigen: met dit soort&lt;br/&gt;raffinementjes zetten ze zichzelf voortdurend&lt;br/&gt;voorzichtig op stelten.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En hoe ze op één been staan, het andere&lt;br/&gt;in hun veren opgeplooid als een handtas&lt;br/&gt;onder de arm, deftige dames, wachtend op de tram&lt;br/&gt;naar Rilke (psst, Germaine, laat niks merken,&lt;br/&gt;daar zijn weer toeristen naar ons aan ‘t kijken!).&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Zolang er sneeuw ligt – Kijk eens hoe echt”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>De Schreeuw</title><link>https://hermandeconinck.com/de-schreeuw/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/de-schreeuw/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 18:31:05 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Bejaardentehuizen zijn een soort wachtzalen,&lt;br/&gt;denkt hij, met een goddevader die om de haverklap&lt;br/&gt;‘de volgende’ roept.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Hij is weer eens langs geweest, heeft haar&lt;br/&gt;haar wekelijkse portie zoon bezorgd&lt;br/&gt;en nu hij weggaat, roept ze hem achterna,&lt;br/&gt;de rimpels in haar gezicht kringen&lt;br/&gt;rond de o van haar mond als golven&lt;br/&gt;rond ‘De schreeuw’ van Edvard Munch,&lt;br/&gt;en er komt geen geluid,&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;alleen de wind raast door het land&lt;br/&gt;als lange aa’s door lange ziekenzalen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Zolang er sneeuw ligt – Kijk eens hoe echt”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Olifant</title><link>https://hermandeconinck.com/olifant/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/olifant/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 18:30:21 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Hij is gemaakt van de grofste effecten,&lt;br/&gt;draagt zijn broek als clown August,&lt;br/&gt;de knieën slodderend, maakt danspasjes&lt;br/&gt;als tante Bertha die een tango de grond&lt;br/&gt;inheit, terwijl z’n kont doet denken&lt;br/&gt;aan een vals gebit&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;dat net is uitgenomen. En dan zijn slurf&lt;br/&gt;en vlak daarnaast zijn ogen. Hoe zou jij kijken&lt;br/&gt;als ze je lul op je neus gezet hadden?&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “Zolang er sneeuw ligt – Kijk eens hoe echt”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>We reden hele dagen op Honda’s</title><link>https://hermandeconinck.com/we-reden-hele-dagen-op-hondas/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/we-reden-hele-dagen-op-hondas/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 18:29:34 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;We reden hele dagen op Honda’s, we kwamen snel&lt;br/&gt;aanwaaien als geluk, en je hoefde maar&lt;br/&gt;achterop te springen en geschaakt te willen worden.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En jij wilde altijd wel, o&lt;br/&gt;je wist zoveel te vertellen&lt;br/&gt;in een zoen, ademloos&lt;br/&gt;hing ik aan je lippen tot&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;je achterover gleed, en ik trok&lt;br/&gt;haastig door jou naar jezelf,&lt;br/&gt;als een leger joden door de rode zee,&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;ik was de laatste die aankwam.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “De lenige liefde”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Wat heb je vandaag gekocht, vroeg ik</title><link>https://hermandeconinck.com/wat-heb-je-vandaag-gekocht-vroeg-ik/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/wat-heb-je-vandaag-gekocht-vroeg-ik/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 18:28:40 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wat heb je vandaag gekocht, vroeg ik.&lt;br/&gt;Een halsuitsnijding, zei je.&lt;br/&gt;Trek ze eens aan, vroeg ik.&lt;br/&gt;En je trok alles uit: dat is ze&lt;br/&gt;helemaal, zei je, maar met de jurk&lt;br/&gt;erbij komt ze tot hier –&lt;br/&gt;en toen wees je midden op mijn handen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “De lenige liefde”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Hoe hield ik platonisch van je gedachten</title><link>https://hermandeconinck.com/hoe-hield-ik-platonisch-van-je-gedachten/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/hoe-hield-ik-platonisch-van-je-gedachten/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 18:27:56 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Hoe hield ik platonisch van je gedachten&lt;br/&gt;en onnoemelijk veel van de rest.&lt;br/&gt;Je borsten waren zachte&lt;br/&gt;kolfjes naar mijn hand,&lt;br/&gt;twee afgeronde verhalen&lt;br/&gt;met een pointe waarop ik erg was gesteld.&lt;br/&gt;En sta me toe dat ik ook&lt;br/&gt;onze goeie verhouding vermeld&lt;br/&gt;tussen poëzie en leven:&lt;br/&gt;ik wist dat ik zô met jou naar bed kon&lt;br/&gt;als ik zulk een gedicht had geschreven.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “De lenige liefde”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Het was een prachtidee van haar ouders</title><link>https://hermandeconinck.com/het-was-een-prachtidee-van-haar-ouders/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/het-was-een-prachtidee-van-haar-ouders/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 18:26:57 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Het was een prachtidee van haar ouders,&lt;br/&gt;Melinda te verwekken. Aanvankelijk wou&lt;br/&gt;ze dan ook zichzelf gaan studeren.&lt;br/&gt;Psychologie noemt men die wetenschap,&lt;br/&gt;geloof ik. Maar al gauw vond ze er&lt;br/&gt;niks anders op zitten dan mooi te wezen&lt;br/&gt;en mij te ontmoeten.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Kijk eens wat ik hier heb, zegt ze&lt;br/&gt;en brengt me voor het raam: allemaal&lt;br/&gt;om naar te kijken.&lt;br/&gt;En kijk eens wat ik nog heb, zegt ze&lt;br/&gt;en wijst op zichzelf: het kan zoenen,&lt;br/&gt;voegt ze er op hoge benen aan toe&lt;br/&gt;terwijl ik mijn happy end voel groeien.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “De lenige liefde”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Middenin de vlakte van juli</title><link>https://hermandeconinck.com/middenin-de-vlakte-van-juli/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/middenin-de-vlakte-van-juli/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 18:25:06 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Middenin de vlakte van juli&lt;br/&gt;kwam ik je tegen. Ik woon hier, zei je.&lt;br/&gt;Ik keek naar de bloemen. Ja, dat zie ik,&lt;br/&gt;zei ik, en waar leerde je de kunst&lt;br/&gt;om niet lang te duren? Ook hier, zei je.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Je was lenig; en je woorden waren zo&lt;br/&gt;doorschijnend, ik kon je er helemaal&lt;br/&gt;door zien.&lt;br/&gt;En daar lag ik al in het gras&lt;br/&gt;en wat hield ik in mijn hand?&lt;br/&gt;Een oortje, waarin ik het lange woord&lt;br/&gt;‘lieveling’ uitgoot, zonder morsen&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “De lenige liefde”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>En zij omhelsde hem</title><link>https://hermandeconinck.com/en-zij-omhelsde-hem/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/en-zij-omhelsde-hem/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 18:24:22 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p&gt;En zij omhelsde hem met al haar&lt;br/&gt;
zonden en monden. En zij omhelsde hem&lt;br/&gt;
met al haar nachten. Met al haar&lt;br/&gt;
opnieuws. Met heel haar altijd.&lt;br/&gt;
Vanwaar bleef zij die verwarring halen?&lt;br/&gt;
Hij liep als in zachte regen&lt;br/&gt;
in haar woorden en kon nergens meer wonen&lt;br/&gt;
ter wereld, hij zwierf in liefde.&lt;br/&gt;
En zij leerde hem niet meer te kunnen&lt;br/&gt;
zeggen wat hij voelde,&lt;br/&gt;
zij leerde hem voelen.&lt;br/&gt;
Hoeveel benen sloeg zij rond hem heen&lt;br/&gt;
en hoeveel slangen?&lt;br/&gt;
En hoe langzaam loog zij ‘liefste’?&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;Het was een woord als vele maanden lang.&lt;/p&gt;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;Uit “De lenige liefde”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Wat een gebrek aan pathetiek</title><link>https://hermandeconinck.com/wat-een-gebrek-aan-pathetiek/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/wat-een-gebrek-aan-pathetiek/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 18:23:36 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wat een gebrek aan pathetiek,&lt;br/&gt;zoals hij zegt: ‘Hallo.&lt;br/&gt;Dus je houdt niet meer van mij.’&lt;br/&gt;En zij, een laatste sandwichhap weg-&lt;br/&gt;werkend: ‘Nee.’&lt;br/&gt;En hij, hij praat dan maar verder&lt;br/&gt;tegen de telefoon tot ie klik&lt;br/&gt;zegt, alsof ie iets wegslikt.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “De lenige liefde – Met de vedel”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Je wandelde met jezelf en met mij</title><link>https://hermandeconinck.com/je-wandelde-met-jezelf-en-met-mij/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/je-wandelde-met-jezelf-en-met-mij/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 18:22:52 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Je wandelde met jezelf en met mij&lt;br/&gt;langs de zee, toen je plots&lt;br/&gt;je huid wilde zijn en zwemmen&lt;br/&gt;en geheimen toevoegen aan&lt;br/&gt;het water&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;en toen je weerkwam zei je&lt;br/&gt;liefje, ik heb de maan gevangen.&lt;br/&gt;Waar, vroeg ik, en je legde dun&lt;br/&gt;een hand over je schoot&lt;br/&gt;als een vinger op de lippen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “De lenige liefde – Met de vedel”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Zoals je binnenkwam en dag zei</title><link>https://hermandeconinck.com/zoals-je-binnenkwam-en-dag-zei/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/zoals-je-binnenkwam-en-dag-zei/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 18:22:01 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Zoals je binnenkwam en dag zei,&lt;br/&gt;en uit je kleren en je woorden stapte&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;(het voorlaatste wat je voor me uit-&lt;br/&gt;deed was het woord ‘lieveling’&lt;br/&gt;en het laatste een glimlach; toen&lt;br/&gt;opende je de haakjes en ik kwam erin&lt;br/&gt;en je sloot ze)&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;zo ging je ook weer weg, trok&lt;br/&gt;enkele veel te dunne woorden&lt;br/&gt;van afscheid om je heen&lt;br/&gt;en rilde.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “De lenige liefde – Met de vedel”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Ik kom van ver</title><link>https://hermandeconinck.com/ik-kom-van-ver/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/ik-kom-van-ver/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 17:36:56 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ik kom van ver,&lt;br/&gt;van waar jij mooi was tussen je haren&lt;br/&gt;als een eiland tussen het riet.&lt;br/&gt;En je mond viel traag, traag&lt;br/&gt;over mijn gezicht als avond&lt;br/&gt;over de landen, als stilte&lt;br/&gt;over dit gedicht.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Hoe zijn mijn handen wit&lt;br/&gt;sindsdien, als om te leggen in een schrijn:&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;in de droom dat wij nog samenzijn.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “De lenige liefde – Met de vedel”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Nevel is ‘t niet meer voorbijgaan</title><link>https://hermandeconinck.com/nevel-is-t-niet-meer-voorbijgaan/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/nevel-is-t-niet-meer-voorbijgaan/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 17:36:14 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Nevel is ‘t niet meer voorbijgaan&lt;br/&gt;van iets moois dat al volbracht is.&lt;br/&gt;Nevel is gelukkig haast niet meer bestaan,&lt;br/&gt;niet meer moeten&lt;br/&gt;en nog even mogen.&lt;br/&gt;Je was lang gebleven.&lt;br/&gt;Nevel is even&lt;br/&gt;daarna.&lt;br/&gt;Ik zie haast nog je ogen.&lt;br/&gt;Nevel is: nog bijna.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “De lenige liefde – Met de vedel”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Brussel</title><link>https://hermandeconinck.com/brussel/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/brussel/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 17:35:22 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Geen krot stort hier ooit in. Ze blijven staan&lt;br/&gt;uit gewoonte, beweert een collega van me,&lt;br/&gt;en als ze je niet bevallen, zijn er enkel&lt;br/&gt;andere lelijke huizen om eraan te ontsnappen.&lt;br/&gt;Trouwens, ook de politiek is hier zo:&lt;br/&gt;evenveel problemen als huizen.&lt;br/&gt;Maar men blijft erin wonen, slapen,&lt;br/&gt;sigaretten, voedsel en liefde kopen.&lt;br/&gt;En er lopen altijd wel duizend identieke&lt;br/&gt;burgers over straat om elkaar de indruk&lt;br/&gt;te geven dat ze normaal zijn, en om mij&lt;br/&gt;aan geboortebeperking te doen denken.&lt;br/&gt;Men is hier mens zoals men elders bandiet is:&lt;br/&gt;enkele keren per jaar, ‘s nachts en zeer&lt;br/&gt;verborgen. Dan gaat men huilen,&lt;br/&gt;bij voorbeeld op de wc.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “De lenige liefde – Een dag als geen ander”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Denkend aan vroegere gedichten</title><link>https://hermandeconinck.com/denkend-aan-vroegere-gedichten/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/denkend-aan-vroegere-gedichten/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 17:34:31 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Wij waren jong, wij sprongen&lt;br/&gt;te paard op de taal en reden&lt;br/&gt;heersend de velden door,&lt;br/&gt;slingerend lasso’s van woorden&lt;br/&gt;naar alles wat we wilden veroveren. O,&lt;br/&gt;het waren dolle roekeloze tochten, pas toch&lt;br/&gt;een beetje op, riep Kees Fens ons nog na.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;En ‘s avonds stond de taal nog na te trillen,&lt;br/&gt;op stal in een gedicht, hinnikend&lt;br/&gt;van heimwee naar de maan&lt;br/&gt;en naar de verste betekenissen.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “De lenige liefde – Een dag als geen ander”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Flamingo’s</title><link>https://hermandeconinck.com/flamingos/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/flamingos/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 17:33:43 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Ze zijn er bijna niet&lt;br/&gt;zoals heel slanke vrouwen&lt;br/&gt;na heel licht verdriet.&lt;br/&gt;Met hun poten als met een dun pincet&lt;br/&gt;pikken ze preuts hun tenen&lt;br/&gt;uit het water op, o, ze&lt;br/&gt;zijn zo rose&lt;br/&gt;als gedachten van een maniërist.&lt;br/&gt;Ze zijn vraagtekens achter al ons weten&lt;br/&gt;en zo fraai dat we even&lt;br/&gt;niet meer om een antwoord geven.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “De lenige liefde – Een dag als geen ander”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item><item><title>Ballerina</title><link>https://hermandeconinck.com/ballerina/</link><guid isPermaLink="true">https://hermandeconinck.com/ballerina/</guid><pubDate>Sun, 05 Jun 2016 17:32:22 &#43;0200</pubDate><description>&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;Gebaar voor gebaar reikt&lt;br/&gt;ze haar lichaam over aan haar dromen&lt;br/&gt;en telkens wordt ze meer&lt;br/&gt;dan ze al was en telkens reikt ze weer.&lt;/p&gt;
&lt;p class=&#34;wp-block-paragraph&#34;&gt;&lt;em&gt;Uit “De lenige liefde – Een dag als geen ander”&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;
</description></item>
</channel></rss>
