Een eerbetoon aan Vlaanderens grootste dichter

De ‘uitzichtloze tevredenheid’ van Herman de Coninck

D

Dietsche Warande & Belfort · jaargang 126, nr. 5 · 1981 · blz. 373–376

Herman de Coninck typeert al meteen de gedichten uit zijn derde bundel in de titel zelf: Met een klank van hobo (Orion-Colibrant, 1980). Volgens C. Höweler, in ‘XYZ van de muziek’, heeft de hobo een ‘veelzijdige expressiviteit’. Hij was ‘het lievelingsinstrument van Bach, die er stille vreugde (...), grote innerlijke smart (...) en alle gevoelsschakeringen daartussen mee opriep’. Het blijkt dat ook Mahler hem aanwendde in het derde van zijn ‘Kindertotenlieder’ om er ‘warme, weemoedige liefde’ mee uit te drukken... Daarmee is enigszins de gevoelssfeer van De Conincks gedichten weergegeven: met een inderdaad veelzijdige expressiviteit (De Coninck heeft altijd al het taalinstrument bijzonder knap bespeeld) roept de dichter gevoelens op van vreugde en smart én de schakeringen daartussenin, maar vooral de weemoedige liefde voor zijn gestorven vrouw, voor zijn huidige vrouw, voor zijn kinderen, zijn moeder en zijn gestorven vader. Gevoelens die hun plaats hebben gekregen in een bezonken bewustzijn, een modus vivendi die de dichter als volgt omschrijft: ‘uitzichtloze tevredenheid’; ‘uitzicht op leegte, maar / met gordijntjes voor de ramen’; het besef dat ‘geluk niet voor (hem) is weggelegd. / En daar hoe dan ook erg rustig van zijn.’; een bestendig herfstig gevoel ‘van nergens horen / in de bossen thuis en thuis verloren’; het besef van binnen te zijn (in het huwelijk nl.) ‘voor de regen van melancholie’; ‘Alles is voorlopig’; ‘... je zou willen zwerven, 't doet er niet toe waar, / als het hier maar is’; ‘En je weet: ik heb niet wat ik heb’ en ‘Geef me nu eindelijk, wat ik altijd al had’... Het is een gevoelswereld van resignatie zonder wanhoop (daar zet de dichter zich met zijn humor en relativeringszin tegen af). In zijn sterk relativeringsbesef van ‘wat voorbij is en nooit overgaat’ doet De Coninck uiteraard even denken aan Werumeus Buning, maar veel meer nog aan J. Eijkelboom, wiens recente bundel heet ‘Wat blijft komt nooit terug’: beide dichters lijken op elkaar, niet omdat ze allebei journalisten zijn, maar omdat ze de dubbelzinnigheid van de werkelijkheid én de taal uitbuiten en vooral uitermate relativerend gevoelsmatig denken. De Coninck is inderdaad een illusieloos man én een heel weemoedig man, maar dan met de ‘echte weemoed’: ‘niet om hoe het vroeger was / maar om hoe het ook vroeger nooit is geweest. / De herinnering aan wat nooit heeft bestaan.’

Zijn bundel bevat een ruime reeks erotiserende liefdesgedichten, maar even illusieloos relativerend schrijft hij over de liefde: ‘Liefde is houden van mekaars gebrek aan / liefde. Is het soort gemak van kom binnen, / ach, ben jij het maar.’

Hoewel er toch ook herhaaldelijk het schrijnend ervaren maar luchtig afstandelijk beleden besef is: het had in het verleden ook anders gekund. Dat schrijft de dichter neer in een aangrijpend gedicht waarin hij zijn eerste vrouw gedenkt:

Twee

Destijds in kinderspelletjes kon je,
b.v. als je veter was losgeraakt,
gewoon ‘twee’ zeggen, en dan stond je
even buitenspel, niemand mocht je dan nog aantikken.

Voor jou had dat moeten blijven gelden.
Dat je ‘twee’ zei, ‘ik ben even
mijn man kwijt’, en dat die laatste tien jaar
dan niet hoefden mee te tellen.

Of dat je, in plaats van te sterven,
gewoon verstoppertje speelde
en dat we je nog steeds
niet hadden gevonden.

De geesten van deze vrouw én van zijn vader blijven aanwezig, maar de emotie wordt bedwongen, gerelativeerd. Het kinderspelletje fungeert hier als ‘geestenbanner’ (cfr. het slotgedicht van Ed Leeflangs recente ‘De hazen en andere gedichten’, waarin eveneens geliefde doden aanwezig blijven).

De Coninck schrijft wel degelijk heel eigentijdse lyriek, die aansluit bij de relativerende, speelse, rijmende (en vaak rijmelende) nieuwe romantiek in Nederland, die in Nederland ook de Vijftigers lijkt te hebben uitgebannen. Men herinnere zich dat De Coninck in de jaren zeventig bij de nieuw-realisten in Vlaanderen werd ondergebracht. O.a. ter wille van zijn speels-relativerende ingesteldheid t.o.v. de werkelijkheid, ook de werkelijkheid van taal en gedicht. Ook in deze bundel is De Coninck wel eens erg speels (ik noem het liever humoristisch, zelfs wat studentikoos): in ‘Vriendin van één nacht’ b.v. ‘Het was onbereikbaar. / Maar voor iedereen die dat óók vond, trok ze tijd / uit, en haar bloesje en de spelden uit d'r haar.’; of in ‘33-27’: ‘Wat wou ik allemaal niet worden, stichter / van de partij van minder verdriet, / de vaak geïnterviewde oprichter // van de vereniging voor lofzangen op jouw linkertiet’; of in:

Zij en hij

Zij houdt moedig haar vrolijkheid op
en haar borsten.
Zij heeft een humeur
als een stevige beha.

Ook hij is opgetrokken
uit veel vrolijk Hahaha.
Maar zijn drift zit al jaren
achter tralies: de strepen
van zijn pijama.

Overigens is de toon van zijn gedichten doorlopend luchtig, zelfs vrolijk, ondanks het besef dat ‘het uitzichtloze (...) nu stilaan (z)ijn uitzicht is geworden’. De hier uitgeschreven paradox beheerst zijn levensgevoel, was al aanwezig in ‘Zolang er sneeuw ligt’ (1975), maar is nu wel overheersend geworden. De Conincks ‘modus vivendi’ én zijn poëzie bestaan trouwens uit het doen samenhoren van tegengestelden. Zijn werkelijkheid bestrijkt het niet meer te herstellen verleden, het heden van liefde en erotiek, van vrouw en gezinnetje... Zijn poëtische werkelijkheid bestaat uit het in taal omzetten van ‘emoties’.

In enkele meer programmatische gedichten (programmatisch voor zichzelf dan) schrijft hij o.a. zijn politieke opvattingen neer, nl. gelijke kansen voor iedereen: ‘De gelijkheid van er is voor allemaal evenveel / regen, groeien jullie maar, planten. / En de prachtige ongelijkheid die dat oplevert.’; m.b.t. poëzie en politiek verzucht hij: konden de politici maar eens de bestaande werkelijkheid ombouwen als een oude fermette: ‘dit is / een dragende muur, die laten we staan, / die en die muren moeten weg, / daar komen grote ruimtes’; een romantische maatschappijvisie: ‘(...) ik schrijf over wat nog moet komen. / Over een maatschappij / met een gedicht als grondwet en / een minister van dromen.’ L'imagination au pouvoir! Maar de dichter heeft de onmogelijkheid hiervan en de onmacht van de poëzie lang al door: ‘Ik ben een leraar voor een lege klas’. En in ‘De buigzaamheid van het verdriet’ noemt hij voor poëzie: ‘het erg bruikbare besef / dat je met emoties ook nog wat kunt doen’, dat je ze ‘erg gierig, als / een dubbeltje, drie keer moest omdraaien / (liefde/haat/liefde) voor je ze uitgaf’; voorts is er ‘Niet de buigzaamheid van het verdriet, / maar de precisie’, de precieze formulering nl.; ten slotte: ‘Misschien is ook poëzie zoiets (als een sporthart, W.S.), een hart / hebben waarmee je na een turbulente jeugd / van de dokter nog altijd af en toe eens moet / huilen. Melancholie. De uitzichtloze tevredenheid / van achter een begrafenisstoet aanlopen, / en denken, héhé, straks lekkere boterkoeken.’

Meer dan vroeger, zelfs overwegend nu, keert De Coninck terug naar het klassiek(er) opgebouwde gedicht. De strofische gedichten, vaak sonnetten, zijn overwegend aanwezig. Het rijmenspel is soms toevallig, soms systematisch, al zijn De Conincks strofen zelden helemaal klassiek. De rijmen zelf zijn, zoals merkbaar is in de geciteerde passages, vaak rijmvondsten. Typerend is anderzijds ook uit de citaten hoe De Coninck heel vaak net als de reeds genoemde Leeflang het enjambement toepast om de betekenis van het vers te verruimen of te verschuiven. Ook in zijn derde bundel blijft Herman de Coninck een origineel, vaak geestig en vaak ontroerend dichter. En ineens blijkt hij veel ouder te zijn geworden.

Bron: DBNL · Dietsche Warande & Belfort.