Ons Erfdeel · jaargang 31, nr. 1 · 1988 · blz. 99–101
Ongeveer gelijktijdig verschenen twee essayboeken over poëzie, een van een Vlaming en een van een Nederlander, een van een dichter en een van een lezer, een van Herman de Coninck en een van Kees Fens. Beide op hun manier schitterende boeken. In Over Marieke van de bakker verzamelt De Coninck een aantal essays, die ook al elders verschenen. Onhaastig leven heet de eerste afdeling: een titel die meteen motiefwaarde heeft voor het hele boek, voor de houding tegenover literatuur (poëzie) als levenskunst, die eraan ten grondslag ligt. Zeg maar gerust: inzicht, levenswijsheid. De Coninck zegt het zelf, al in het eerste opstel, over Leeflang: ‘Deze drie woorden van Leeflang doen mij beseffen dat ik in poëzie dikwijls op zoek ben naar een ongewilde ethiek’. (p. 13)
Hoe kan het dan dat hij nog geen tien pagina's verder schrijft: ‘de inhoud van een gedicht interesseert me niet’. Dat kan doordat De Coninck nogal, en soms wat te veel, houdt van klinkende uitspraken, met het risico dat zij zijn bedoelingen voorbijschieten. Het belangrijkste zit in de nuances, en hoewel hij zich her en der opstelt als de kampioen van de nuances, vergeet hij ze wel eens.
Maar het kan ook doordat de hele kwestie is dat beide uitspraken over het lezen van poëzie elkaar nodig hebben. Je bent op zoek naar ethiek, maar niet op de wijze van inhoud. Inhoud betekent niets, inhoud is een begrip, een lemma uit een woordenboek, waarvan we kennis nemen, maar dat verder dood blijft. Nu weer Herman de Coninck: ‘Als ik “echte” inhoud wil, lees ik de krant wel, of een essay, of non-fiction. Voor de poëzie is er, na de ultieme zin “De mensen sterven en zijn niet gelukkig”, geen enkele inhoud meer die er nog toe doet’ (p. 23). Dat is iets wat ik zelf graag zeg, vooral tegen de boodschappenjongens en -meisjes onder mijn studenten.

Maar nu ik het zo op papier zie staan, gezegd door een ander, moet ik er toch weer wat aan toevoegen, van terugnemen: Als ik ‘echte’ inhoud wil, dan lees ik een gedicht, of een verhaal. Echte inhoud is wat je beleeft, niet wat je te weten komt. Wat je te weten komt is de inhoud gereduceerd tot een skelet van feiten, oorzaken, meetbare omstandigheden: gisteravond omstreeks 20.30 uur op de steenweg van A naar B, tegen een snelheid van...; of: X sloeg Y met een ijzeren staaf, C en D zijn uit elkaar. Inhoud is het verhaal, de ervaring, desnoods zonder de feiten, desnoods door de feiten anders te arrangeren. De waarheid is niet wat er gebeurt, maar wat je voelt, nadien. Het is een houding. En zo krijgt De Coninck toch weer gelijk: ‘Die houding is belangrijker dan de eigenlijke inhoud’ (p. 23). En nu ik weer: die houding is de eigenlijke inhoud.
Het zijn leuke essays, die de lezer er toe uitnodigen zijn eigen meningen scherper te stellen. Herman de Coninck kan dat: meningen verkondigen met veel stelligheid en toch zijn lezer niet in het verweer duwen, hem niet overweldigen, maar hem uit zijn stellingen lokken. Slaan en sussen. Het essay waaruit de citaten hierboven kwamen, is daarvan een goed voorbeeld. Het gaat over de vraag: ‘Waarom zijn slechte gedichten slecht?’ Het plezierige aan deze tekst is dat hij alles terugneemt, of tenminste relativeert, wat hij met stelligheid poneert. En er mij dus ook toe dwingt te herroepen wat ik eerder schreef over de ‘klinkende uitspraken’ van De Coninck. Maar herroepen is iets anders dan schrappen, en een essay schrijven is iets anders dan mogelijkheden overwegen en dan voor één daarvan kiezen om de andere ongezegd te laten.
Herroepen is doen alsof, is zeggen dat je eerst maar deed alsof. Het is een retorisch trucje. En ondertussen is het toch maar fijn gezegd.
Zo moet het zijn, omdat de poëzie zelf zo is: dubbelzinnig, irriterend, nu hier en dan weer ergens anders, ja maar. Natuurlijk staan er nog heel wat andere dingen in dit boek. Dit is dan de inhoud, maar niet de ‘echte’. (De echte heb ik net proberen te beschrijven): De afdeling Onhaastig leven groepeert vijf nogal algemene essays, die vooral meningen over poëzie, het lezen en schrijven daarvan, bevatten, ook al gaan ze oppervlakkig gezien over specifieke onderwerpen, zoals de gedichten van Dèr Mouw of de poëzie-opvatting van Speliers.
Zeven is de titel van zeven opstellen over ‘dichters of dichteressen die erom vragen een beetje in bescherming te worden genomen’ (p. 66): Ursula Fanthorpe, Annie M.G. Schmidt, Margaret Atwood, Paul Goodman, Gerard Reve, Jacques Brel en Kor van der Goten.
Tenslotte zijn er de intussen wijd en zijd bekende stellingnamen voor meer leescultuur, voor kwaliteit in het onderwijs, nu samengebracht onder de prachtige titel De school der poëzie.
Kees Fens is serieuzer. Alhoewel: de eerste zin van Een gedicht verveelt zich niet luidt: ‘Een criticus hoort onbetrouwbaar te zijn’ (p. 7).
Dit boekje is een bloemlezing uit de stukken die Fens op vrijdag in De Volkskrant laat verschijnen, en als zodanig is het te lezen als een vervolg op De tweede stem (p. 19). Het sluit af met de tekst van de oratie waarmee Fens in 1983 de leerstoel Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen aanvaardde. Fens leest veel en leest goed: hij leest altijd maar verder, hij leest vanuit het gedicht naar het verleden, en tegelijk in de breedte, naar andere teksten. Hij leest het gedicht open, voegt betekenissen toe vanuit die andere teksten; en meteen worden die andere er rijker door: ‘...dat een enkel gedicht lezen, het lezen van de literatuur is’.

Maar niet enkel op die manier is hij een goed lezer, ook doordat hij weet waar het moment ligt om op te houden: ‘Halverwege tussen bekend en onbekend ligt het punt waar de lezer van een gedicht gefascineerd blijvend tot stilstand komt’ (p. 99). Trefwoorden in deze essays, die de leeswijze van Fens karakteriseren, zijn: onbetrouwbaar, tussenpositie, herinneren, verstoring, onvoltooidheid, verandering, beweging. Allemaal het tegendeel van vastleggen, weten, stilstaan.
Die grondhouding kan het best verduidelijkt worden aan de hand van Fens' visie op de rol van de context bij het lezen van poëzie: ‘Kunst bestaat en dat wil zeggen krijgt haar betekenis als kunst door de context. En de context is een verzameling afspraken waaraan iedereen die erbij betrokken is, zich houdt. Het begrip “context” kan eng en heel wijd zijn: van de naam van de schrijver op de titelpagina tot een verzameling opvattingen over literatuur of een andere kunst die in een gegeven tijd aangehangen worden’ (pp. 19-20).
Tegenover die context staat Fens heel dubbelzinnig. Voor zover die benauwend, inperkend, sturend werkt, voor zover die code is, zet hij er zich zeer scherp tegen af: ‘literatuur houdt zich in haar ontwikkeling nooit aan zichzelf; literatuur kent geen literatuuropvattingen’ (p. 7). Die context veroorzaakt verschraling van het werk, blindheid van de lezer: ‘in nieuwer werk van de eenmaal gevestigde auteur leest hij slechts dat wat uit voorgaand werk vertrouwd is’ (p. 132). Op die manier werken namen, reputaties, stromingen, poëtica's. Maar er is ook die andere context, die waarover het gaat in dit citaat: ‘Niets is vergeefs gelezen. Hoe ver ook weggezonken, ooit wordt het omhoog gehaald door een nieuwe tekst. En het gaat ineens functioneren. Niets wordt gelezen zonder dat iets wat gelezen is, geactiveerd wordt’ (p. 33). Of elders: ‘Interpreteren is ook andere literatuur in de ene te voorschijn lezen’ (p. 44). De Nijmeegse oratie, ‘Broeinesten en bijbelplaatsen’ gaat eigenlijk helemaal daarover: ‘Het ontstaan van een nieuw literair werk is onmogelijk zonder de bestaande literatuur, zonder veranderingen in die bestaande literatuur ook. In iets dat nieuw is, wordt iets van het bestaande geactiveerd, (...)’ (p. 120). Die context zorgt voor openheid, dynamiek, verrassing. De afzonderlijke stukken in dit boek beantwoorden helemaal aan deze visie. Ze gaan in op afzonderlijke gedichten, maar ze gaan er ook van uit. Ze waaien weg, maar keren altijd terug.
Ik zei dat Kees Fens serieuzer is dan Herman de Coninck. Dat is schijn: Fens schrijft op een wat abstracter niveau, hij is minder anekdotisch, wil minder epateren dan De Coninck, maar zijn lezen zelf is zo onfatsoenlijk als maar onder woorden kan worden gebracht.
herman de coninck, Over Marieke van de bakker, H, Antwerpen, 1987, 216 p. kees fens, Een gedicht verveelt zich niet. Over poëzie, Querido, Amsterdam, 1987, 140 p.