Awater · jaargang 9, nr. 2 · zomer 2010 · blz. 10–13
Het oeuvre van Herman de Coninck
Uit de poëzie van de in 1997 overleden Belgische dichter en criticus Herman de Coninck stelde schrijfster en echtgenote Kristien Hemmerechts een bloemlezing samen. Is zijn poëzie zo ouderwets als het lijkt?

Zoveel wist ik: dat de man er in de laatste jaren van zijn leven bijzonder ongezond moet hebben uitgezien. Dat hij verkering had met Kristien Hemmerechts. Dat hij misschien meer kunstpaus was dan dichter. Dat zijn verzamelde gedichten, niettemin, van welhaast Bijbelse omvang zijn. Misschien moet een man in zijn leven een Bijbel bijeenschrijven. Met geboden erin, een stuk of tien. Zo wil ik, nee, zo moet ik leven. Gij zult begrijpelijke dingen schrijven. Ge zult geen hoge drempels opwerpen. Ge moogt best een grapje vertellen. Gij zult aanschouwelijk maken. Gij zult scheutig het woord ‘alsof’ in de strijd werpen, alsof is altijd goed. Het is heus niet erg als het af en toe een beetje rijmt, echt niet. Gij zult de anekdote niet schuwen. Noch de vergelijking. Alsof. Ge moogt best echtbreken. Gij zult onmatig leven. Ge zult belangrijk wezen. En toen kwam die nare Van Bastelaere, want die wou zelf de belangrijkste zijn. Mensen die belangrijk willen zijn. Zo een was er De Coninck. Hij stierf jong. Jong sterven, dat is goed, voor een dichter.
Hoewel we in jaren niet eens zoveel zullen schelen, is hij iemand van voor ‘mijn tijd’. Mijn tijd, dat is namelijk deze. De Coninck was nog een echte mandarijn, zoals Michaël Zeeman er wel een had willen zijn. Zoals Van Bastelaere denkt dat hij er een is. Zoals niemand er meer een kan zijn. De wereld, zelfs die minuscule van de poëzie, is te zeer gefragmenteerd geraakt om er nog over te kunnen heersen. Voor invloed valt nog wel te vrezen, gezag heeft afgedaan. De man die de Vlaamse poëzie bepaalde, de naoorlogse, zeg maar. Er is nu zolang vrede, dat we niet langer naoorlogs kunnen zijn. Herman de Coninck is voorbij. Zoals ‘zoals’ voorbij is.
Ik weet niet precies hoe erg het is, als de mensen zo'n duidelijk beeld van je meedragen. Ik weet wel dat ik mijzelf er soms aan erger, dat hoe meer beeld er van je bestaat, hoe langer de inleiding op de bespreking van je bundel wordt, want dat willen de recensenten dan graag vertellen, wat ze allemaal al over je wisten. Er komt een dag, dan komen ze aan het bespreken van de eigenlijke bundel helemaal niet meer toe. Je bent geheel je eigen ruis geworden.
Ik had maar weinig van hem gelezen. Net genoeg om te vermoeden dat zijn gedichten de anekdote, het particuliere, zelden overstegen. Gezellige poëzie. De dichter preekt voor eigen parochie, beschrijft zijn eigen leven, duidt zijn gemoed. ‘Zoals woorden./ De dingen gebeuren./ Zonder woorden zouden ze ook gebeuren./ Maar dan zonder woorden.’
De Coninck overleed in 1997. Zijn gedichten werden een jaar later verzameld onder de omineuze titel ‘De gedichten’. Ze werden goed gelezen, de bundel werd diverse malen herdrukt, al is hij in de reguliere boekhandel niet meer verkrijgbaar. Nu maakt Kristien Hemmerechts een ruime keuze uit zijn werk: ‘Geef me nu eindelijk wat ik altijd al had.’ Op het omslag leest dat als: ‘Geef me nu/ Herman de Coninck/ eindelijk/ De mooiste gedichten/ wat ik altijd/ Gekozen en ingeleid door/ Kristien Hemmerechts/ al had.’ Voor het omslag is het jammer, dat dat van die keuze en die inleiding er ook nog bij moest. Zo wordt de dichter postuum wel erg sterk met zijn weduwe verbonden en het potentiële nieuwe gedicht om zeep gebracht. Geef me nu eindelijk Herman de Coninck.
Eigenlijk is het vreemd dat ik mij niet eerder in de poëzie van De Coninck verdiepte, het zal het generatieverschil wel wezen, zijn imago van letterpaus, hij zou, zeker in de prille dagen van mijn dichterschap, zeker weerklank hebben gevonden, ware het niet, dat zijn reputatie mij met weerzin vervulde. ‘Sneeuw’ was, en is, een verboden woord voor mij. Sneeuw is stom. ‘Tuin’ kon al helemaal niet. Een dichter die in zijn tuin gaat staan, dat is geen dichter, dat is een zeikerd, een trut.
Wat doet de Coninck allemaal met sneeuw? Zolang er sneeuw is, is er hoop. Zolang er sneeuw ligt is het nooit volledig duister, nee. Hij laat zijn handen zo zacht op je borsten liggen als sneeuw op de mooiste bergen die je ooit hebt gezien. Slechts sneeuw doet wat verloren is, weer bij elkaar horen. Wat een tuin overkomt onder sneeuw. Als onder sneeuwvlokken die met z'n allen voor ze gaan liggen nog even ópvallen. Zo dun als sneeuw gaat liggen, en het helpt niet: zo helpt poëzie. Als een angorakat in de sneeuw: afgemeten, om niet met elke stap zichzelf in al dit witte te vergeten. Sneeuw blijft het weten. Van een sneeuwbui slechts één vlok volgen. Zo stil, als sneeuw op sneeuw, liggen haar handen op het laken. Waar gaat sneeuw sneeuwen, geen enkele vlok verloren leggend? Je weet het niet. Het zijn maar twaalf tamelijk willekeurig gekozen sneeuwcitaten uit zijn werk.
Maar vergeet die sneeuw, de tuin, de sneeuw in de tuin. Iedere tijd zal wel zijn eigen poëtische clichés voortbrengen. Het gaat natuurlijk om de poging boven dat onaanzienlijke, alledaagse (sneeuw, tuin) uit iets groters aan te raken, iets algemeners. Het onzegbare. Dit zal de ambitie van iedere dichter wel wezen, het gaat er hier even om hoe we die geheimzinnige plek denken te bereiken. Wadend door de sneeuw, desnoods.
De Coninck vertrekt vanuit zijn eigen ervaring, de autobiografie, vanuit het verlangen betekenis toe te kennen aan het betekenisloze. Alle slechte dichters doen dat. Ze gaan wandelen in de natuur en daar voelen ze wat bij. Ze schrijven dat hun vriendin is weggelopen en dat ze nu trachten hun verdriet in een fles te verdrinken, terwijl je in een fles helemaal niet kunt verdrinken. Dan heb je minimaal een emmer nodig. Ze vinden dat ‘sneeuw’ op zich al een heel rijk beeld is. Zee. Boom. Werkelijkheid. Leegte. Nevel. Stilte. Schemer. Kamer. Tuin. Verlangen. Geluk. Maan. Nacht. Tijd. Adem. Hijgen. Hart. Weggaan. Terugkomen. Hier, nu, nergens, later, ooit, nooit. Overal, altijd, niemand en iedereen. De toekomst nog, herinneringen. Zoals. Allemaal woorden die je in het werk van De Coninck frequent aantreft. Herman de Coninck voegt daar de flamingo aan toe. Dat is dan wel weer een aardige, afwijkende vogel. ‘Ze zijn vraagtekens achter al ons weten/ en zo fraai dat we even/ niet meer om een antwoord geven.’
Het is al herkenning wat de klok slaat, met een hoog gehalte aan die grote, foute woorden. Zijn poëzie is verschrikkelijk ouderwets geworden, lijkt nog gewoon op wat ‘de mensen’ als een gedicht herkennen, ze ontregelt niet, ze is niet verontrustend, niet gevaarlijk. Ze is veeleer weemoedig, berustend, laconiek. Ze geeft precies wat de mensen nodig hebben: troost. Troost over het mislukte leven, troost voor de mislukte liefde. Zo op het oog is dat koket, omdat je er zo mooi verdriet van hebt. ‘Leer me huilen, en als ik huil/ leer me zeggen: het is niets.’ Best lief. Een vorm van emotionele wijsheid, van hulpverlening, u zonder schroom onderwijzend hoe te leven, wat te doen, waar te gaan. Zoals Henriëtte Roland Holst nog geloofde dat de zachte krachten zeker zouden winnen op 't eind. Niemand gelooft dat nog. Maar wat zouden we het graag willen geloven.
In haar inleiding geeft Hemmerechts prijs dat ze het bekendste gedicht dat over haar handelt niet in deze bloemlezing heeft opgenomen. En dat het misschien niet handig is om dat te vertellen, dat maakt maar nieuwsgierig en dat doet het. Maar ze verklapt niet de titel van dat beroemde gedicht. Bladerend door de verzamelde gedichten zoek ik naar aanknopingspunten: welke gedichten zijn er nog meer beroemd? ‘De buigzaamheid van het verdriet’ herken ik, maar dat zal zijn, omdat die zo dikwijls in bloemlezingen opduikt, en in zekere zin een beginselverklaring van de dichter bevat, beantwoordend de vraag: ‘Wat mij beïnvloed heeft?’ Antwoord: Mijn moeder. En film. Zelfs Rik van Steenbergen. (‘Die heeft namelijk een sporthart, en moet daarom/ na al die jaren geregeld wat fietsen./ Misschien is ook poëzie zoiets, een hart/ hebben waarmee je na een turbulente jeugd/ van de dokter nog altijd af en toe eens moet/ huilen. Melancholie. De uitzichtloze tevredenheid/ van achter een begrafenisstoet aanlopen,/ en denken, héhé, straks lekkere boterkoeken.’) Aan die schuine streepjes kun je zien dat het hier poëzie betreft, en geen superieur, precies proza. In dit gedicht openbaart zich ondertussen het verhoopte wonder van de taal: woorden die zich met grote vanzelfsprekendheid loszingen van de toevallige mensen en dingen waarnaar ze verwijzen. Dit gebeurt lang niet altijd. Talrijk zijn ook de gemakzuchtige, flauwe grapjes, waarover wij mismoedig de schouders ophalen, zoals het gedicht Sprookje: ‘Er was eens een man/ die altijd rechtvaardig was.’ Ik citeer hier het hele vers. Meer is er niet.
Op een ochtend neem ik een stapel bloemlezingen door: welk gedicht van De Coninck mogen wij van Hemmerechts niet lezen? Misschien zal ze ‘Winterochtend’ bedoelen. Het wordt dikwijls gebloemleesd, dus is het beroemd. Ze heeft het gedicht niet in haar keuze opgenomen. En het is zo intiem dat je je kunt voorstellen dat de weduwe er niets meer van wil weten.
Winterochtend
Ik hou van ochtendlijk vrijen,
vóór alles weer moet
nog even mógen. En nadien buik aan rug
nog wat tegen elkaar aanliggen in de klaarte
van net-klaargekomen-zijn.Buiten ligt alles helder vastgevroren,
een klare vriesochtend is altijd klaarder
dan een klare zomerochtend, ongeveer zoals
helderheid in een zwart-witfilm
helderder is dan in kleuren.
Alles is zichtbaar. De naakte feiten
hebben kou.Maar wij niet. Na de liefde buiten komen
is zoiets als van de sauna
in ijskoud water springen: je voelt het
nauwelijks. Je voelt het net genoeg
om je ijzersterk te weten.
Maar dit gedicht is te goed om op intimistische gronden af te wijzen: het verwoordt een ervaring van geluk, van kracht, van onaantastbaarheid, van wat de liefde ons op haar beste momenten brengen kan. In ‘De gedichten’ gaat deze winterochtend vooraf aan een gedicht dat wel op haar instemming kan rekenen: ze verwijst er uitdrukkelijk naar, in haar inleiding, zoals ik hier ook weer zal doen. Het door Hemmerechts gewraakte vers moet eenvoudiger wezen, ondubbelzinniger. Facebook brengt uitkomst. Ik schrijf een prijsvraag uit en het juiste antwoord volgt spoedig. Iemand heeft recent gelezen dat hier een titelloos gedicht bedoeld wordt: ‘Ze wou altijd voor alles een negen:/ een negen voor de vaat, een negen/ voor haar dochter, voor haar doctoraat,/ voor de strijk, voor elk jaar een boek,// want er is een zwart gat dat ze vullen moet/ met wat ze er uithaalt, ze kan niet minder goed.’ Ze krijgt zelfs een tien ‘voor houden van mij’, ze kan ‘hartverscheurend ogen hebben’, en ze kan redeloos kwaad worden, kwaaier nog dan hij, ‘nog bozer. Maar zij altijd hopelozer.’
‘Het bevreemdde me telkens wanneer de dingen die wij deden of de voorwerpen die ik in huis haalde in een gedicht van hem terecht kwamen. Later belandde onze huisraad ook in de gedichten die bevriende dichters schreven na zijn dood,’ schrijft Hemmerechts in de inleiding van haar ruimhartige keuze uit de verzamelde gedichten van haar minnaar, haar man. Op de ruimhartigheid van die keuze valt het nodige af te dingen. Ruim tweehonderd gedichten vonden in haar ogen genade, en ze zijn lang niet allemaal goed. Terwijl er anderzijds sterke gedichten ontbreken. Het had misschien meer voor de hand gelegen te kiezen óf voor een herdruk van alle gedichten, óf voor de omvang van een gemiddelde dichtbundel, maar dan gevuld met louter hoogtepunten, die de pretentie in haar voorwoord waarmaken: ‘Maar de kunst bestaat er natuurlijk in die anekdote boven zichzelf te laten uitstijgen. Je begint met een anekdote voor één bepaalde persoon en je eindigt met een beeld dat voor de hele mensheid werkt.’ In haar inleiding noemt ze als voorbeeld:
‘Zit daar niet zo te hebben,’ zeg ik
tegen jou met je dochter op schoot.
Het is zondag. Het nu is sterke koffie.Brood. Jonge kaas. Werkelijkheid
is groot, wij klein. Je zegt:
‘Zit daar niet zo te zijn.’
Als we Hemmerechts mogen geloven, en waarom zouden we niet, is zij hier grotendeels de leverancier van tenminste ‘de inhoud’ van het gedicht, een lucide gespreksmoment, door de dichter slechts verlucht met enkele uiterlijke omstandigheden: zondag, koffie, brood, kaas, dochtertje op schoot. Nu ja, hij schrijft dat van die koffie wel erg sterk op, dat is meer dan koffie: dat is Nu, dat is Werkelijkheid. Met zo'n gedicht zou ik, als vrouw van, ook trots zijn. Maar dat gedicht dat er in zijn verzameld werk aan voorafgaat, dat ze altijd een méér dan ruime voldoende van de dichter nodig had, dat vindt ze dan weer niks, en dat is jammer.
In ‘Taal zonder mij’, dat oorspronkelijk een jaar na de dood van de dichter verscheen en waarin Hemmerechts, zijn poëzie herlezend, herinneringen aan de afwezige ophaalt, beschrijft ze treffend het dilemma van ‘de vrouw van’ een dichter die voor zijn werk leefde, lees: zeer ongezond, een dichter die moedwillig zijn leven bekortte, zijn glas weliswaar zorgvuldig afgemeten, maar in veel te grote porties leegdronk, een man die zijn adem liefst met sigarettenrook gekruid zag, een man die de dood in zich opzoog - waar zij zich uiteindelijk bij neerlegde, wetende, dat zij dit niet voorkomen kon. De genadeloze roofbouw die de dichter op zijn lichaam pleegde, was hem vanzelfsprekend, een consequentie, die hij voluit onder ogen zag. Die genadeloosheid is een kwaliteit. ‘Zo lig ik naast jou, rillend/ wachtend op de laatste ril.’
Herman de Coninck was bij uitstek een dichter van de liefde tussen man en vrouw. Openhartig beschrijft hij ook de lichamelijke liefde. ‘Laat je strelen, kom./ Ik hou ervan je lichaam te verdelen/ in van alles twee, zoals ik deze zomer/ de zee verdeelde toen ik schoolslag zwom.’ Uit ‘Vriendin van één nacht’: ‘het was bijna gewijd:/ hijgen werd heel ver adem/ halen, voorbij de grenzen van de tijd.’
De schaamteloze, onmatige De Coninck noemt zichzelf in een van zijn gedichten een ‘journalistje van de ziel’, om enkele gedichten verderop tot de conclusie te geraken: ‘En naast het vuur zwijgt een man/ die op zoek ging naar zichzelf/ en hem helaas heeft gevonden.’
Die genadeloosheid, het gebrek aan ‘zelfvertedering’ waarmee hij zichzelf en zijn omgeving ontleedt, doet hem uiteindelijk toch uitstijgen boven alle slechte dichters, die hun eigen autobiografie tot uitgangspunt van hun verzen nemen. Hij vergoelijkt zich niet. Hij onthult zijn eigen, kleine, verschrikkelijke waarheid. En daarin is hij tenslotte, als we heel eerlijk zijn, dan toch gevaarlijk, ontregelend en verontrustend, zoals we dat nu graag zien.
Ik vind hem uiteindelijk dus heel goed, dwars door dat achterhaalde universum van sneeuw, tuin en taal. Om de inzet, de overgave, de noodzaak, het bloed.
Hij ziet in de kleedkamerspiegel de jaarringen
rond zijn ogen, als kringen van stenen in een poel:
ze hebben gezien, gezien, gezien, maar blijven bezig
met niet meer glad te strijken gevoel.Ze zien Bedrogen Echtgenoot. Theater.
Hij is de man in de verkeerde
reus, de waarheid in het cliché, hij zeult maar.
De rol is eeuwig. Het wordt nooit meer later.Alles trekt scheef als in een farce.
Armen waaien van hem los in gestes, taal
gaat wapperen, barse wanhoop wankelt door de hollehallen van zijn stem, slingerende grootspraak slaat
een arm om hem heen: hij en hem, de laatste twee dapperen.
Zijn lul verschrompelt. Hij hoort zijn kloten knarsen.
‘Geef me nu eindelijk wat ik altijd al had’. De mooiste gedichten van Herman de Coninck, gekozen en ingeleid door Kristien Hemmerechts. Arbeiderspers, 2009. €15,-