Een eerbetoon aan Vlaanderens grootste dichter

Schrijven is toelaten

S

Ons Erfdeel · jaargang 39, nr. 3 · mei–juni 1996 · blz. 428–429

Met De vliegende keeper is Herman de Coninck al aan zijn vijfde essaybundel over poëzie toe. Eén ding is zeker: er zijn er niet zoveel in ons taalgebied, die meer geijverd hebben dan hij om poëzie bij de lezer te brengen, om iedere keer weer opnieuw uit te leggen wat er zo fascinerend, zo plezierig, zo troostvol en zo aangrijpend is aan een handvol woorden op een bladzijde. En hij blijft dat doen met een aanstekelijk enthousiasme. Zijn eigen verwondering slijt niet, het taalplezier waarmee hij aan die verwondering uiting geeft, raakt nooit op. Hij houdt gewoon van gedichten, zoals iemand anders ervan houdt zich mooi of avontuurlijk te kleden, of door telkens weer andere, verrassende landschappen of steden te wandelen. Het is een liefde die er niet al op voorhand van uitgaat dat het idyllische landschappen moeten zijn, of bergen, of juist dorre woestijngebieden. En die evenmin op voorhand al heeft uitgemaakt dat de wandeling dient om te verpozen of om nieuwe dingen te lezen. Ze dient om te laten gebeuren wat er gebeurt en dat op te nemen.

Al in het voorwoord formuleert De Coninck het expliciet: ‘Ik kan nogal wat dingen opsommen die je in dit boek niet terugvindt. Systematiek, volledigheid, een doctrine. Wat er wel in zit, is een systeemloze liefde voor zoveel mogelijk soorten poëzie tegelijkertijd, en een pleidooi om die veelkantigheid in godsnaam te laten bestaan’ (pp. 7-8). Vandaar ook zijn bijna dwangmatige afkeer van wat hier ‘doctrine’ heet, maar elders voorkomt onder de namen ‘definitie van de poëzie’ (p. 14), ‘de formolgeur van het academisme’ (p. 149), ‘literaire theorieën’ (p. 150), ‘poëtica’ (p. 210) en zelfs ‘smaak’ (p. 210). ‘Ik héb geen definitie van de poëzie. Ik heb er een twintigtal en hoop dat ze elkaar tegenspreken en aan de praat houden’ (p. 14) schrijft hij, of: ‘Ik weet niet of een criticus per se een opvatting moet hebben, of een poëtica, of een smaak. Hij moet er minstens een stuk of vijf hebben, lijkt mij’ (p.210).

Dat is misschien wel waar, maar zelfs als het waar is, klopt het niet helemaal. Het klopt niet omdat die tolerantie en die breeddenkendheid zelf een literatuuropvatting zijn en het klopt al evenmin, wanneer het getoetst wordt aan de keuze van de besproken dichters. De Coninck besteedt uitgebreid aandacht aan onder meer Van der Graft, Koenegracht, Veltman, Minne, Snoek, Gils, Eijkelboom, Herzog, Gerlach, Reints, Oosterhoff, Duinker, Jonkman, Ghyssaert, Knibbe, Annie M.G. Schmidt, Kees Stip. Maar, al zal ook het toeval ongetwijfeld wel een rol gespeeld hebben, hij heeft het niet over Hertmans of Beurskens of Van Bastelaere en andere ‘moeilijke’ dichters. De enige uitzondering daarop, het opstel over Tonnus Oosterhoff, is overigens zowat het zwakste van de bundel.

Herman de Coninck, gefotografeerd door Bart Blomme
Herman de Coninck (º1944) - Foto Bart Blomme.

Ik vind dat helemaal niet erg, zo'n smaak, zo'n opvatting, zo'n poëtica. Ik vind ook niet dat de weerzin tegen doctrinair dogmatisme en tegen de prioriteit van theorieën zo ver moet gaan dat eigen opvatting en smaak ontkend worden, want die heeft De Coninck beslist wél. Een van de kernachtigste formuleringen ervan staat in een bespreking van Eva Gerlach: ‘Dat is de poëzie waar ik van hou. Laten we zeggen, om het onder één noemer te brengen: poëzie die op een heldere manier raadselachtig is (...) er is niks dat ik niet begrijp, het lijkt wel doorschijnend van helderheid, en toch begrijp ik het niet’ (p. 108). Er is nog veel meer. Hij houdt zelfs regelmatig pleidooien: voor veelkantigheid (p. 7), voor ‘de achterkant’ (p. 40), voor ‘oneerbiedigheid’ (p. 61) of voor ‘de gewone lezer’ (p. 205), allemaal dingen die buiten het conventionele en het officieel geaccepteerde vallen, die dreigen vergeten te worden. In dezelfde lijn ligt het overdadige gebruik van ‘mogen’ en varianten daarvan. Poëzie is voor De Coninck de plaats waar de dingen mogen gebeuren. Bijvoorbeeld over Eijkelboom: ‘Er komt een moment waarop je zegt: nu houdt het grote moeten op en begint het mogen’ (p. 95). Het gaat dan wel over het feit dat Eijkelboom de vijfenzestig voorbij is en dus van zijn pensioen mag genieten, maar juist die levenshouding is ook de poëziehouding van De Coninck: ‘dat je dit mag gezien hebben en mag opschrijven, als je je best doet’ (p. 97). Of nog duidelijker: ‘Ik heb ook wel eens beweerd dat poëzie geen dingen kon laten gebeuren, maar wel de toelating kon geven aan dingen om gebeurd te zijn’ (p. 177). Vandaar zijn voorkeur voor aarzelende, stamelende, zoekende poëzie, die geeft en neemt, die zegt en ontkent tegelijk, zoals die van Gerlach of Herzberg, voor ‘moedig hakkelen’ (p. 108), voor een taal die bestaat uit ‘aarzelingen, verzwijgingen, ellipsen, pijnscheuten, gestotter’ (p. 102): ‘Ze (= Herzberg) ontregelt elke grammatica om toch maar zichzelf te mogen zijn’ (p. 102).

Om - zoals hij het elders meer algemeen formuleert - het onuitsprekelijke uit te spreken. En dat gebeurt krachtens de taal, de erotiek van de taal: ‘maar er zal altijd ook poëzie blijven die er vooral naar streeft dat elke regel gelukkig is in het bijzijn van elke andere regel, en dat binnen zo'n regel elk woord iets heeft met elk ander woord’ (p. 14). Het is vrijwel letterlijk wat De Coninck ook al 25 jaar geleden schreef in het gedicht ‘aan Buddingh’, waarin hij zich afzette tegen het extreme nieuw-realisme:

maar ik hou eigenlijk nog meer
van een groep woorden die zich samen
plotseling bizonder intiem gaan voelen
en zeggen: laat ons nou maar altijd
bij elkaar, er hoeft er geen meer bij te komen

Het effect van dat samenzijn, niet de oorzaak ervan, is betekenis. En dat is nu juist wat de dichter mag, hij mag erbij zijn en kijken, ‘naar iets wat onder zijn ogen met taal gebeurt’ (p. 37). Dat is ongetwijfeld een poëtica: schrijven is toelaten.

herman de coninck, De Vliegende keeper, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 1995, 251 p.

Bron: DBNL · Ons Erfdeel.