Uitgelezen 13. Reacties op Boeken · 1994 · blz. 23–33
Poëzie is de meest directe omweg.
De dichter is een eigentijdse Icarus: op gevleugelde woorden verheft hij zich. IJler en ijler wordt de atmosfeer. Onder hem spant zich het spiegelend oppervlak, waarin zijn tegendeel zich met hem meet. Plots omlaagblikkend, ziet Icarus zichzelf tegen de melkweg afgetekend. Verrukt valt hij stil. En in een flits stort hij omlaag, de spiegel dichter en dichter naderend. Dan slaat hij met een klap de spiegelwereld binnen. En meteen schiet zijn ander-ik met ongekende souplesse het luchtruim in.
Losgezongen uit de onderwaterwereld.
Herman de Coninck gaf zijn verzamelbundel de titel Onbegonnen werk. Van Michelangelo is het gevleugelde woord afkomstig dat de beeldhouwer niets anders doet dan overtollig materiaal weghakken: het beeld bevindt zich al in de steen. ‘De grootste kunstenaar kan niets verzinnen dat niet vooraf al in de steen bestaat’, aldus de vertaling door Frans van Dooren. In die zin is dichten dus onbegonnen werk: het gedicht was er al. Het moest alleen nog worden losgemaakt en naar deze wereld gehaald. Worden gedregd in woorden.
Levensloop
Op 21 februari 1944 werd Herman de Coninck te Mechelen gedregd uit het onbestemde.
Dood zijn is niet zo erg, ik deed het, voor ik
geboren werd, al een paar miljoen jaar.(De hectaren van het geheugen, blz. 20)
Hij groeide op te midden van boeken en schrijfbenodigdheden: zijn ouders dreven een boekwinkel. Over zijn eerste publikaties vertelde hij aan Rogi Wieg het volgende: ‘Mijn moeder vond die gedichten te erotisch. Er hadden er een paar in een tijdschrift gestaan en dat tijdschrift hadden we ook in de winkel. Een klant had het blad gekocht en mijn gedichten gelezen. Later kwam hij ze mijn moeder onder de neus wrijven, zo van: “Kijk eens wat die zoon van je heeft gemaakt.” Dat gedicht staat in De lenige liefde. Mijn moeder was katholiek-preuts, mijn vader daarentegen was religieus en kon het vanuit zijn optiek beter begrijpen, beter hebben.
Ik zou niet durven zeggen dat ik niet religieus ben. Ten slotte is poëzie ook een soort religie, zij gaat over “het nu” tegenover “het alles”, “de nietigheid” tegenover “het alles”. Die volstrekte nietigheidsverklaring tegenover “het alles”, dat meer is dan de som van de delen, is een vorm van metafysica’.
Zijn studie in de letteren sloot hij in 1966 af met een licentiaatsverhandeling over de poëzietheorie van S. Vestdijk; tevens opende hij hiermee een - hopelijk onafzienbare - reeks beschouwingen over poëzie. (Onder andere gebundeld in Over de troost van pessimisme en Intimiteit onder de melkweg.)
Tijdens zijn leraarschap, tussen 1966 en 1970, werd hij geconfronteerd met de vraag naar de zin van poëzie.
Ik zei dus: precies de nutteloosheid van poëzie is een protest tegen al wat in deze wereld aan de orde is. Dit is een maatschappij van hebben. Poëzie hoort tot het rijk van het zijn.
Eigenlijk zeg ik dit achteraf. Als ik het toen gezegd had, was ik een goeie leraar geweest. Het was wat ik ongeveer had kunnen zeggen, had ik niet met de mond vol tanden gestaan. Hoe langer ik sindsdien echter over die vraag gedacht heb, hoe minder dom ik ze ging vinden, maar hoe onvollediger mijn antwoord erop. Poëzie dient namelijk wèl ergens toe.
(Over de troost van pessimisme, blz. 7/8)
Toch goed dat er kritische leerlingen zijn.
In de bespiegelingen die hierop volgen, komt De Coninck tot een aantal markante uitspraken. Een keuze hieruit:
Poëzie is bij uitstek het domein waar er niet toegeëigend wordt.
Het resultaat is dan dat je èn iets gemaakt hebt, èn het al makend uit je losgekapt hebt. (blz. 18)
Herman de Coninck wordt - omdat dat ooit gebeurd is - voortdurend gekoppeld aan het begrip ‘nieuw-realisme’. En inderdaad kan zijn poëzie bij eerste lezing de indruk wekken, dat hij niet veel meer doet dan zich verwonderen over de alledaagse werkelijkheid, die dòòr het gedicht en in het gedicht aan het licht gebracht wordt. Het gedicht maakt zich los uit de realiteit, en vervolgens ontplooit zich een andere werkelijkheid, door middel van het gedicht: de werkelijkheid van de lezer, waarbij moet worden aangetekend, dat de dichter de eerste lezer is.
‘Mij [...] wordt weleens verweten dat ik in mijn poëzie te veel aan de alledaagse werkelijkheid gebonden ben, dat ik huis-, tuin- en keukenpoëzie schrijf. Onzin, want ik schrijf over die huiselijke dingen als over leven en dood. Het leven speelt zich, in al zijn facetten, ook af in de keuken.
Als ik getroost ben door mijn poëzie, ga ik ervan uit dat de lezer ook getroost zal zijn. In erg afgezwakte zin schrijf ik eigenlijk romantische gedichten.’ (Interview Rogi Wieg)
In de bundel Zolang er sneeuw ligt schrijft Herman de Coninck over de dood van zijn eerste vrouw, in 1971. Nee, mis. Dan zou de bundel toch neo-realistisch zijn. Het moet anders geformuleerd worden. Opnieuw: in deze bundel staan gedichten waarin Herman de Coninck het verongelukken van zijn vrouw zodanig in woorden onderbrengt, dat met de dood te leven valt. Althans, tijdens het lezen. ‘Elk gedicht is een overwinning op zijn eigen onderwerp’. (Over de troost van pessimisme, blz. 18)
Je zei nooit wat, je zei altijd met je ogen,
zoals je daar lag, te zieltogen,
te zielogen.En je ogen die je zoon nu in heeft staan,
waarmee hij zegt: niet weggaan -
Je zei nooit wat, hij zegt het, en jij kijkt mij aan.(Onbegonnen werk, blz. 108)
Soms breekt een geliefde door de spiegelruit, soms verdwijnt ze achter matglas. Dan heb je het nakijken. Nee, meer dan dat: het terugdenken, in ruime mate, zwervend over ‘de hectaren van het geheugen’.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.(Onbegonnen werk, blz. 197)
Het desolate ‘verder’ krijgt een evenwicht door het rijmwoord ‘herder’. De troost van woorden.
Zo op het oog heeft Herman de Coninck een redelijk evenwicht gevonden, na enerverende tijden. Hij is inmiddels een autoriteit geworden: samen met Hugo Brems bezorgde hij de Vlaamse poëziebloemlezing voor de Boekenweek 1994. Als recensent valt hij in gunstige zin op, doordat hij het te bespreken boek en de lezer met respect benadert.
Sinds een aantal jaren is hij getrouwd met de schrijfster Kristien Hemmerechts. En om het evenwicht compleet te maken: Kristien schrijft overdag, Herman 's nachts. Overdag ziet hij zijn wederhelft; 's nachts, zittend voor de zwarte ruit, zijn spiegelbeeld.
De hectaren van het geheugen
In De hectaren van het geheugen liggen veertig gedichten ingebed tussen een ‘Proloog’, getiteld ‘Genesis’, en een ‘Envoi’. Beide ‘gaan over’ de schepping van de mens op de zesde scheppingsdag. In het eerste gedicht wordt de schepping als ‘af’ geschetst; af, maar leeg. In beide gedichten beginnen opvallend veel zinnen met ‘En’. Dit kan duiden op invloed van de bijbel, maar dat is dan alleen een constatering. Belangrijker is de interpretatie van dat ‘En’. Zowel in de bijbel, als in deze gedichten suggereert het voortgang, een begrip dat nauw met genese en Genesis samenhangt. Het gedicht ‘Genesis’ eindigt met deze regel:
En toen zei God: en nu jij. Nee, zei Adam.
De ‘Envoi’, naar de aard een lofprijzing, beschrijft wat God ten slotte aan Adam toevoegt:
En God vond mededogen
uit: En vervolgens twee armen om het in te doen,
wat al niet, klaarkomen, huilen, onbenullig, overbodig
zijn. Toen rustte Hij en dacht: wat heb ik nou nog nodig?En toen schiep Hij twee ogen. -
Opdat ze hem zou zien terwijl hij stierf.
Opdat hij eindelijk zou mogen.
In zijn debuut typeerde Herman de Coninck Eva als ‘een paradijs/in de omheining van haar naam’. (Onbegonnen werk, blz. 45)
Nu geen omheining meer, maar ruimte om te leven en te sterven, mededogen, ogentroost.
Voor het zover is, moeten heel wat gebeurtenissen hun plaats in het verleden hebben. De bundel bevat opvallend veel aardrijkskundige namen en tijdsaanduidingen. Men behoeft er de inhoudsopgave maar voor op te slaan: Bas-Oha, blijkens een aantekening in de bundel Enkelvoud een plekje in de Belgische Ardennen, Daverdisse, Oostduinkerke, Limburg, de Niagara, enzovoort; voorjaar, februari, een maartse zondag, en de cyclus ‘Te voet over de Lethe’, een rivier die de mens alle grenzen van ruimte en tijd doet passeren. En dat begint dus allemaal met ‘Genesis’, een gedicht over het passeren van dezelfde grens vanuit een hiervoormaals naar deze werkelijkheid.
Het was de zesde dag. Adam stond klaar.
Klaar. Af, gereed, en zo op het oog ook bereid. Maar voor het klaarkomen, voor de volkomenheid, is de wederhelft nodig.
De eerste cyclus, ‘Bergen van onverschilligheid’, ontleent de titel aan het gedicht ‘Bas-Oha 6’ (blz. 17):
Ik wel weet ze liggen daarachter,
de ruggen die het allemaal over zich heen
laten gaan, bergen van onverschilligheid.Hoge bomen vangen veel wind,
bergen niet.
Wind heeft het over weggaan. Zij blijven,werken 's nachts aan steenkool,
zoals ook mijn dromen werken aan zwarte
inkt, waarmee ik morgen schrijf.
Telkens komt dit weer ter sprake: het niet meer willen, niet meer kunnen, maar wel moeten. Alles is leeg, zoals al in ‘Genesis’ te lezen was:
Hij had de bergen gezien, opbergruimtes van
alleen maar zichzelf, hoge leegstaande kelders.
Moet je die leegte dan dichten met gedichten? ‘Nee, zei Adam.’
En dat was meteen zijn antwoord, zijn gedicht. Met zwarte inkt geschreven te midden van het wit, zwartgallig, melancholiek.
‘Maar ik zie melancholie inderdaad nogal positief. [...] Melancholie is een soort uitdijen van onlustgevoelens in bijna behaaglijk gemijmer. Niet ik schoot te kort, maar het leven.’ (Interview Beroepsgeheim 4, blz. 189) En melancholie is het huis van al onze gevoelens. (Over de troost van pessimisme, blz. 28)
De tweede afdeling, ‘Ik zie wat ik heb. Ik heb wat ik zie.’, kan men ondergaan als een soort inventarisatie van waarden na verlies, een hervinden van evenwicht. De titel suggereert het al, zowel door de formulering als door de nadrukkelijke punt die erachter staat. Ook in de vorm van de gedichten is het waarneembaar. De gedichten in het eerste deel zijn veel wisselvalliger van vorm. Het tweede deel bevat vier sonnetten, en ook de drie andere gedichten zijn evenwichtig opgebouwd. Over de vorm spreekt trouwens ook het eerste gedicht van de afdeling:
Als hij zomaar van haar weg kon gaan
naar een ander land, een ander ik, een andere vrouw -
maar hij laat haar niet achter, maar zichzelf.
Tederheden die hij was, jongetjes van elfdie hij bij haar mocht zijn, zeurend,
bijna vrolijk, over hun kleine gemisjes,
tot hij eindelijk zwijgt, bijna treurend
van groot geluk, mannetje van tachtig.In de antieke wetenschap ging de mare
dat berinnen hun vormloos geboren jongen
in de berenvorm likten. Zo omslachtigzoenen zij elkaar.
Zij krijgt hem in de ik-vorm,
en streelt hem tot de hare.
Van dit gedicht is een eerdere versie in handschrift beschikbaar, die duidelijk maakt hoe Herman de Coninck met een gedicht onderweg kan zijn naar de uiteindelijke vorm.

Als ik zomaar weg kon gaan van jou
naar een ander land, een andere [...],
een andere persoonlijkheid (zoiets om uit
een stalenboek te kiezen), een andere vrouw -maar ik laat jou niet achter, maar mezelf.
Tederheden die ik was, jongetjes van elf
die ik bij jou mag zijn, mannetjes van tachtig,
alles wat we samen lelijk vinden, samen prachtig.In de antieke wetenschap nam men voor waar
aan, dat berinnen hun vormeloos geboren jongen
in de beervorm likten. Zo hebben wij elkaarplusminus bij mekaar gezoend, is het
met twintig vingers dat wij strelen.
Ook als ik wegga, blijven we met velen.
Wat meteen opvalt, is dat het gedicht van de eerste persoon is overgebracht naar de derde persoon, waardoor het loskomt van een bepaald individu en eerder algemeen toepasbaar wordt. Dit is voor De Coninck trouwens één van de boeiende aspecten van poëzie, zoals hij uiteenzet in Over de troost van pessimisme, (blz. 24):
Dit is een mooie aanleiding om er even Vestdijk bij te halen. In ‘De glanzende kiemcel’ noemt hij als een van de kenmerken van poëzie haar concentratie. Poëzie concentreert vergeleken bij proza al door haar grotere beknoptheid, poëzie is korter, gebalder, er staat wit omheen. Een roman gaat over welbepaalde figuren, Jozef Huppelepup en Maria Speermalie. Een gedicht gaat over iedereen, een vrouw in een gedicht is niet Maria, maar, zelfs als ze zo genoemd wordt, dé vrouw. Alle romans van Louis Paul Boon spelen zich te zamen af in Aalst. Elk gedicht speelt zich overal af. Poëzie concentreert in de ruimte. Maar ook in de tijd. Een roman speelt anno zoveel, een gedicht altijd. Doordat een gedicht ook niet gaat over deze ene ervaring, maar over alle voorgaande en toekomstige gelijkaardige ervaringen ineens.
Nu kan men tegenwerpen, dat bovenstaand gedicht toch altijd nog slechts toepasbaar is op de helft van de potentiële lezers, namelijk op de mannelijke. Dit is een misvatting: het gaat om de verwoording van een situatie, van gevoelens, en die zijn algemeen menselijk. Je moet bij het schrijven nu eenmaal kiezen tussen hij en zij. In de handschriftversie had de dichter een mannelijke ik-figuur in gedachten, dus dat hij daarmee verdergegaan is, ligt voor de hand. Qua klank is de winst die de hij-vorm oplevert, dat het eerste kwatrijn getoonzet is in de a-klank: zomaar - haar - gaan - naar - laat - haar - maar. Deze grondtoon draagt het gedicht naar het slotwoord: de hare.
Nu we ons toch met de klank bezighouden: de rijmvormen zijn ook ingrijpend gewijzigd. Vooral het tweede kwatrijn had wel erg goedkope rijmwoorden: mezelf - elf; tachtig - prachtig. Sinterklaas zou zich er niet voor hoeven te schamen. Dat het rijm daar erg ‘close’ was, past overigens wel bij de inhoud van de strofe; gepaard leven - gepaard rijmen.
Toch vind ik de rijmvormen in de definitieve versie beter, en meer in overeenstemming met de inhoud van het gedicht; woorden die - soms dicht bij elkaar, soms over grote afstand - naar elkaar haken.
Inhoudelijk is er ook nogal wat veranderd. De belangrijkste wijziging betreft mijns inziens het feit dat de beginregel ‘Als hij zomaar van haar weg kon gaan’ door het slot van het gedicht naar de vergetelheid lijkt gebannen, al is hij wel opgenomen in de hectaren van het geheugen. Maar toch: even niet aan denken.
De vraag wat literatuur is, is nooit in de vorm van een definitie te beantwoorden; daarvoor is het onderwerp te subjectief. Maar wel kan men twee criteria noemen waaraan een literair werk moet voldoen. Op het gebied van de inhoud mag de lezer verwachten dat het werk hem iets doet, of anders gezegd: dat het zich leent voor interpretatie. Ten aanzien van de inhoud mag men als eis stellen dat het juiste woord op de juiste plaats staat, anders gezegd: dat de woorden een zodanige samenhang tonen, dat elke verandering de orde verstoort.
S. Vestdijk onderscheidt nog een derde categorie: naast vorm en inhoud plaatst hij - althans met betrekking tot poëzie - de klank, waarschijnlijk onder invloed van de nagalm der Tachtigers. Ik zie niet in, waarom we de klank van een gedicht niet bij de vormkenmerken zouden opnemen: de klanken zijn immers plaatsgebonden.
Welnu, de handschriftversie was niet slecht.
Maar ik hou eigenlijk nog meer
van een groep woorden die zich samen
plotseling bijzonder intiem gaan voelen
en zeggen: laat ons nou maar altijd
bij elkaar, er hoeft er geen meer bij te komen.(Onbegonnen werk, blz. 69)
Een tiental ‘In memoriam matris’-gedichten vormt de derde afdeling, getiteld ‘Glasscherven in de zon’. De moeder van Herman de Coninck is door de spiegelruit verdwenen; door middel van de gedichten, meestal in de tweede en derde persoon geschreven, roept hij een moeder op, niet bij wijze van herinnering, maar als in een duurzame heugenis.
De vierde afdeling, ‘Te voet over de Lethe’, bevat uitsluitend sonnetten, een dichtvorm die De Coninck met zekere regelmaat van een zinnige inhoud voorziet sinds hij de sonnetten van Edna St. Vincent Millay bewerkte, in ‘Ter ere van de goedertieren maan’, opgenomen in Onbegonnen werk.
In één van de interviews met Willem M. Roggeman noemde hij het sonnet ‘het genre van gebeeldhouwde grandeur’. (Beroepsgeheim 4, blz. 189) Het is een bij uitstek evenwicht-zoekende dichtvorm. Na alle onvermogen, in de bundel verwoord, - ‘Nee, zei Adam’, het onvolkomen vaderschap, de onmacht tegenover de gestorven moeder, het eigen tekort tegenover de superieure vrouw - brengt de ‘Envoi’ het slotakkoord:
En toen schiep Hij twee ogen. -
Opdat ze hem zou zien terwijl hij stierf.
Opdat hij eindelijk zou mogen.
Dan worden mensenlevens niet prijsgegeven aan de vergetelheid, maar bij elkaar ondergebracht.
Enkelvoud
De titels die Herman de Coninck aan zijn dicht- en essaybundels geeft, bestaan doorgaans uit woordgroepen, gerangschikt in een soepel lopend ritme. En dan opeens: Enkelvoud.
In een programma over Beethoven merkte de pianist Alfred Brendel op dat Beethoven de chaos van het leven omzette in de orde van zijn composities. Sprekend over emoties, zei hij dat jonge pianisten en amateurs in hun spel vaak te veel meegaan in hun emoties; een pianist moet zijn emoties filtreren om ze zuiver te houden. Ik denk dat Herman de Coninck - die tussen haakjes een liefhebber is van Beethoven - zowel het één als het ander in Enkelvoud gerealiseerd heeft: orde scheppen uit de chaos en de emoties zuiver weergeven. In enkelvoud. De gedichten in deze bundel hebben vrij korte zinnen, hoekige formuleringen, korte regels: gestolde blokjes verdriet. Beelden, uitgehouwen in woorden van ijs. Allerlei vormen van verkilling in het leven - dood, scheiding, gemis, te kort schieten - zijn ingevroren in taal die bij het lezen ontdooit tot emotie. Door de warmte van de lezer, die er op zijn beurt koud van wordt.
Het wordt hier meer dan donker.
(blz. 44)
Toch bevat deze bundel ook enkele aanzetten tot een zich verheffen, tot een vervolg. De ene keer spreekt dat uit de verbondenheid met iemand, zij het aarzelend, de andere keer uit een poging te leven met de dood, ook met de eigen dood. Dit laatste zie ik bijvoorbeeld in het gedicht ‘Bas-Oha’ (blz. 40), waarvan de eerste strofe als volgt luidt:
De grijsgebiesde Maas. Een aak vaart,
met op zijn lange buik een autootje,
voorbij. Zo wil ik mijn leven
meenemen, een tweede leven in, en daar
zet je de auto aan wal en rijdt verder.
Het begint al met dat woord ‘grijsgebiesde’, dat geassocieerd kan worden met de gangbare vormgeving van een overlijdensbericht. En dan het woord ‘auto’, dat ‘zelf’ betekent; de vorm ‘autootje’ geeft dus in zekere zin de eigen geringheid aan. Over de Lethe, over de Maas, ‘een tweede leven in’, waar het ander-ik kan verder rijden. ‘Onderweg’ is de titel van de laatste cyclus, die - evenals De hectaren van het geheugen - diverse aardrijkskundige namen en andere locaties vermeldt. Ten slotte is Moeder Aarde toch ons houvast in labiele situaties - herinneringen zijn vrijwel altijd plaatsgebonden - al is het maar een plekje van vertoef onder de melkweg.
Zo voorzichtig als doorschijnende papiertjes
tussen de bladzijden van een duur etsboek
ligt bijna lichtblauw licht hier
over alles heen, bladzijde 1991.
Zien en ontzien zijn hetzelfde. Zo nu.Zoals het huis slaapt, af en toe tikt
een regendruppel uit de lekke dakgoot, zorgvuldig
als uit een pipet, drie druppels per uur
heeft de dokter tegen god gezegd, dat is
genoeg om de wereld te doen slapen, zo altijd.Onder melkwegen, onder lichtjaren verte,
onder donkerjaren nacht:. En het gaat fijntjes
regenen, alsof iemand duizend en één spelden laat vallen
die hij straks weer allemaal moet oprapen. Zo overal.
Zo nu, nu, nu tot het op is.(blz. 39)
Zo nu, zo altijd, zo overal. Onbewogen tikt God zijn eeuwigheid uit in druppels tijd. Tijd, die weer wordt opgeraapt, herleid, gedicht.
Herman de Coninck heeft het licht gefiltreerd in zijn levensboek anno 1991, in zijn sprookje van duizend en één nacht. Ziende op en omziende naar het onbegonnen werk zijner handen kan hij hopelijk voortgaan.
Zoals Alfred Brendel na twintig jaar Schubert
naar zijn vingers kijkt. Zij
hebben het bestaan.(blz. 21)
Religie
In het interview met Rogi Wieg noemt Herman de Coninck de poëzie in die zin religieus, dat zij gaat over ‘het nu’, ‘de nietigheid’ tegenover ‘het alles’. Dit aspect is in zijn werk inderdaad in belangrijke mate aanwezig. Re-ligie betekent immers letterlijk zoveel als: herstellen van de band. Er breekt iets af in het leven, dat heelgemaakt wordt in woorden.
Althans, dat is het streven. De dichter, heel-meester, is op zoek naar evenwicht. Wanneer de werkelijkheid hem ontvalt, of wanneer hij zelf aan de werkelijkheid dreigt te ontvallen, dicht hij de ontstane leegte met een nieuwe werkelijkheid. Of: zo goed als nieuw.
Het is allemaal al zo vaak gebeurd
in deze tweedehandse werkelijkheid
dat Christus vandaag de dag nog hoogstens
zou kunnen zeggen: zie ik maak alles
zo goed als nieuw.(Onbegonnen werk, blz. 106)
Een speels element natuurlijk. Maar zeker geen flauwiteit. Christus zegt, dankzij het enjambement in regel 4: ‘zie ik maak alles’, en ‘maken’ en ‘dichten’ hebben oorspronkelijk dezelfde betekenis. ‘Ik maak alles zo goed als nieuw’, want het was er al. Wat nieuw is, heeft geen voorgeschiedenis, geen geheugen.
Nog zo'n grapje:
En in bed, ik kwam al van ver aan-
gerend declamerend ‘Hier Ruk Ik Aan
Met Een Erectie Als Een Pompiersladder
Om Jouw Brand Te Blussen’ en we lachten
en wat maakten we een levendat we negen maanden later
Tomas zouden noemen.(Onbegonnen werk, blz. 105)
In zijn opmerkingen ‘Bij de tiende druk van De lenige liefde’ vertelt Herman de Coninck dat hij met deze regels bij nader inzien toch wat moeite heeft. Maar om de uitbundigheid wil hij het beeld niet kwijt. Terecht. Wat máákten we een leven... Is het niet om buiten jezelf te geraken? Het zich verheffen en zich storten in de vrouw, waardoor een mens, zo goed als nieuw, wordt gedregd uit het onbestemde om zijn stem te laten horen, en die een naam mag hebben: Tomas. Ongelofelijk.
De dichter, de maker, herstelt de band tussen deze wereld en de andere.
Hij doet dat door de andere wereld aanzijn te geven in woorden.
Poëzie is de meest directe omweg.