De Tijd · 18 maart 1988 · opgenomen in Een Jaar Boek (1988), blz. 79–82
Herman de Coninck toont in zijn essaybundel Over Marieke van de bakker aan dat het wel degelijk mogelijk is op persoonlijke wijze om te gaan met literatuur - poëzie in dit geval - en daarbij het persoonlijke element en die literatuur beide in even ruime mate onder de aandacht van het publiek te brengen.
Op het achterplat staat dat Herman de Coninck ‘de meest gelezen poëzie-commentator in Vlaanderen’ is. Nou is dat ook weer niet zo heel moeilijk want De Coninck is zowat de enige poëzie-commentator in Vlaanderen; eventueel kunnen ook nog de namen van Hugo Brems en Georges Wildemeersch genoemd worden, maar de eerste heeft een veel minder breed publiek dan De Coninck en de tweede schrijft tegenwoordig nog maar weinig over poëzie. Maar dan is het ook echt op. En dat terwijl Vlaanderen dichters produceert als een konijn jongen, zoals Benno Barnard stelde in zijn essaybundel Tijdverdrijf voor enkle fijne luiden.
Toch wil dat niet zeggen dat De Coninck Eénoog is in het land der blinden. Hij heeft een scherpe blik voor wat wel en wat niet kan in de poëzie, hij weet wat hij van goede poëzie verlangt en hij is in staat zijn standpunten daarover helder uiteen te zetten. Wat daarbij vooral opvalt is de hoeveelheid bijna aforistische formuleringen; zonder ook maar de geringste vorm van betweterij komt De Coninck tot een groot aantal uitspraken die zo in een citatenboek zouden kunnen worden opgenomen. En wat misschien wel zijn belangrijkste kwaliteit is: zijn standpunten zijn hoogstpersoonlijk maar bieden tegelijk de ruimte om ook heel anders geaarde poëzie te appreciëren.
De titel van de bundel verraadt al een beetje de schijnbaar luchtige toon waarop de essays zijn geschreven. Die titel slaat namelijk op een mop. Een onderwijzer laat Beethovens Pastorale horen. Op zijn vraag waaraan dat de leerlingen doet denken luidt het eerste antwoord: Aan een onweer in een groot bos, meester. Uitstekend, zegt de meester. En jij daar, Janneke, waaraan doet jou dat denken? Aan Marieke van de bakker, meester. De Coninck voegt hieraan toe (en Herman Brusselmans zou er veel van kunnen leren): ‘Goede poëzie doet het omgekeerde. Het onderwerp is slechts middel. Dat mag zelfs Marieke van de bakker zijn, als het gedicht daardoor ook maar iets zegt over alle vrouwen ter wereld. Het concrete is een middel tot het abstracte, nooit andersom’.
Deze poëtica is overigens niet bepaald revolutionair. Maar het gaat minder om die opvatting dan om de wijze waarop De Coninck zich in het titelessay ernaartoe geschreven heeft. Hij vraagt zich af waarom slechte gedichten slecht zijn, en zonder daarop een rechtstreeks en definitief antwoord te geven - dat kan ook niet want geen enkel antwoord is een echt antwoord maar voegt mysterie toe, aldus De Coninck - onderscheidt hij drie soorten slechte poëzie: de grote braakpoëzie die wordt geschreven ‘vanuit het idee dat een tekst sterker is als je met een voorhamer op de toetsen slaat’; de (bij voorkeur ongelukkige) liefdespoëzie die de gevoelens rechtstreeks verwoordt, en de kosmische poëzie die door te veel te willen zeggen niks meer zegt.
Deze drie soorten slechte poëzie hebben nogal wat misverstanden gemeen: dat grote gevoelens automatisch grote poëzie zouden opleveren; dat met name de slechte liefdespoëzie niet voor de lezer maar slechts voor één bepaalde lezer is geschreven (maar desondanks naar tijdschriften wordt opgestuurd); dat het uitroepen van gevoelens hetzelfde zou zijn als die gevoelens oproepen; en dat een gedicht over een onderwerp zou moeten gaan (terwijl dat wel màg, ‘maar dan moet er met dat onderwerp, dat feit, die gedachte, die gevoelens wel eerst iets gebeuren’).
Daarmee geeft De Coninck een negatief geformuleerde blauwdruk voor wat hij verwacht van goede poëzie. Toch komt die in deze bundel maar éénmaal ter sprake, in het essay over Dèr Mouw (en dan nog met de nodige kritische kanttekeningen). Het aardige is dat De Coninck kosmische poëzie afwijst maar die van Dèr Mouw, waarvan hij zelf zegt dat er niets is dat er niet in optreedt, toch in hoge mate waardeert. Niet alleen om de manier waarop Dèr Mouw zijn visionaire extasen verbeeldt, ook om zijn verrassende banaliteit. Of eigenlijk: om de vermenging van die twee. Die waardering zegt heel wat over De Coninck zelf.
Voor het overige gaat de aandacht uit naar de mindere goden, de dichters die van hem een zeven krijgen. Dat is tevens de titel van het middenluik van deze bundel: ‘Zeven’. Zeven opstellen over dichters die hij een zeven geeft, terwijl het werkwoord zeven natuurlijk ook betekent wat de criticus geacht wordt te doen. Deze opstellen zijn stuk voor stuk de moeite waard alleen al om de toon waarop ze zijn geschreven, maar het is jammer dat De Coninck nogal eens blijft steken in aanzetten of het betoog afbreekt wanneer het juist interessant begint te worden.
Het opstel ‘Religie en geouwehoer’, over de poëzie van Gerard Reve, is zo'n voorbeeld van grofmazig zeven: de op zich interessante gedachten en stellingen worden niet voldoende uitgewerkt. Daarnaast beschouw ik het als een gemis dat de originele versies van de gedichten van Paul Goodman en Margaret Atwood, die De Coninck heeft vertaald, niet in deze bundel zijn opgenomen.
Daar staat tegenover dat twee zevens een hoge waardering verdienen (één zeven krijgt van mij zelfs een tien): de portretten van Jacques Brel en KoR van der Goten. Met een betrokkenheid die ik niet anders dan liefdevol kan noemen schrijft De Coninck over hun werk en persoon. Met name door het portret van de op ongeveer alle terreinen van het leven volledig vastgelopen Van der Goten werd ik getroost met het besef dat geen mensenleven zo volkomen kan mislukken of de literatuur biedt de mogelijkheid er een waardevolle mislukking van te maken.
KoR van der Goten?
De zichzelf tot het bittere einde ‘sjansonjee’ noemende ex-copywriter, de Heintje Davids van de Vlaamse kleinkunst, de man die de dreun van zijn echtscheiding nooit te boven is gekomen, die aan de drank raakte, in een psychiatrische inrichting belandde, die vanaf 1973 tien jaar lang, ‘bijna publiekelijk’, een wrak was - in 1983 is het, ‘na een crematie met plusminus vijf aanwezigen, zo ver gekomen dat iemand onder de veertig eerst uitgelegd moet krijgen wie KoR van der Goten wàs’.
De Coninck legt dat uit - en legt daarmee indirect iets over zichzelf uit. Hoe belabberd de teksten van Van der Goten ook waren, De Coninck is door hem geboeid om de heroïek van zijn zieligheid. De Coninck is, zo stelt hij, niet zozeer gefascineerd door de vergankelijkheid van de roem als wel door ‘de onvergankelijkheid van de mislukking’. Door die fascinatie te projecteren op Van der Goten geeft hij aan hoe sterk voor hem de band is tussen literatuur en leven. ‘De eerbied voor een tekst verschilt trouwens fundamenteel niet zozeer van eerbied voor het leven tout court’, schrijft hij elders.
Wat hij in de poëzie van Dèr Mouw waardeert is dan ook niet wezenlijk verschillend van zijn fascinatie voor mensen als Brel en Van der Goten die ieder op hun eigen manier hetzelfde zochten: het grootste gebaar, de drang naar àlles, de wil om het leven totaal te ondergaan en vooral de moed zich aan de beheerste stijl te onttrekken. Waar De Coninck zichzelf beschouwt als iemand van de rechte lijn, iemand die zijn gemoed voortdurend dempt in zijn stijl (hij hanteert het understatement dan ook als een ontleedmes), herkent hij in anderen de oorspronkelijke, niet in toom gehouden erupties van het gevoel of van het leven zelf. Hij wordt gefascineerd door wat hij zelf óók is maar waaraan hij niet toegeeft, wat hem bedreigt en waartegen hij zich verzet: ‘Het leven zelf hééft namelijk geen stijl. Stijl is wat je moet toevoegen’. Zijn essay over KoR van der Goten is het mooiste voorbeeld van die toegevoegde stijl.
De drie slotessays onder de titel ‘De school der poëzie’ sluiten thematisch gezien aan bij het eerste deel van de bundel, getiteld ‘Onhaastig leven’. Ze vormen samen een bevlogen pleidooi vóór de rust van het denken, van de poëzie, van het zorgvuldig geformuleerde - en dus tégen het verschijnsel televisie. Zonder hem bij naam te noemen zit De Coninck in deze essays bij Neil Postman op schoot die in Amusing ourselves to death eerder al een frontale aanval op de televisie deed, maar dat is niet erg: in de eerste plaats is het noodzakelijk dat het medium door zoveel mogelijk scribenten onder vuur wordt gehouden (wie ervan uitgaat ‘dat we die kritiek nu zo langzamerhand wel kennen’ is net zo gemakzuchtig en dus gevaarlijk als de televisieprogramma's zelf), in de tweede plaats gaat het hier niet om een vrijblijvende tirade tegen een cultuurdodend massaverschijnsel maar om de verdediging van niets minder dan een bestaanswijze die dreigt te worden aangetast: de vrijheid van het onafhankelijke denken, de mogelijkheden van de taal, het leven met en in de literatuur. Die wezenlijke betrokkenheid verdient alle aandacht.
‘Met de tong tussen de schuifdeuren’. Uit De Tijd, 18 maart 1988.
‘Ten slotte is er iets merkwaardigs aan de hand. Dat de Hollandse dichtkunst Europees kampioen is: het zal wel. Maar in Over de troost van pessimisme kwam één Vlaamse dichter ter sprake (Roland Jooris), in Over Marieke van de bakker, met uitzondering van - heel even - Hugo Claus, geen enkele. We hebben dan een knap essayist... Of valt de Vlaamse poëzie net tussen de “slechte” en “goede” in en wordt dat stof voor een volgende bundel?’ (Bernard Dewulf, De Morgen, 23 januari 1988)
Over Marieke van de bakker verscheen voor het eerst in oktober 1987.