Een eerbetoon aan Vlaanderens grootste dichter

Poëzie buiten reeks

P

Dietsche Warande & Belfort · jaargang 114, nr. 6 · 1969 · blz. 450–452

Herman de Coninck, De lenige liefde, Brugge/Utrecht, Desclée de Brouwer, 1969, serie Noorderlicht.

‘Ik verkies de poëzie boven het proza, omdat dit bij uitstek het genre is, waarin men een levens- of schrijversfragment door vormelijke isolatie een bijna levensvreemde schittering en intensiteit kan geven, hoe dicht het leven er ook in benaderd wordt. Ik geloof dat het mij om dat zeldzaam soort bedrog te doen is.’

Aldus H. de Coninck in antwoord op een enquête van het tijdschrift Ruimten (7de jrg., nr. 26, 1968), waarvan hij overigens zelf redacteur is.

Deze uitleg van de eigen poëzie is niet helemaal ter zake. Wat hier gebeurt is geen isolering van levensfragmenten, wel schepping van poëtische fragmenten. Het schijnt hier essentieel te gaan om een werkelijkheid die als poëzie beleefd wordt, of ook een poëzie die de pretentie heeft levenswerkelijkheid te zijn. Dit laatste dan opgevat niet in de zin van poëzie als levensnoodzakelijkheid, wel zo dat de werkelijkheid van het gedicht de normale geleefde werkelijkheid vervangt, opzijschuift en usurpeert. Inderdaad - en hier kunnen we weer aansluiten bij het citaat -, hoe dicht het leven er ook in benaderd wordt, deze gedichten zijn allesbehalve een weergave van dat leven. Zij zijn integendeel werkelijkheden die in hoge mate, soms zelfs volledig, hun bestaan te danken hebben aan de taal. Het zijn taalwerkelijkheden en daardoor al essentieel poëtisch. Dat ideaal wordt niet in alle gedichten bereikt, maar klinkt wel overal door als een constante tendens. Bijv. in de afdeling ‘Ars poetica’, theoretisch geformuleerd:

‘geen sentimenten die me schrijven
maar ik die sentimenten maak:
“liefste” zeg ik, en dat woord
doet me beminnen.’ (blz. 66)

of nog, als belijdenis van het volstrekt eigen werkelijkheidskarakter van het poëtisch bestaan, ontoegankelijk zelfs voor de dichter wanneer hij niet als dichter, d.i. als schrijvende mens optreedt:

‘zie hoe mijn meest zachte
gedachte
als een pasgeboren wicht
te ademen ligt
in de glazen broeikas
van een gedicht.

en ik moet buiten blijven staan
en kijken door de ruiten
want ik kan er niet meer aan’ (blz. 65)

Het lijkt wel een algemene ervaring, dat het gedicht, eens geschreven, zich losmaakt van de maker om een eigen bestaan te gaan leiden, zoals het kind dat geboren is en daardoor alleen al onherroepelijk van de moeder vervreemdt. Die algemene waarheid wordt in deze poëzie bijzonder actueel, juist omdat de verhouding tussen poëzie en leven, tussen beleefde en geschreven realiteit, hier zo complex is en ook zo problematisch. Het woord wordt hier immers belangrijker dan het onmiddellijke leven. In het gedicht ‘narkissos’, op blz. 38 lezen we:

‘ook drijf ik dikwijls rond
in de boot van het woord “beminnen”’

en op blz. 26

‘..., met een hand die dacht:
“ik streel”, terwijl ze streelt.’

of op blz. 19:

‘in het woord “zetel” rust ik uit
als in een zetel.’

Naast deze directe uitspraken zou een zeer lange lijst aangelegd kunnen worden van beelden en wendingen, die hun expressiekracht minder rechtstreeks uit dezelfde instelling putten. De geciteerde voorbeelden zouden kunnen doen vermoeden dat het hier om een trucje gaat, een vrijblijvend spelletje. Niets is minder waar. Op blz. 27 staat een indringend gedicht dat a.h.w. een uitwerking is van de tragiek van deze levenshouding, die essentieel romantisch is. De dichter vlucht de werkelijkheid van het bestaan op een uiterst geraffineerde manier: niet door zijn heil te zoeken in droom, natuur, verleden of wat dan ook, in een pseudo-wereld, die via het gedicht in het bestaan wordt geroepen. Neen. De vlucht van de tastbare dingen weg, is een vlucht naar de genoemde dingen toe, zelfs in de cyclus liefdegedichten, waar de ‘tastbare dingen’ zo'n grote rol spelen. Deze gespletenheid wordt beseft en tragisch maar bedwongen uitgedrukt in het hogervermelde gedicht:

‘zeg: het leven is een brood
om in te bijten en de appels zien rood
van plezier, en nog, en nog, zeg iets.
leer me huilen, en als ik huil
leer me zeggen: het is niets.’

In menig opzicht is deze poëzie verwant aan die van een ander dichter buiten reeks, Hans Lodeizen. Ook hij leefde in een wereld die hij liever ‘zou kleuren dan bewonen’. Maar waar dit conflict bij Lodeizen onmiddellijk zeer scherpe vormen aanneemt en resulteert in een onnoemelijk melancholische poëzie, daar is de toon van H. de Coninck over het algemeen heel wat luchtiger, oppervlakkiger ook. Deze oppervlakkigheid lijkt de keerzijde van zijn virtuositeit. Zolang de speelse mogelijkheden van deze taalwereld niet ten volle zijn uitgebuit, zolang er nog hoeken zijn die door verrassende verbindingen bewoonbaar kunnen worden gemaakt, kan de illusie bewaard blijven. Zolang kan ook dit dichterschap meegaan.

Bron: DBNL · Dietsche Warande & Belfort.