Flamingo’s op poten zo dun als de ff’s
van mejuffer, of als twee sigarette-
pijpjes waaraan ze zuinig de rook
van zichzelf opzuigen: met dit soort
De Schreeuw
Bejaardentehuizen zijn een soort wachtzalen,
denkt hij, met een goddevader die om de haverklap
‘de volgende’ roept.
Hij is weer eens langs geweest, heeft haar
Olifant
Hij is gemaakt van de grofste effecten,
draagt zijn broek als clown August,
de knieën slodderend, maakt danspasjes
als tante Bertha die een tango de grond
We reden hele dagen op Honda’s
We reden hele dagen op Honda’s, we kwamen snel
aanwaaien als geluk, en je hoefde maar
achterop te springen en geschaakt te willen worden.
En jij wilde altijd wel, o
Wat heb je vandaag gekocht, vroeg ik
Wat heb je vandaag gekocht, vroeg ik.
Een halsuitsnijding, zei je.
Trek ze eens aan, vroeg ik.
En je trok alles uit: dat is ze
Hoe hield ik platonisch van je gedachten
Hoe hield ik platonisch van je gedachten
en onnoemelijk veel van de rest.
Je borsten waren zachte
kolfjes naar mijn hand,
Het was een prachtidee van haar ouders
Het was een prachtidee van haar ouders,
Melinda te verwekken. Aanvankelijk wou
ze dan ook zichzelf gaan studeren.
Psychologie noemt men die wetenschap,
Middenin de vlakte van juli
Middenin de vlakte van juli
kwam ik je tegen. Ik woon hier, zei je.
Ik keek naar de bloemen. Ja, dat zie ik,
zei ik, en waar leerde je de kunst
En zij omhelsde hem
En zij omhelsde hem met al haar
zonden en monden. En zij omhelsde hem
met al haar nachten. Met al haar
opnieuws. Met heel haar altijd.
Wat een gebrek aan pathetiek
Wat een gebrek aan pathetiek,
zoals hij zegt: ‘Hallo.
Dus je houdt niet meer van mij.’
En zij, een laatste sandwichhap weg-
Je wandelde met jezelf en met mij
Je wandelde met jezelf en met mij
langs de zee, toen je plots
je huid wilde zijn en zwemmen
en geheimen toevoegen aan
Zoals je binnenkwam en dag zei
Zoals je binnenkwam en dag zei,
en uit je kleren en je woorden stapte
(het voorlaatste wat je voor me uit-
deed was het woord ‘lieveling’
Ik kom van ver
Ik kom van ver,
van waar jij mooi was tussen je haren
als een eiland tussen het riet.
En je mond viel traag, traag
Nevel is ‘t niet meer voorbijgaan
Nevel is ‘t niet meer voorbijgaan
van iets moois dat al volbracht is.
Nevel is gelukkig haast niet meer bestaan,
niet meer moeten
Brussel
Geen krot stort hier ooit in. Ze blijven staan
uit gewoonte, beweert een collega van me,
en als ze je niet bevallen, zijn er enkel
andere lelijke huizen om eraan te ontsnappen.
Denkend aan vroegere gedichten
Wij waren jong, wij sprongen
te paard op de taal en reden
heersend de velden door,
slingerend lasso’s van woorden
Flamingo’s
Ze zijn er bijna niet
zoals heel slanke vrouwen
na heel licht verdriet.
Met hun poten als met een dun pincet
Ballerina
Gebaar voor gebaar reikt
ze haar lichaam over aan haar dromen
en telkens wordt ze meer
dan ze al was en telkens reikt ze weer.